Category: Kunst op School

Dan toch: de boekentas aan de haak

      

Dan toch: de boekentas aan de haak

Steevast probeer ik mijn werkkamer enigszins op orde te krijgen. Dat ik op z’n minst niet over dozen of boeken heen moet stappen eer ik me achter de PC kan nestelen. Het is me nooit in eniger bevredigende mate gelukt. Ik gaf les,  schreef artikels en nam initiatieven. En voor die lessen alleen al verzamelde ik behoorlijk wat. Alles wat in een les bruikbaar kon zijn. Wat taalkundig interessant was, maar tegelijk inhoudelijk boeide. De stapels dikten almaar aan. Omdat ik ook weg van de schoolpoort(en) nog van alles ondernam, was het eigenlijk onbegonnen werk. Hoe rangschik je zo’n verzameling? Als de afstand tussen de schappen al geen stokken in de wielen steekt: hoe catalogeer je de boeken? Per thema? Onderwijs, literatuur, kunst, humor, filosofie… Maar vaak lopen die dingen door elkaar. Idem voor de liedjesteksten. Illustraties. Cartoons. Ik werd er soms tureluurs van.

Eind 2008 belandde ik in het ziekenhuis. Koorts. Uitgeteld. Infectie. Een bacterie had me te pakken. Ik bleef er één week. Maar naar school zou ik niet  teruggaan. Nooit meer. Het ging gewoon niet. Het enige wat ik betreur is dat ik de “gasten” (zo noemde ik de leerlingen altijd) die ik amper anderhalve maand voor me had gehad niet het beste had kunnen geven. Zo’n bacterie woekert immers een hele tijd. Mat je af. Incuberen heet dat.

Eigenlijk had een soort burn-out me geveld. Ik had me tijden van hot naar her gehaast, maar vooral (te) vaak geërgerd. Aan de school. De stad. Ondermeer. Het opgefokte, welhaast seniele enthousiasme van sommigen. Hun dilettantentheater. De zelfgenoegzaamheid. En wat kom ik hier – op school – na 34 jaar nog doen? Alle schoolmuren waren een beetje kunst geworden (initiatieven!), zelfs de toiletten. Maar voor de meeste collega’s en leerlingen was ik vooral een entertainer. Terwijl ik ook wilde dat hun beheersing van het Nederlands beter werd.

Steeds hou ik stapels overeind. Barstensvol herinneringen. Krantenknipsels en heelder kranten. Foto’s… Ik heb ook wat (oude) steloefeningen gespaard. Ondermeer van Bram. Die schreef over een bezoek met de klas aan een beeldentuin. Ik herinner me zijn rollende “r” nog. Hoe hij voordroeg in het theater – ook dat “organiseerde” ik zo’n 30 jaar lang – over een trein met joden. Ik hoor het na meer dan 20 jaar nog! Ondertussen is Bram professor. In geschiedenis.

Ik heb de beste herinneringen aan bijna al mijn oud-leerlingen en -studenten. Het onderwijs daarentegen. “De” school… De voormalige kazerne was een mooie school geworden. Da’s waar. Maar ik was er zelden gelukkig. Vraag me niet waarom. Ik miste debat. Discussie. Openheid. Empathie. Schijnheiligheid heb je overal. Net als kliekjes. En kontlikkers. Het zal ook deels aan mij liggen: Einzelgänger. Terwijl je ploegspeler hoort te zijn. In het gelid moet lopen. Ik was speelvogel. Als het gros van mijn gasten. Zowel die van 13 als die van 18 en ouder.

Geen school meer, dus. Wat later zette ik ook een punt achter mijn projecten op de wijk Sint-Jozef. Tien jaar was ik er hyperactief. Ook hiervan dozen vol krantenknipsels. Herinneringen. Ik hou er vooral mijn liefde voor de marmotjes aan over, het symbool van de wijk. De uitjes naar de bergen. Een rist aardige mensen. Ook klootzakken. Er zat sleet op het project. En de politiek was aan zet. Ik focus vandaag nog louter op die andere grote, oude liefde van mij: de beeldende kunst. Niet zo lang geleden kwam er de blog. Ik kon stoom aflaten.

Vandaag probeerde ik nog maar eens wat op te ruimen. Zaken weg te doen. Maar wat gebeurde? Ik herlas een artikel van critica Anna Tilroe! 12 jaar oud. Ik kan het niet weggooien. Wat ik eindelijk wel heb kunnen doen, is mijn boekentas aan de haak hangen. Op zolder. Het heeft zo’n 2 jaar geduurd eer ik zo ver was. Het zwarte, glimmende ding. Uit Spanje: Calle Bulto. Hij zat serieus onder het stof en er zaten nog spullen in. Een en ander zal ik… bewaren. Dingen van die gasten die mij maar anderhalve maand als leraar Nederlands hebben gekend. Wat me opviel was een boekje: “Mijn leven als hond “ van Martin Bril. Toen net overleden columnist.

Vrijdag ga ik in Lendelede iets zeggen over tekeningen: “José Vermeersch en het dier”. Toeval bestaat niet. Uit Brils gebundelde columns had ik voorgelezen. De vragen heb ik ook nog. En Schoenaerts zat klaar. Julien. Mijn boekentas heb ik zondag in het Middelheim vervangen door een tas. In zeildoekstof. Ze herinnert aan een recente tentoonstelling daar van Jan Decock. In een Beschutte Werkplaats hebben ze er draagtassen van gemaakt. De ene kant toont het parkgroen. De andere een beeld dat Decock uit de collectie had gehaald. Je ziet de kop van een soldaat. Een grote helm. Ik ben gewapend tegen de rotzooi van alledag.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Johan Debruyne, 3 september 2012, eerste schooldag

 

 

“Pipi of kaka?”

“Pipi of kaka?”

Nu voor het banaalste akkefietje naar de rechtbank wordt gestapt en kranten en blaadjes zich meer dan ooit verkneukelen in de slechtheid van de mens, vervoegen nogal wat advocaten het BV-heir. Zo kijken we er al lang niet meer van op dat ook die heren bijvoorbeeld de nodige tijd nemen om hun haardos met een handvol gel tot een piekjeslandschap te boetseren of hun haar in sierlijke in slierten over hun gezicht draperen.  Trouwens, wat maakt het uit? Het is de inhoud die telt! Toch was het onlangs even knipperen met de ogen. In mijn krant stond een foto van een gepiercete “punkadvocaat”: hanenkam, gekleurde bril, enkellaarzen… Daarboven de toga. Het beeld woelde herinneringen om uit mijn “loopbaan” in het onderwijs, een wereld waarin ik al eens afwijkend gedrag vertoonde. Waar ik me meer dan waar dan ooit een einzelgänger voelde, hoewel qua uiterlijk in eerste instantie alleen mijn brilmonturen enige deining veroorzaakten…

Ik had er immers een hartsgrondige hekel aan een resem zaken. De schoolbel Zum Beispiel. De neonlichten. Het gebouw zelf, dat ooit als kazerne dienst had gedaan! Collega’s die nog de fluit hanteerden om de adepten in het gelid te krijgen. De strakke rijen. De talloze regeltjes die de creativiteit smoorden. En  niet in het minst het formalisme. Kafka was altijd een beetje in de buurt.

Om het ook voor mezelf enigszins leefbaar te houden, had ik gedurende vele jaren initiatieven ondernomen die de school daadwerkelijk kleurden. Toen ik een 2-tal jaar geleden de schoolpoort definitief achter me dichttrok waren zowat alle gangen en trappengangen beschilderd. Zelfs de toiletten had ik niet onaangeroerd gelaten. Dat vonden mijn directeuren leuk. In die school heb ik er 2 gekend. Beiden hadden ze een snor en staken ze – de ene al comfortabeler of stijlvoller dan de andere – gebeiteld in een pak. Blauw, bruin, grijs. De muurschilderingen hadden gelukkig meer kleur en een didactische insteek, ze kostten de school amper wat en het leverde een massa publiciteit (krantenartikels) op.

Toen ik die punky advocaat zag, dacht ik vooral aan mijn laatste schoolhoofd. In mij had zich in de loop er jaren een welhaast fysieke afkeer voor de mens en zijn ontegensprekelijk dogmatisme genesteld, terwijl ik anderzijds – begrijpelijk gezien de return – een bijna absolute vrijheid kreeg bij het ontplooien van mijn initiatieven. Maar ik dacht vooral aan de roddels van de collega’s nadat hij een les van hen had bijgewoond. In regel viel zo’n bezoek nog wel mee, maar steevast was er een minpuntje : het bord was niet keurig schoongeveegd (er waren “wolkjes” blijven hangen) of de jeansbroek van een jonge collega vertoonde rafels…

Vervangende schaamte. Dus, tegen de stroom in. Dat was mijn enige verfrissing. Op de vraag op hoeveel een toets stond, antwoordde ik steevast: duizend! En wanneer leerlingen tijdens de les naar het toilet moesten (het schoolreglement verbood dat, geloof ik, en Befehl war Befehl!), liet ik dat doorgaans wél toe. Ik heb zelf al mijn hele leven last van een hypersensitieve blaas en mijn darmen zijn bij momenten nauwelijks in toom te houden. Heb ik van mijn moeder, trouwens.  Vandaar. Ik vroeg dan wel eens: “Is ’t voor pipi of kaka?” En wat lees ik nu in een weekendbijlage van De Standaard omtrent “schaamte”? Dat ook Wim Helsen altijd diezelfde vraag stelt wanneer iemand van zijn gezelschap naar het toilet moet. Ik was, zonder het te weten, in uitstekend gezelschap!

Maar waarom wilde ik perse ook dan nog grappig zijn? Ik vraag het me wel eens af. Een inspecteur zei ooit dat een les waarin niet minstens 1 keer was gelachen geen goede les kon zijn. Maar wij lachten al zo vaak. In de les. Het maakte het onderwijsleven draagbaar. Maar goed, met deze wil ik mijn gemeende excuses aanbieden aan die jongens en meiden die niet om mijn duizend en mijn pipi’s en kaka’s konden lachen. Maar anderzijds heb ik dan toch hun blaas en darmen ontzien. Straks toch eens polsen bij Herman. Trainingsmaat en professioneel zielenknijper.

 

JOHAN DEBRUYNE, Brugge, mei 2012