Category: Projecten

De Prijs “Ignace Bernolet”: die van het stil protest en de pijn?

       

 

 

 

 

 

 

 

 

De prijs “Ignace Bernolet”: die van het stil protest en de pijn?

 

Ik zou het afleren, het snel, enthousiast en haast zonder nadenken op een vraag ingaan. Maar het lijkt zo ontzettend moeilijk als die op een vriendelijke of gemoedelijke manier wordt gesteld of wanneer het over beeldende kunst gaat. Bovendien zit het positief antwoorden op een vraag er bij mij diep in gebakken. De schuld van mijn moeder. Zo ging het bijvoorbeeld toen Koen Scherpereel-zaliger (ik keer nu dertig jaar in de tijd terug) over de middag met zijn gekende nonchalance en schwung bij mijn ma thuis (ik ging er ’s middags eten) kwam vragen of ik morgen (!) in de Gentse Decascoop zijn tentoonstelling wilde toelichten. Zijn vraag was van het zuiverste retorische ras. Ik aarzelde, panikeerde net niet en vond dat zijn vraag op zijn minst heel erg laat kwam, maar mijn moeder zei: “Allez, jongen, doe dit voor Koen!” Dat ik meteen les moest gaan geven en ’s avonds toch nog voor de school te werken had, daar werd geen rekening mee gehouden. Zo was mijn moeder. Zoals ik zei: het zit er in gebakken. De oven was niet ver. Ik ben een bakkerszoon.

Onlangs had ik het weer, toen iemand me zei dat er een prijs in de maak was voor een (de meest beloftevolle?) laatstejaarsstudent van de Brugse Stedelijke Academie. Of ik dit evenement wilde toelichten, want ik had mijn veel te vroeg gestorven leeftijdsgenoot Ignace Bernolet toch goed gekend? Naar hem zou/zal die prijs genoemd worden.

De laatste dertig jaar hebben “Ibern”, zo tekende hij zijn schaarse werken, en ik vaak in de clinch gelegen met de Brugse overheid (waaronder de stedelijke academie ressorteert). Beiden vonden we dat de lokale overheid actuele beeldende kunst al decennia lang stiefmoederlijk behandelde. Brugge was voor ons een mooi dorp met een overdaad aan middelmaat geworden. Een toeristenfuik, alom geliefd om zijn fraaie uitzichten, zijn frieten, roomijs, chocolade en bier. Ben ik iets vergeten? Samen met gelijkgestemden werden we maar liefst 16 (!) jaar aan het lijntje gehouden (van 1995 tot 2011) in verband met het nissenproject dat we “Buitenissig Brugge” hadden genoemd. Je weet wel: nissen, die kleine uitsparingen in gevels waar doorgaans een heiligenbeeld in staat. Omdat men in de stede als de dood was en nog is voor permanente actuele beeldende kunst in de openbare ruimte, zou het in die kleine dingen misschien wél worden toegelaten. Hoopten we. Ignace en ik. Tevergeefs. Uiteindelijk hebben we er van de 100, ook de internationaal bekende kunstenares Berlinde De Bruyckere zou meewerken en de voormalige hoofdconservator, Manfred Sellink, was uitermate enthousiast en kondigde het evenement ooit met onverholen trots “en public” aan,… 2 verwezenlijkt. En dit na een hoop intriges, gemene tackles en een resem vergaderingen met BruggePlus, Musea Brugge en de Brugse Erfgoedcel! Eentje boven de deur van mijn voormalige huurwoning in de Carmersstraat en dan, de meest besproken nis van de stad, die in de Vazquez-gevel (Zilverstraat), waar de “Cafedraal” gevestigd is, op een boogscheut van de Sint-Salvatorkathedraal. Daar werd een oubollig en verloederd Sint-Jozefsbeeld zinvol vervangen door een hedendaagse Bernolet-creatie. De uitbater was in de wolken met het resultaat, maar tegenstanders van actuele beeldende kunst spanden uiteindelijk de eigenaar van het pand voor de kar en er werd zelfs met een proces gedreigd.

De stad Brugge heeft ons helaas niet geholpen en we hebben ondervonden dat paapse verenigingen (er bestaat in deze stad zowaar zoiets als “Het Mariacomité!) met de meest oubollige ideeën omtrent beeldende kunst en waarvan we het bestaan niet eens afwisten in de aloude stede nog veel invloed hebben. Nochtans werd Bernolet (1953-2016) door de stedelijke overheid met regelmaat gevraagd om restauraties uit te voeren. Hij was veelzijdig, beheerst en kritisch. Kunsthistoricus, kunstenaar, restaurateur en lesgever, was hij. De leeuwen van het gelijknamig Brugse brugje heeft hij nog feilloos hun oude glorie teruggegeven en op de Brugse centrale begraafplaats nam hij diverse verpauperde praalgraven met succes onder handen. Ook in de stadsschouwburg heeft hij een ruimte eigenzinnig-sober naar zijn hand gezet en zijn allerknapste ingreep was zijn in situ-installatie in het verloederde stadspaleis “d’Hanins de Moerkerke”. Ik herinner me nog levendig zijn “Zetel voor Mobutu”. Altijd sober, puur, minimaal. Grote fan ook van Yves Klein. Blauw en bladgoud waren zelden ver.

Ik herinner me zijn protest bij een grote solotentoonstelling met zijn werk in het belfort op de Grote Markt. Over al zijn werken had hij zwarte doeken gelegd. Uit protest tegen het Brugs cultureel beleid. En toen we in 2002 in Venetïë (op de biënnale) de kamer deelden, vernam ik meer over zijn frustraties. Ik herinner me ook zijn inbreng in “Brugge 2002”, in het zgn. “off”-programma, door “De Slang” georganiseerd: een gouden zebrapad. Voor de toeristen? Goud, dat met de tijd en onder duizenden voetstappen langzaam zou verdwijnen.

Maar goed, er zijn de twee nissen en ik heb ooit een tweeluik van hem gekocht.

Misschien is die prijs naar hem noemen nog niet zo’n slecht idee. Althans wanneer de studenten aan de academie de waarheid wordt verteld. Dan weten ze hoe moeilijk het alhier gaat om als hedendaags beeldend kunstenaar in je opzet te slagen.

Ik heb dus uiteindelijk “nee” gezegd. En ik dacht daarbij aan mijn vorig jaar overleden zus. Duizend keer assertiever dan ik. Flamboyanter ook. Het doet pijn wanneer ik foto’s zie van familiereünies waar ze bij had moeten zijn. Een zogenaamd moeilijke tante, van wie je altijd vuurwerk kon verwachten.

 

Johan DEBRUYNE, begin juni 2017

“Europees Brugge 2002”, ook feest op Sint-Jozef

        

 

Marmotte wordt mascotte

 

 

                                                                                        

  

Georges’tje komt “thuis”…

 

 

 

Venetië

Venetië

Eergisteren, in de herfstzon;  gisteren, in de gietende regen: in onze tuin samen een perceeltje varens opgeruimd. Jaren brachten ze schoonheid en was het er voor de katers heerlijk toeven en stoeien. De nukken van de voorbije zomer hebben ze danig verziekt. Al meteen waren ze bruinig, slap en misten ze hun gebruikelijke frisse buigbaarheid. We hebben er nu siergras aangeplant. Het moet nog struiken en op zijn beurt een avontuurlijk terrein worden voor de beesten. Ik bekijk het vanuit het bureau terwijl ik aan het schrijven ben.

Omdat haar rug minder aankan dan de mijne, ben ik vanmorgen om boodschappen gereden. Ook eens het te lang opgespaarde glazen leeggoed meegenomen. Door de ronde gaten laat ik het glas de containers in kletteren. Ik leef me uit als een kwajongen. Hoe harder het galmt hoe leuker. Als hier maar geen GAS-boetes van komen…

Nadien, in het warenhuis, pluk ik wat kranten uit het rek. In DS zie ik een vensterraam met kanten gordijnen. Ervoor: een houten kantwerkstertje. Dit moet Brugge zijn! Ook deze krant “bevraagt” in verkiezingstijden. Het beeld, dat het oubollig cliché van mijn geboortestad bevestigt, prijkt prominent aan het begin van een bijdrage over de politieke toestand in de provincie West-Vlaanderen.

Wat zouden Anne en Mercedes, beiden kandidaat-burgemeester, hiervan denken? De voorbije legislaturen werd weinig ondernomen om dat bestofte  imago weg te werken. Dagjespolitiek. Toevalstreffers, zoals “De Treurenden”. Nee, meneer de burgemeester, ook jouw “Kamarama” kon het imago niet opfrissen. Pure poenschepperij, suggereerden velen. Vriendjespolitiek. Zei u zelf. Evenmin de door u aangezogen Gwij Mandelinck. Beeldend culturele willekeur was het en het heeft helemaal niet gewerkt. Het fonteintje op  het Stationsplein? Plassertjes. Meer niet! Zelfs niet het nieuwe concertgebouw met enkele topwerken tegen de binnenmuren. En al zeker niet de nieuwe glazen koterijen op ’t Zand. Het verloederde Ito-paviljoen hou ik nog buiten beschouwing. Er is een potje van gemaakt. Maar, ik zei het vaker: Brugge kan heel wat hebben!

Met mijn vrouw spreek ik af op het terras van “De Middenstand” (’t Zand). En kijk, net nu ik me na 10 jaar met het concertgebouw heb verzoend, staat zo’n joekel van een parkeertickethok in de weg. Ik zie amper nog de helft van wat vele Bruggelingen ongenuanceerd “De Bunker” noemen. De terrassen er vlak achter gapen van leegte: daar geen straaltje eindejaarszon!

Omdat ze wat langer wegblijft dan verwacht, stap ik maar eens tot bij de beeldengroep in het midden van het plein. Het water dat het geheel feeëriek moet maken is even het zwijgen opgelegd. Brons en water? Da’s om problemen vragen, zei me ooit een vakman. Van achter werfhekkens kan ik het werk van dichtbij observeren. Ik kom tot het besluit dat vooral de dieren meevallen: vogels en een enkele hond. Ik ga naar het terras terug, verlangend naar de klasse van iets als “Les bourgeois de Calais“ van Rodin.

Zoals wel vaker gebeurt neem ik plaats naast een Bruggeling die ik ken. Of ik weet wie België volgend jaar op de “Biënnale van Venetië” zal vertegenwoordigen. Berlinde De Bruyckere! De wereldvermaarde kunstenares uit Gent die zich bereid had verklaard een centrale rol te spelen in het nissenproject dat ondergetekende hier uit de grond wilde stampen. Helaas, al wat Brugs en paaps is werkte tegen. Bij gebrek aan respect haakte de kunstenares na diverse bezoeken aan Brugge af. Einde verhaal.

Wie weet had de stad zich hiermee wel op de kaart van de actuele beeldende kunst kunnen zetten. Met chocolade – hoe lekker ook – is het niet gelukt. En koken en lekker eten terwijl elders mensen creperen van de honger… Als Christenmens zou ik me schamen. Ik blijf er weg.

Ik ben maar een Bruggeling. Ik moet aan Geeraerts denken. Het voelt voor mij vaak een beetje aan als: Ik ben maar een neger. Toen in “2002” de Langestraat in zicht kwam, mijn geboortestraat notabene, waar ik elk huis en zijn geschiedenis ken, werd doodgemoedereerd niet aan deze jongen gedacht. Nee, daar waren… Gentenaars voor. Het mocht wat kosten. En waarom is die schreeuwlelijke buste van zoon V.A. nu nog niet in de Groene Rei gesukkeld? En waarom is dat marmeren tuinversiersel in Groeninge er alsnog bijgekomen? Willekeur!!! Het zal wel nooit veranderen. Elk doet hier zijn zin en iedereen houdt zijn mond. Mobiliteit is prioritair!

Vreemd, dacht ik vanmiddag. Altijd wanneer er lokale verkiezingen zijn, hangt aan verre buur J.-P. zijn raam een affiche met Moenaert op, “zijn” burgemeester. Nu is het er zoeken naar diens gedoodverfde opvolger…

Soit, onze tickets voor Venetë zijn er. Het hotel is geboekt. In juni trekken we een wijle naar het echte Venetië.

JOHAN DEBRUYNE, oktober 2012

 

Dan toch: de boekentas aan de haak

      

Dan toch: de boekentas aan de haak

Steevast probeer ik mijn werkkamer enigszins op orde te krijgen. Dat ik op z’n minst niet over dozen of boeken heen moet stappen eer ik me achter de PC kan nestelen. Het is me nooit in eniger bevredigende mate gelukt. Ik gaf les,  schreef artikels en nam initiatieven. En voor die lessen alleen al verzamelde ik behoorlijk wat. Alles wat in een les bruikbaar kon zijn. Wat taalkundig interessant was, maar tegelijk inhoudelijk boeide. De stapels dikten almaar aan. Omdat ik ook weg van de schoolpoort(en) nog van alles ondernam, was het eigenlijk onbegonnen werk. Hoe rangschik je zo’n verzameling? Als de afstand tussen de schappen al geen stokken in de wielen steekt: hoe catalogeer je de boeken? Per thema? Onderwijs, literatuur, kunst, humor, filosofie… Maar vaak lopen die dingen door elkaar. Idem voor de liedjesteksten. Illustraties. Cartoons. Ik werd er soms tureluurs van.

Eind 2008 belandde ik in het ziekenhuis. Koorts. Uitgeteld. Infectie. Een bacterie had me te pakken. Ik bleef er één week. Maar naar school zou ik niet  teruggaan. Nooit meer. Het ging gewoon niet. Het enige wat ik betreur is dat ik de “gasten” (zo noemde ik de leerlingen altijd) die ik amper anderhalve maand voor me had gehad niet het beste had kunnen geven. Zo’n bacterie woekert immers een hele tijd. Mat je af. Incuberen heet dat.

Eigenlijk had een soort burn-out me geveld. Ik had me tijden van hot naar her gehaast, maar vooral (te) vaak geërgerd. Aan de school. De stad. Ondermeer. Het opgefokte, welhaast seniele enthousiasme van sommigen. Hun dilettantentheater. De zelfgenoegzaamheid. En wat kom ik hier – op school – na 34 jaar nog doen? Alle schoolmuren waren een beetje kunst geworden (initiatieven!), zelfs de toiletten. Maar voor de meeste collega’s en leerlingen was ik vooral een entertainer. Terwijl ik ook wilde dat hun beheersing van het Nederlands beter werd.

Steeds hou ik stapels overeind. Barstensvol herinneringen. Krantenknipsels en heelder kranten. Foto’s… Ik heb ook wat (oude) steloefeningen gespaard. Ondermeer van Bram. Die schreef over een bezoek met de klas aan een beeldentuin. Ik herinner me zijn rollende “r” nog. Hoe hij voordroeg in het theater – ook dat “organiseerde” ik zo’n 30 jaar lang – over een trein met joden. Ik hoor het na meer dan 20 jaar nog! Ondertussen is Bram professor. In geschiedenis.

Ik heb de beste herinneringen aan bijna al mijn oud-leerlingen en -studenten. Het onderwijs daarentegen. “De” school… De voormalige kazerne was een mooie school geworden. Da’s waar. Maar ik was er zelden gelukkig. Vraag me niet waarom. Ik miste debat. Discussie. Openheid. Empathie. Schijnheiligheid heb je overal. Net als kliekjes. En kontlikkers. Het zal ook deels aan mij liggen: Einzelgänger. Terwijl je ploegspeler hoort te zijn. In het gelid moet lopen. Ik was speelvogel. Als het gros van mijn gasten. Zowel die van 13 als die van 18 en ouder.

Geen school meer, dus. Wat later zette ik ook een punt achter mijn projecten op de wijk Sint-Jozef. Tien jaar was ik er hyperactief. Ook hiervan dozen vol krantenknipsels. Herinneringen. Ik hou er vooral mijn liefde voor de marmotjes aan over, het symbool van de wijk. De uitjes naar de bergen. Een rist aardige mensen. Ook klootzakken. Er zat sleet op het project. En de politiek was aan zet. Ik focus vandaag nog louter op die andere grote, oude liefde van mij: de beeldende kunst. Niet zo lang geleden kwam er de blog. Ik kon stoom aflaten.

Vandaag probeerde ik nog maar eens wat op te ruimen. Zaken weg te doen. Maar wat gebeurde? Ik herlas een artikel van critica Anna Tilroe! 12 jaar oud. Ik kan het niet weggooien. Wat ik eindelijk wel heb kunnen doen, is mijn boekentas aan de haak hangen. Op zolder. Het heeft zo’n 2 jaar geduurd eer ik zo ver was. Het zwarte, glimmende ding. Uit Spanje: Calle Bulto. Hij zat serieus onder het stof en er zaten nog spullen in. Een en ander zal ik… bewaren. Dingen van die gasten die mij maar anderhalve maand als leraar Nederlands hebben gekend. Wat me opviel was een boekje: “Mijn leven als hond “ van Martin Bril. Toen net overleden columnist.

Vrijdag ga ik in Lendelede iets zeggen over tekeningen: “José Vermeersch en het dier”. Toeval bestaat niet. Uit Brils gebundelde columns had ik voorgelezen. De vragen heb ik ook nog. En Schoenaerts zat klaar. Julien. Mijn boekentas heb ik zondag in het Middelheim vervangen door een tas. In zeildoekstof. Ze herinnert aan een recente tentoonstelling daar van Jan Decock. In een Beschutte Werkplaats hebben ze er draagtassen van gemaakt. De ene kant toont het parkgroen. De andere een beeld dat Decock uit de collectie had gehaald. Je ziet de kop van een soldaat. Een grote helm. Ik ben gewapend tegen de rotzooi van alledag.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Johan Debruyne, 3 september 2012, eerste schooldag

 

 

Johan Debruyne als gangmaker achter project in Sint Jozef voor Brugge 2002

Georges’tje van de Gilde in chocolade

                     

 

 

2002 : Wijk up Sint Jozef (deel 2)

          

 

 

                             

WIJK UP Sint Jozef 2002