Category: Dieren

“Thelma en Louise”

 

 

 

 

 

 

“Thelma en Louise”

 

Lang geleden zat ik aan een lange tafel. Een communiefeest bij verre buren. Het was druk in het kleine huis. Omdat voor haar toen al twee mensen als een groep aanvoelden, was L. wijselijk thuis gebleven. In het overvol interieur zag ik toch meteen een kleine vogelkooi. Er was ook een cavia-biotoopje. Ik dacht meteen: zo’n gedruis is nefast voor beestjes. Ik dacht aan onze poezen. Hoe die al de vlucht nemen voor een enkele stille gast. Ik kreeg een glas aangeboden en koutte met onbekenden.

Er was een druilerige ochtend aan vooraf gegaan, maar plots klaarde de hemel op en verkaste de luidruchtige meute naar een groot terras, palend aan een verrassend diepe tuin. In het gras werd gevoetbald (een kleine houten doelmond maakte dit duidelijk en naarmate de middag vorderde zouden almaar zatter wordende grote mensen in de buurt van een houten rechthoek hun voetbal(on)kunde demonstreren). Je kon er ook basketbal spelen (een korf, bevestigd aan de achtergevel van de buren liet hier geen twijfel over). Een oude, obese buldog lag te midden gehavende tennisrackets naar adem te happen. De paaskuikens waren kippen geworden. Ze liepen vrijelijk, maar behoorlijk doelloos en onrustig rond. Her en der lagen ballen.

Omdat ik na amper twee glazen alcohol de leukste van de meute ben en heel wat rotzooi vergeet, en na een derde compleet loss, hield ik het bij “verblijd” en zat ik behoorlijk scherp te observeren. Ik keek hoe mensen met elkaar, met de dieren en met de dingen omgingen. Als dierenvriend was ik op dat soort reünies al altijd alert, al was het maar om de aanwezige dieren – die de meeste mensen nog altijd als inwisselbaar speelgoed aanzien – voor mogelijk onheil te vrijwaren.

Op zeker ogenblik is de zich stierlijk vervelende, gevierde kornuit nog in z’n eentje een balletje aan het trappen. Wat moet een kind immers met al die grote, half en geheel zatte mensen? Ik speel even met hem mee, maar gooi me na een klein kwartier uitgeput op mijn stoel. De verveling bij de jongen culmineert. Terwijl mijn tafelgenoten verder lallen, volg ik zijn doen en laten. Nog twijfelend of hij enig voetbaltalent heeft. Het dringt snel het tot me door dat hij de bal met regelmaat richting kippen trapt. Zij zijn een mikpunt. Hij wil ze raken. En dus pijn doen. Ik moet denken aan Wislawa en haar fameuze “Bijdrage tot de Statistieken”. Ikzelf, een watje, zou – op die leeftijd en onder die omstandigheden – naar de winkelhaak hebben gemikt, of naar de lat, of mijn verveling op trillende netten hebben uitgewerkt. Helaas, de kippen moesten het vergelden. Meteen na het dessert bedacht ik een uitvlucht en verliet het feest, te laf om een opmerking te maken.

Sindsdien zijn feesten minder nog dan ooit aan mij besteed. Ik moest er onlangs opnieuw aan denken. Tijdens een van de tentoonstellingen die ik dit jaar bezocht: “The Beauty of the Beast”.

Ik was er als de… kippen bij. Al op de vernissage, dus. Ik zag levende varkens (de resultaten van een kweekprogramma van kunstenaar Koen Vanmechelen), schapen-met-stamboom en de gasten werden verwelkomd door een immense wolf en een impressionante uil. De eerste maande tot voorzichtigheid aan; de tweede nodigde je uit om je een wijle in zijn schoot te nestelen. Voor deze laatste twee kunstwerken tekenden Stief Desmet en Johan Creten. Een en ander speelde en speelt zich af op en rond het Kasteel d’Ursel (Hingene). Achter het kasteel zet de ingetogen (het gebouw heeft iets huiselijks) rust zich voort in het rimpelloos oppervlak van een vierkante vijver, waarachter twee reuzenhonden van Sweetlove de wacht houden. Roze en rood. Een verrassend duet. Hoe enig mooi lelijk kan zijn.

Wat er van tientallen kunstenaars geëxposeerd wordt is van hoog niveau. De tentoonstelling loopt in samenwerking met het voor vele jaren in stellages gekooide KMSK Antwerpen, waardoor ook van oudere werken met dieren als protagonisten kan worden genoten. De vindingrijkheid, de verscheidenheid en de enscenering zijn verbluffend. Mijn liefde voor dieren wordt ruimschots gevoed. Een roedel honden vind ik te eng behuisd. Voorts niets op aan te merken.

Wanneer we aan het slot van een lange avond met ijsjes worden verwend terwijl we bij de vijver staan te praten, vraagt iemand wat me het meest heeft getroffen. Ik had ontzettend veel knap werk gezien, maar bij een enkel moest ik bijna letterlijk naar adem happen: een foto (op dibond) van Henk van Rensbergen. Een monumentaal ding. Een verlaten huis, oud behang met een diepe scheur, twee openstaande bruine deurtjes en voorts onpeilbare stilte. Twee kippen zoeken er zich een weg. Vriendinnen, zo zou later blijken, luisterend naar de namen Thelma en Louise. Een verwijzing ook naar een bekroonde misdaadfilm uit 1991, “een feministische roadmovie”, zou ik – thuisgekomen – lezen.

Ik kwam de kamer binnen waar die foto hing en meteen had ik het gevoel dat er iets ingrijpends was gebeurd. Dat de mens compleet verdwenen was (wat me, vreemd genoeg misschien, enigszins opluchtte) en dat de twee kippen er het beste probeerden van te maken. Ogenschijnlijk rustig, gedecideerd, nieuwsgierig. Op overlevingstocht. Sublieme foto. Ik bleef lang kijken. De stilte was oorverdovend.

Het toeval wil dat twee maand later van de hand van dezelfde kunstenaar, in hoofdzaak bekend als “urban photographer”, een monografie (Lannoo) verschijnt: “No Man’s land”. Het voorwoord is van de hand van de wereldvermaarde zoöloog Desmond Morris en voor de epiloog kroop auteur Peter Verhelst in de huid van de laatste nog levende homo sapiens.

Ik heb Morris’ tekst twee keer gelezen. Dat er ten tijde van Christus 255 miljoen mensen op aarde leefden, tijdens Morris’ jeugd al zo’n goeie twee miljard en vandaag, ondanks ontelbare oorlogen, epidemieën en andere wantoestanden, maar liefst 7,5 miljard. De aarde kan dit niet aan en Morris legt uit waarom. Koop het boek, geniet en huiver. Van de schoonheid van de natuur, die opnieuw ongeremd zijn plaats inneemt, en leer wat voor dieren de ramp zullen overleven. Flora en fauna zullen er wel bij varen. Ik denk aan de klimop in mijn eigen tuin: nauwelijks in te tomen.

Van Rensbergen moet hebben gedacht: als ik nu eens alleen de dieren een plaats geef in mijn compleet verloederde en verlaten locaties. Pas dan begon de tweede fase van het monnikenwerk: het inpassen van de dieren. Meesterlijk digitaal werk. Een boek vol verrassingen en vaak spectaculair, terwijl ik eigenlijk nog het meeste hou van de kleinere dieren die hij, zoals alle andere, schitterend heeft neergezet in zijn unieke biotopen. En laat “Thelma & Louise” mijn lievelingsfoto zijn. Twee vriendinnen, dat zie je zo.

Zeg, dierenvriend, zegt mijn Binnenstem (heb net Van Dis’ nieuwste gelezen): je zo dierbare honden en katten, hoe gaan die het redden? De hond wordt kattiger (wolf, dus weer) en de katten groter. En ook voor minder aaibare beesten wordt het een reuzentijd: ratten, muizen, vleermuizen…

Johan DEBRUYNE, 22 juli 2017

 

Wauw, een “echte nazi” in mijn hotelkamer!

    

 

 

 

 

 

 

Wauw, een “echte nazi” in mijn hotelkamer!

Een fervent liefhebber van actuele beeldende kunst heeft een rist vaste afspraken in zijn agenda. En wanneer hij het een beetje verstandig aanpakt, dan is hij meteen ook met grote regelmaat op vakantie. Zo ligt de koffer altijd tijdig klaar voor een 2-jaarlijks trip naar dé Biënnale (die van Venetië, dus), om de 5 jaar wordt de auto leeg gemaakt en dan weer volgestouwd voor een paar dagen artistieke “vakantie” in het Duitse provinciestadje Kassel (de Documenta) en om de 10 jaar wordt de sfeer opgesnoven in het mooie, al even provinciale Münster. In eigen land trekt hij net voor de zomerschoolvakantie op automatische piloot naar een plekje bij de Frans-Vlaamse grens en af en toe komt er nog een “Manifesta” bij. Ik vergeet vast een boel zaken.

Daarnaast is het ook nog wel eens zoeken naar een excuus om deze of gene tentoonstelling toch maar niet te missen. Amsterdam, Parijs, Antwerpen, Gent, Brussel, Den Haag en steden (zoals Bilbao) waar men bijzondere architecturen durft inplanten. Ik moet uiteraard de financiën in de gaten houden, maar ik ben feestneus en geef amper geld uit aan exquise schranspartijen. Irritant is dat de met regelmaat weerkerende manifestaties almaar toenemen en het dus moeilijker wordt om de dingen op de voet te blijven volgen. Er is niet alleen het lijf dat vaker protesteert; het reizen en logeren gebeurt op eigen kosten.

Ik ben het slaafje van een heerlijke, dure passie.

Omdat ik de Documenta al altijd als richtsnoer heb aanschouwd voor wat vandaag hedendaagse beeldende kunst zou horen te zijn, heb ik er al een behoorlijke serie op zitten. Dit keer opteerde ik voor de auto. Het groene Hessengebied strekt zich uit op een goeie vijfhonderd kilometer van mijn kleine heimat. Omdat ik een veel minder gedreven autobestuurder ben, nam ik in het verleden al eens de trein richting Duitsland. Je bent dan wel bijna een volle dag onderweg, maar je kan een boek meenemen. En omdat je op de voormelde manifestaties almaar meer “venues” dient af te lopen, opteer je met het vorderen van de jaren voor een hotel in de buurt van de meest belangwekkende locaties. Zo keek ik ook nu weer, des avonds en in de vroege ochtend, vanuit mijn hotelkamer met liefde naar dat fantastisch Lutherkerkje aan de overkant van de straat. Een oud en enig kunstwerk op een grillig groen heuveltje met her en der een vergeten kruis of verzonken zerk. Ook het uit de gratie geraakte Kulturbahnhof (het oude stationnetje) ligt binnen loopbereik. Op het plein ervoor stapt nog steeds een man naar de hemel. Haast lijkt hij niet te hebben en moe wordt hij evenmin: een kunstwerk van Jonathan Borofsky, kunstenaar die ooit in Brugge te gast was, meer bepaald in Galerie “De Lege Ruimte”. Maar in mijn fraai geboortestadje opteren beunhazen voor compleet andere “artistieke” creaties in de publieke ruimte…

Omdat je nooit alles kan lezen en evenmin alles kan zien, opteer ik in Venetië voor het Arsenale en de Giardini en loop ik eventjes langs bij Peggy Guggenheim. Zoals zij al haar hondjes een laatste rustplaats heeft bezorgd. Respect! De laatste jaren echter werd de Biënnale een zootje: wie zwemt in het geld, huurt een Venetiaans paleis om er zijn of haar kunsten te tonen. Ik weiger ze te bezoeken. Zo kan je er dit jaar bijvoorbeeld heel wat werk van Jan Fabre zien. In groen glas… Ik heb er geen boodschap aan.

Almaar meer locaties, dus. Alle kunstevenementen beginnen aan dit euvel te lijden. In Münster moet je dit jaar naar verluidt voor een enkel werk een uur de auto in. Te gek.

Ik heb intrigerende en onvergetelijke Documenta’s gezien. Doorgaans gestoeld op een visie. Die van 1992, in elkaar gebokst door onze Jan Hoet, ontbeerde die eigenschap. Hoet had van “zijn” Documenta een soort artistieke kermis gemaakt. “Alles kan” zal Jans devies geweest zijn. Of: dat hij het zelf allemaal niet meer wist. Toch was het een vrolijke, onvergetelijke Documenta.

Documenta XIV, deze van 2017 dus, van de jonge Poolse curator Szymczyk, confronteert je met de miserie van zowat de hele wereld, maar vergeet al te vaak dat het om beeldende kunst gaat. Puur beeldend is deze Documenta voor mij een gigantische ontgoocheling geworden. Niet omdat ze in Athene is begonnen en zo voor de eerste keer niet louter Kassel als terechte historische locatie heeft, maar het is zoeken naar beeldende kunst die je naar de keel grijpt. Net nu ik enigszins van mijn deprimerende nieuwsverslaving af aan het geraken was, kreeg ik het allemaal weer op mijn bord. Ik was wel voorbereid, maar wat ik zag was te zelden beeldend knap of verrassend vormgegeven.

Het begint wel veelbelovend en groots. Zo vergeet ik nooit meer het uit duizenden en duizenden ooit verboden boeken opgetrokken “Parthenon of Books” van de Argentijnse Marta Minujin, een “work in progress” want terwijl ik er dagelijks langs liep ging het bouwen van boekenzuilen onverminderd door. Minujins Parthenon neemt het hele grasveld voor het Fridercianum in. Opmerkelijk ook dat de naam “Fridericianum” de plaats had geruimd voor “Beingsafeisscary”. Voorts komt er voortdurend witte rook uit een van de torens van het gebouw. Een Duitse vertelde me dat dit in het prille begin tot geregelde oproepen van de brandweer had geleid… De rook symboliseert de wereld die in brand staat. En toch. Het leven ging ook die week zijn gang. Ik bezocht, las, zag en sprak. Het stadscentrum krioelde van het volk. Terrassen zaten overvol. Ik zag verrassend veel oude mensen en ook jonge. Ik raadde wie er voor de Documenta zou zijn en wie er leefde of boodschappen kwam doen. Ik zag talloze obese soortgenoten, maar ook heel wat sukkelaars, bedelaars en opvallend veel bodybuilders en allochtonen. Een amalgaam.

Op de Königsplatz sprak ik – met uitzicht op een in beton opgetrokken obelisk waarop in 4 talen een boodschap van gastvrijheid staat geschreven – met twee jonge, hardwerkende Afghanen. We hadden het onder andere over “The Kite”, het boek en de film en over hun thuisland dat ze ontvlucht waren. In het hotel vroeg ik aan de balie dan weer hoe het in Kassel met de “multiculti” was gesteld. Een grijnslach was mijn antwoord. In het centrum lijkt alles mee te vallen, maar er zijn wijken waar van integratie geen sprake is. Er zullen dus toch ooit lokale brandjes moeten geblust…

Ondertussen liep ik continu locaties af en werd me telkens door de strot geduwd hoe slecht de mens wel is. Maar ik volg wat er in de wereld gaande is en was dus vooral op zoek naar imponerende (niet in grootte) beeldende kunst, terwijl ik te vaak met goed bedoelde huisvlijt werd geconfronteerd.

Een halve zaal vol prikkeldraad en ijzer. Bijvoorbeeld. U denk er vast ook een muur bij? Een zogenaamd discussieforum was de plek waar mensen verkoeling zochten. Het was de hele week snoeiheet. Op het eind van dag 1 was ik twee keer de adem afgesneden. De ene keer ging het om een groot beeld van een vis die door een harpoen was doorboord. Het dier leefde nog: af en toe een stuiptrekking. Costas Tsoclis. In een andere ruimte keek ik lang naar een immense foto: een massa mensen op een geaccidenteerd terrein. De aarde vol kraters. Pas bij nader inzien zag ik dat alle mensen mekaar aan het fotograferen waren. Panos Kokkinias.

Een tweede vaste stek is de Documenta-halle, die Jan Hoet nog heeft laten bouwen. Hier werd ik helemaal hopeloos en speelde het woord “huisvlijt” het vaakst door mijn hoofd. Ik stond wel een wijle stil bij een blauwig bootwrak tot een muziekinstrument was omgebouwd.

Voor de “Orangerie” moet je een flink stuk naar beneden. Tot bij een uitlopertje van de Fulda, waar ik met plezier opnieuw de boom van Penone en de immense “Spitzhacke” van Klaas Oldenburg zag. In een enkele ruimte van de Orangerie was iets geprogrammeerd. Er stond een groot scherm. Er was behoorlijk wat volk aan het kijken en luisteren vooral naar een 5-tal Russisch-Orthodoxe priesters. Prachtige stemmen! Mochten onze pastoors zo zingen, dan ging ik als agnost wellicht elke zondag naar de mis.

Toen ik op dag drie mijn persaccreditatie ging vernieuwen (ze geldt voor 2 dagen), vroeg ik L. om foto’s te nemen. Mijn lichaam was aan een klaagzang begonnen en wellicht (ik ben 63) zou dit mijn laatste Kassel-accreditatie zijn. Mijn zwanenzang, dus. Geen mooi soort identiteitskaartje-met-foto dit keer, maar een ordinair document. Een Nederlands-Duitse, ongeveer mijn leeftijd, sprak me moed in toen ik haar zei waarom ik dààr per se foto’s wilde. “Oud worden,” zei ze, “is terugkeren naar de kinderjaren, in die zin dat je elke dag bijleert: dat wat je niet meer kunt!” We hebben nog lang staan praten. Ze vond mijn brilmontuur bijzonder.

Al bijna altijd vond ik een bezoek aan de Neue Galerie, een echt museum, lichtjes bergop gelegen en met uitzicht over het royale groen rondom de stad en de Orangerie, de moeite waard. Ook dit keer. Bijzondere en merkwaardige schilderijen, helaas afgewisseld met te veel dilettantisme, een gigantische muur met als titel “Real Nazi’s”, met centraal Adolf Hitler met een rood kruis over zijn gezicht. Niet, dus. Ik kan diverse redenen bedenken. Ik weet dat veel jonge Duitsers destijds onbewust bij de Hitler-Jugend werden ingelijfd. Onderaan herkende ik de jonge Joseph Beuys, toen piloot, later en tot op vandaag een der grootste conceptuele kunstenaars. De voormalige paus Ratzinger kon ik niet vinden. Een verre zaal toonde fantastische, in klei geboetseerde kopjes, en een gigantisch werk waarin je meteen het hoofd van Marine Le Pen herkende. Hier zie ik ook voor het eerst werk van Arnold Bode, kunstenaar-filosoof en stichter van de Documenta. Een groot lyrisch-abstract doek en een reeks tekeningen. Zijn portret, geschilderd door de sterkste Duitse schilder ooit, Gerhard Richter, had ik er eerder gezien. Voorts nog wel enkele bekende namen, ook op deze Documenta, maar of Jan Fabre en Hans Haacke daar nu echt nodig waren durf ik betwijfelen. Verrassend een reeks knappe tekeningen (inkt op papier) “Flood in the Netherlands”, over de watersnood bij de Noorderburen tijdens mijn geboortejaar.

Een nieuwe grote locatie is de Neue Neue Galerie, een voormalig postkantoor, waar weinig werk me in vervoering heeft kunnen brengen.

En wat men onder het oude station wilde laten zien of voelen, is me nog steeds niet duidelijk. Ik had me de vermoeiende trip kunnen besparen. Doodmoe liet ik me de laatste dag op mijn bed neerploffen, waar ik, zoals elke avond en ochtend ook Joseph Beuys in de ogen kon kijken. De Duitse goeroe haal je vandaag ook via behangpapier in huis…

 

JOHAN DEBRUYNE, eind juni 2017

 

 

Hond

Hond

 

Meer dan tien dagen geleden zijn twee vaklui vakkundig ons hele achterhuis van stellages komen voorzien. Een installatie! Ik had meteen zin om op de diverse niveaus beeldende kunst te integreren. Het plastic afdak voor mijn bureau had er eerder moeten aan geloven, want er diende ook daar gebouwd, de hoogte in, tot bij een joekel van een schoorsteen. Weg dus – voor meer dan even – de geborgenheid voor de katten en het tikken van de regen. Daar konden de poezen – als ze buiten wilden slapen (zij beslissen; wij staan ten dienste) – lekker droog blijven mét zicht op tal van tuinen. Er stonden uiteraard mandjes, gevuld met dekentjes.

Ons oude huis slikte de laatste tijd her en der water. De schoorsteen moest dit absoluut te bestrijden euvel als eerste bekopen en een nieuw dak zou definitief soelaas (lees: droogte) brengen. Ondertussen stormt en regent het al van net toen de twee mannen de deur achter zich dicht hadden getrokken, en een ander (vriendelijk) duo met poten aan het lijf, vader en zoon, het werk zouden komen af maken. Tot op vandaag zijn we helaas een schoorsteen armer, de poezen hun droomplek kwijt en is het wachten op dat nieuwe dak.

En ondertussen hadden we plannen gemaakt. Eens het nieuwe dak er zou zijn, dan was het tijd voor een grondige beurt voor mijn bureau (ramen, deur, plafond…) en wat later zouden nog andere onderdelen van het huis – we wonen hier nu bijna 20 jaar – worden opgefrist. Helaas, na een paar dagen was het de… kelder die ons gemoed zowat de doodsteek gaf. Sinds de stad Brugge hier aan de openbare weg heeft laten prutsen moeten we met regelmaat laarzen aantrekken, willen we iets uit de kelder halen: grondwater. Het heeft volgens “kenners” (zowat alle buren) niets met regenval te maken.

Het is een merkwaardig fenomeen, dat water zo maar uit het beton te voorschijn komt. Hier zou een videast vast iets mee aan kunnen, denk ik. Telkens mijn vrouw en ik bij een waterstand van enkele centimeters een tweetal uur in en rond de kelder actief waren, keken we de ogen uit. Dit soort werk deprimeert, maakt ons moe en droef, maar tegelijk was er ook altijd die verwondering. L. stond steevast beneden (hoefde zich niet te bukken); ik hield boven de wacht. Enfin, ik tilde het sierijzer dat het keldergat afdekte even op, haalde een vieze en glibberige gele buis te voorschijn en legde die zo’n meter ver op het trottoir. Voorts liep ik er voor spek en bonen bij: ik hield in de gaten of het debiet niet minder werd. Af en toe verdwaalden steentjes of wat afgebladderde verf in het dompelpompje en diende L. het apparaatje te repareren of opnieuw aan de praat te krijgen. Doorgaans deed ze dat met zachte hand. Maar bleef het ding dienst weigeren, dan handelde ze – volkomen tegen haar natuur in – met geweld. Hoe je mekaar, na bijna 40 jaar, wroetend in de buurt van een kelder nog beter leert kennen…

Het feit dat tijdens het afvoeren van stenen van de afgebroken, werkloze schoorsteen, de kruiwagen het licht gehavend sierdeksel helemaal had verknald, gaf ons zowat de genadeslag: houdt het nu nooit op? En gaan wij alles kunnen blijven repareren? 67 en 63, maar vooral fysiek behoorlijk afgetakeld. Niets kunnen we nog zelf. Waar L. vroeger bijvoorbeeld met engelengeduld het houten terras lenteklaar maakte, moeten we ook dit werk straks door een ander laten opknappen. De relatief kleine tuin en een snoeischaar? Daar waag ik me al enkele jaren niet meer aan.

Omdat de stad waar ik geboren en getogen ben me al vaker in de steek heeft gelaten, begon ik op een avond naar sites met appartementen te koop te surfen. We hadden dan wel besloten in het huis te blijven, maar L. weet dat ik, eens ik iets in mijn hoofd heb gehaald… Ze had gesuggereerd: als je dan toch nog wil verkassen, het liefst zo dicht mogelijk bij het station, dan geraken we gemakkelijk uit de toeristenfuik weg. Vreemd? We zijn beiden in deze stad geboren en opgegroeid en hebben er alle twee een haat-liefde verhouding mee. Het volkomen ontbreken van actuele beeldende kunst en boeiende, gedurfde, nieuwe architectuur in de binnenstad, het bannen van de auto, het tot vervelens toe promoten van de fiets, terwijl fietsen ten onzent levensgevaarlijk blijft, zowel voor de fiets als voor de fietser, de nooit aflatende lof over een fraai kabouterdorp… Het ergert ons.

De rolluiken blijven nu al tien dagen naar beneden. Ik zit dus vaak in het donker en mis het daglicht. Maar die stellages inspireren me niet. Ik doe het nodige werk, maar aan schrijven – tenzij in opdracht, of brieven voor buren en korte berichtjes – kom ik amper toe. Ik lig vermoeid languit in de zetel en denk wat ik straks, mochten we voor een appartement opteren, zou moeten achterlaten. Er zijn kunstwerken en -werkjes die ik voor geen geld ter wereld zou willen missen. In de boeken (hoewel ik aan een ernstige vorm van bibliofilie lijd) kan ik aardig rommelen en al wat ik van de school heb bewaard, ligt me wel na aan het hart, maar de school draait ook zonder mij.

Ik ben wel wat verliefd geworden op het beeld van een hond dat zo’n honderd jaar oud moet zijn. Een schitterend kunstwerk, vind ik. Nu we gedwongen de eetkeuken aan de kou en de vakmannen laten en altijd in de woonkamer eten, kijk continu op zijn knappe kop. En passant aai ik hem (het is duidelijk een reu), ik hoef hem niet mee naar buiten te nemen, want eigenlijk ben ik geen mens (meer) voor zo’n krachtig dier. De artrose die zich koppig in mijn schoudergewrichten heeft genesteld alleen al zou een wandeling onmogelijk maken. Echt aaien, optillen en spelen met, dit kan ik nog altijd met Wieb, momenteel onze enige kater. Ook hij is door de werken – die al tien dagen zijn gestaakt – zijn draai helemaal kwijt. We hebben voor hem een en ander verhuisd, maar het is wennen voor ons harige en licht autistische warhoofd. Nooit denken ze toch aan de dieren wanneer ze zulke dingen doen?

Maar wat laat ik achter? Die talloze doorgaans kunstige dieren in huis? Onder het dak logeren wel honderd marmotten (het gevolg van een socio-cultureel project waarin dat Alpendier een centrale plek had), allemaal met een verhaal. Achter mijn computerscherm koester ik het pluchen beertje van Maria (mijn rechterhand tijdens datzelfde project, dat tien jaar duurde), een kitscherig, maar onweerstaanbaar tijgertje, een mini-buldog met aan zijn nek het plastic bandje dat ik om de pols kreeg toen het S.M.A.K. zijn deuren middels een flauwe boksmatch opende, twee hondjes van Sweetlove (eentje toeft hier tijdelijk) met een petfles op hun rug en schoentjes aan, de enige beer die L. ooit maakte, een kitscherig varkentje gekocht in de Katelijnestraat, de prachtig opgezette marmot die de bakkerin, mijn vroegere buurvrouw, meebracht uit een onooglijk bergdorpje, de al licht verweerde graffitimarmot (creatie van Pino I) op de tuinmuur…

Ja, als we verhuizen, maar dit zal voor iedereen gelden, wordt het moeilijk afscheid nemen. Ik had het dan nog eens niet over de ovenstukken uit de bakkerij van mijn vader-zaliger. Dat soort ovens wordt niet meer gemaakt.

Terwijl ik zit te schrijven denk ik eraan dat mijn jongste broer nu ongeveer in Leuven (Gasthuisberg) wordt geopereerd. Na nog een controle – morgen – en een wellicht lange weg naar genezing, voeren ze hem morgen al terug naar het AZ Sint-Lucas Brugge. Super dat dit allemaal kan, maar ik krijg bepaalde beelden van dierenvervoer maar niet uit mijn hoofd…

 

Johan DEBRUYNE, begin maar 2017

 

Almaar een beetje meer alleen

Almaar een beetje meer alleen

 

Ik heb me zelden zo ellendig gevoeld als gisteren. Zelfs het banale dagelijkse ritme leek tot stilstand gekomen. Ik had met moeë ogen wat krantenbijlagen gelezen, maar de paar boeken op ontdekking binnen handbereik bleven weer onaangeroerd. Ook “De Bekeerlinge” van Hertmans. Heerlijk boek, zei Maen net nog aan de telefoon. Het maakt me moedeloos dat het zorgvuldig en met mate aangevoerde boekenvoer me niet aanzet tot lezen. Vlucht ik dan weer naar het bureau om wat me dwars zit vorm te geven? Zelfs hiervoor ontbreken me moed en kracht. Mijn computer (een recent exemplaar), samen met de auto het enige technische ding waarop ik zorgeloos een beroep wens te doen, speelt me ook parten. De laatste dagen aanvaardt het ding zelfs lettergrootte “14” niet. Ik heb een relatief groot scherm en om zonder bril te werken gebruik ik dat cijfer al tijden! Kleiner gaat niet. Wanneer ik erin slaag de infobalk bovenaan toch voor even zichtbaar te maken, druk ik dan maar op zestien. En hier zit ik nu dus, joekels van letters te typen. Het stoort me, want zo belangrijk zijn de woorden niet.

Ik weet wel: ik hoor nu even niet te lezen, noch zelf dingen in taal om te zetten. Ondanks een meer dan tijdige vaccinatie tegen griep werden L. en ik geveld. Samen. Ik ben gedoemd tot dutten en slapen. Vanmorgen voerde Lotje een aantal broden aan – ik eet steevast speltbrood van een welbepaalde bakker – en een jonge oud-collega is in een warenhuis een winkelkar gaan vullen. Ik mag niet buiten. Het zou ook niet lukken. Ik heb alle afspraken afgemeld en hoop over een week weer wat aan de slag te kunnen. Ik heb wel leren nietsdoen, maar het mag niet te lang duren. Een stratenloper met huisarrest…

L. is ontieglijk harder geveld dan ik. Zij kan amper op haar benen staan, krijgt geen hap binnen, braakt meteen weer uit wat ze toch door haar keel probeert te krijgen en haar tanden klapperen als castagnetten. Van meters ver hoor ik haar nu naar me toe schuifelen. Haar hele lijf huivert in haar wollige kamerjas. Voor haar had ik de dokter gebeld. Correctie: dokteres. Wanneer het er op aankomt opteert L. toch nog altijd voor vrouwelijke kunde en kennis. Mij maakt dat niets uit. Het is zoals met beeldende kunst. Of het werk nu van een man of een vrouw is. Het speelt geen rol. Ik zie het doorgaans niet. Voel het niet.

Op een ochtend had ik met een paar jongere, sportieve en handige kerels nog een zwaar “familiestuk” vervoerd, maar ik voelde de bui al hangen. Ik had het zweten. Ook letterlijk. Ik heb dus goed naar de dokteres geluisterd. Zes weken zal het duren, zei ze. Bijna wanhopig keek ik de andere kant uit.

Voor L. zit er niets anders op dan het bed. Platte rust, wat medicijnen, een fles water op het nachtkastje, uitzieken zoals dat heet, en tegelijk zorgen voor voldoende vocht en suiker. Mijn bed en ik? Geen beste maatjes. Ik zal het bij de zetel houden. De kat op schoot.

Een paar weken geleden hebben we onze oudste kater laten inslapen. Poesjkin was deels zijn zicht kwijt en lang niet meer de jager die hij altijd was geweest. Omdat zijn eveneens geadopteerde broer de eerste weken zijn draai niet vond en leek te treuren en te zoeken, hadden we zowat overal kartonnen dozen en mandjes gezet. Overal handdoeken in. Het was wennen voor Wieb. Hij was dan wel fysiek veruit de sterkste, maar Poesjkin was sluwer. Onze zorg zou niet worden beloond. Niet dat Wieb nu niet relatief snel en met onloochenbare fierheid wél op tafel zat – wat voorheen Poesjkins (licht, vinnig en razendsnel) domein was -, maar omdat L. echt het bed nauwelijks uit raakte, nam ik het huishouden helemaal over, het ophalen van de rolluiken aan de straatkant incluis. Het feit dat een van de slaapplekjes net onder een rol was geplaatst waarmee je een luik op- en neerlaat, leidde tot een valpartij die ik zelfs niet meer kan navertellen. Al wat ik nog weet is dat ik tollend enkele keramieken sculpturen heb vermeden, dat ik uit mijn wenkbrauw bloedde als een rund en dat doodzieke L. plots naast me stond. Even werd overwogen om een zogenaamde wachtdokter op te bellen, maar daar heb ik niet zulke goeie herinneringen aan, en de moed om op een of andere manier op de spoedgevallen te geraken was er ook niet. Gelukkig duurde het felle bloeden niet zo erg lang.

Ondertussen zijn we enkele dagen verder en is mijn lijf her en der verkleurd. Mijn oog spant de kroon. Het is herfst op mijn lijf: de kleuren veranderen elke dag.

Gebroken en nog steeds slapjes lig ik in mijn zetel. Telefoonnummers die ik niet ken beantwoord ik niet. Nooit. Na de zoveelste slaapsessie zie ik dat mijn zus heeft gebeld. Mijn enige zus nog. Ik had er ooit drie die er altijd voor het kakkersnest waren. Meestal belt Roos wanneer ze iets kunstigs in de zin heeft of ergens wil geraken (ze rijdt geen auto) waar haar man absoluut geen zin in heeft. Ze heeft ze het over de familie. Onlangs was er in het ouderlijk huis, nu een restaurant, een reünie. Amper een jaar geleden ben ik een zus aan kanker verloren. Een diep gemis. We zagen mekaar geregeld en hadden veel gemeen. Het overvalt me de laatste tijd vaker, niet een vorm van eenzaamheid, maar een gevoel van tergend sluimerend alleen-zijn. Ooit waren we met zeven. Een warm nest. Vandaag nog met vier. De gedachte om er ooit helemaal in mijn eentje voor te staan, schrikt me wel eens af. Maakt me al eens neerslachtig.

Er zijn ook de werken aan het huis. Het is een al oude, gezellige stek, maar ze heeft klappen (lees: schokken) gekregen toen in de buurt grote infrastructuurwerken hun beloop kenden. Nogal wat zelfstandigen in de buurt werden wanhopig en hielden de zaken voor bekeken.

Ondertussen heeft vocht de rolluikkast van mijn werkkamer bereikt. De gordijnen zijn node weggenomen, mijn werktafel staat nu verder van het raam, het afdakje voor de katten werd uitgebroken en de foto’s van mijn vader en die van mijn twee neefjes staan tegen de muur. Te wachten. Net zoals wij op het nieuwe dak en de schilderwerken. De twee lege plekken doen pijn. Ik wacht ook op tekeningen van Sara. Ze tekent heel bijzonder. Ik wil er graag een paar voor bij mijn verhalen van dagelijks zeer. Ik denk dat ze voor een glimlach kunnen zorgen.

 

Johan DEBRUYNE, februari 2017

 

Spel(l)ing

Spel(l)ing

 

Na het leegmaken van de brievenbus, een oogopslag voor een schimmig contact met het leven buiten, het ten dele voorspelbare gedoe met kater Wieb, het ontbijt en het lezen van een enkele tastbare krant, slof ik richting slaapkamer. De tred waarmee ik de slaapruimte nader zegt wellicht alles over hoe ik me voel. Het wintert nog steeds, maar voor het eerst is het minder koud. Het vriest niet langer. De badkamerdeur blijft dicht. Ik wilde even “hermetisch dicht” schrijven, maar in ons gezellige oude huis, is dit adjectief niet op zijn plaats. Voor de douche is het nog zo’n kwartier te vroeg.

Omdat de kleerkast zo immens groot is (het enige meubel dat we in al die jaren zijn blijven gedogen), hebben we 20 jaar geleden – toen we hier onze intrek namen – van de oude slaapkamerdeur een schuifding gemaakt. Een handige schrijnwerker had dit bedacht. Als we niets om handen hebben geraken we comfortabel binnen. Met een stofzuiger in het kielzog wordt het al mikken. Ik vraag me af hoe L. dat met de wasmand doet.

Het is een winters ritueel: ik schuif het ding dicht (’s nachts blijft het open om de kamer te verluchten) en zet de verwarming aan. L. slaapt nog. Van bij de kast gooi ik – (vrijwel altijd) speels – een verse onderbroek op het bed, waarna ik op een opgerold rubberen matje af stap om het ding aan het voeteneinde te ontrollen. Het is frenetiek, maar bepaald kunstig gehavend: ooit zette Poesjkin er met regelmaat en nijd zijn scherpe nageltjes in (de gedachte aan Lucio Fontana is nooit ver). Onze sluwe, mooie kater ging onbewust artistiek te keer wanneer hij vond dat zijn baasje te lang zijn horizontale positie aanhield en geen aanstalten leek te maken om naar beneden te gaan…

Op het matje probeer ik mijn bekken zo soepel mogelijk houden. Het bovenste gedeelte van mijn rug is broos geworden. Een bron van continue kwelling. Lumbaal – dat lieten röntgenfoto’s al altijd constateren – zit er nog voldoende speling tussen de wervelschijven. Ik streef een status-quo na. Reumatologen, orthopedisten, kinesisten en sportfanaten hebben me de voorbijgaande jaren duidelijk gemaakt welke oefeningen ik nog wél kan doen. Ook wat ik in mijn fysieke toestand maar niét meer moet proberen. Mijn ochtendlijke gymnastieksessie duurt zo’n kwartier. Bewegen, tellen, naar het plafond staren, plannen maken, wegdromen en alweer vergeten wat ik had gepland. Vervelende, maar noodzakelijke routine.

Nadat de souplesse is gevoederd, ben ik klaar voor de dag. Wanneer ik even later uit de douchecel stap, besluit ik of ik die dag al of niet mijn bril opzet. Blijf ik de hele dag binnen of staan er “verre” boodschappen op het programma? Word ik ergens verwacht? Ga ik naar kunst kijken? Is er een opdracht? Thuis red ik het zonder bril, maar eens de voordeur achter me dicht – zeker als ik de auto vandoen heb – moet het zicht scherper. Ik vind het echter verleidelijk om de wereld enigszins omfloerst waar te nemen.

Ondertussen is ook L. het bed uit en in de krant wat opgeschoten. Het gebeurt zelden, maar plots schuift het slaapkamerhout zachtjes open. Ze steekt haar hoofd binnen, kijkt naar haar liggende echtgenoot in zijn nauwe fitnessstrook en vraagt met verontwaardiging in haar stem: “Ook gelezen? Spelling en luisteren zijn op school niet meer belangrijk!” “En of”, antwoordde ik. Maar ik was klaar met dit (nieuws)item. Over het onderwijs zijn al zo vaak ballonnetjes opgelaten en de bevoegde minister blijft er maar op los ratelen. Tettertrien. L., ooit wetenschappelijk opgeleid, weet dat spelling en zogenaamde “luisteroefeningen” indertijd tot mijn dada’s behoorden.

Na tal van onderwijsjaren wist ik hoe je een en ander aantrekkelijk, zinvol en nuttig kon maken. Ik had uiteindelijk ook wel een beetje toegegeven aan de druk tot opleuken. Dictees waren vervangen door korte artikels uit de krant. Een 5-tal zinnen. Meestal vond ik die al op de voorpagina. Ik las het stukje voor en we hadden een gesprek, de leerlingen en ik. Hun mening en hoe ze die verwoord kregen waren leerrijk. Op het einde van de les dicteerde ik de zinnen. Als toemaatje bleef dan nog het zoeken naar een taalfout. De kranten staat er bol van. De taalkennis kalft danig af en fouten zijn schering en inslag. Op wat “eindredactie” wordt genoemd werd bij de kranten het eerst bespaard.

Ook luisteren stond hoog op de agenda. Teksten van Boudewijn, van Zjef, de zingende architect, Herman Van Veen, Robert Long… Mocht ik vandaag nog voor de klas staan, dan zou ik ze zelfs met “Ploegsteert” en Frank Vandenbroucke hebben kunnen ontroeren… Het was telkens stil om zo veel (talige) schoonheid. Nadien werd gezongen. Ik denk nog vaak aan de video over het leven van Julien Schoenaerts, theaterlegende en vader van. Het sprak ze aan, van 13 tot 19. En ouder.

Maar spelling… Een paar jaar geleden werd ik met koorts het ziekenhuis in gereden. Ik gaf les in meerdere scholen, schreef voor diverse kranten en tijdschriften en was geobsedeerd-ambitieus bezig met socio-cultureel werk. Te veel van het goede. Ik was met mijn kop tegen de muur gelopen. Een paar maanden later en eindelijk aan de beterhand had iemand het over een “bore-out”. Ik wist er niet eens het bestaan van. “Je verveelde je”, zei hij. Ik herinner me dat ik tijdens de examens tussen de banken laveerde om te kijken of er niet werd gespiekt. Verplicht nummer. Bij een examen Nederlands was de spelling van de studenten verteerbaar. Maar soms moest ik “bijzitten” op een examen geschiedenis of aardrijkskunde. Wat er dan te lezen viel! Een paar keer wees ik een examinandus op het feit dat aan deze of gene werkwoordsvorm iets scheelde. De onverschillige blik in mijn richting deed me op de duur denken: wat doe ik hier al meer dan dertig jaar?

Ik zei L. nog dat het allemaal “naar de wuppe” is (“Het Zesde Metaal” is onmiskenbaar de eerste in het dialect zingende groep die mijn hart weet te veroveren) en dat ik niet meer dan een passant was geweest.

Enfin. Dinsdag komen ze aan ons huis werken. Het heeft water geslikt. Een van de gevolgen is dat de rolluiken van mijn bureau muurvast zitten. Ik maak me zorgen nu om het huis. Met het onderwijs ben ik klaar. Ik maal niet langer om het nieuws van de zoveelste directeur die alweer een politieke benoeming blijkt te zijn. Ik heb het meer dan dertig jaar meegemaakt. Beslissingen (al dan niet aanvaarden) en oekazes (liefst niet uitvoeren) van luitjes die al jaren niet meer voor de klas stonden, maar wel een partijkaart bezaten.

Terug in de woonkamer haalde ik de rolluiken omhoog, opdat Wieb vanop de vensterbank boven de radiator, opnieuw zijn domein de gaten kon houden.

 

Johan Debruyne, eind januari 2016

 

Blauwe Toren

Blauwe Toren 3

Blauwe Toren

Daar zaten we dan. Een paar minuten eerder hadden we een zogenaamde uitvaartaula verlaten. Daar waren foto’s geprojecteerd. Met betraande ogen hadden we een leven zien passeren. Een leven in momenten. Met verre sprongen die soms beangstigend dichtbij leken. Voor de kinderjaren, die van het puberen, de sinds lang verdwenen dancings en het verliefd worden hadden we mekaar te laat leren kennen. Deel één van haar bestaan was voor ons onbekend terrein. Nieuw, vermoed en enigszins verrassend, en tegelijk voorbij: bizar. Op de beelden getuigde M. van levensvreugde, eigenzinnigheid en zorgeloosheid. Een enkele keer poseerde ze gretig ondeugend. Deze eigenschappen verbaasden niet.

We hadden ook naar “passende” muziek geluisterd. En naar een synopsis van een meedogenloos abrupt gestopt leven. Een sterke vrouw van 65. De vrouw van een vriend. Een vriendin. In amper een jaar tijd helemaal door kanker leeg gevreten.

Ik ben behoorlijk “afwezig”. Altijd op dit soort momenten. In mezelf gekeerd mijd ik de meeste ons bekende aanwezigen. Mijn hoofd zit in een wolk. Mist. De dood went nooit. Af en toe kijk ik weg. Naar het groen buiten. Naar een waterplas. M. was almaar lichter en brozer geworden. Op het laatst leek ze breekbaar als porselein. Haar hoofdje kleiner. Naar wat zich daarbinnen afspeelde was ik benieuwd, maar durfde niets te vragen. Het korte grijze haar stond haar goed.

Amper een jaar geleden werd mijn jongste zus uit mijn dagelijks bestaan weggerukt. Eerst langzaam (een lijdensweg waarlangs ze vaak stil en eenzaam kreunde), maar uiteindelijk onverwacht abrupt. Een oncoloog had ook haar een grotere kans op genezing beloofd. Nog een portie gerekt leven voorgespiegeld. Noppes.

Het is niet de eerste keer dat ik op deze plek kom. Met het ouder worden, het afkalven van het traditionele “afscheid” in kerken of kapellen, en het drastisch toenemen van het aantal crematies, kom je hier vanzelf almaar vaker dan je lief is.

De Blauwe Toren. Zo heet deze site aan de rand van de stad. Een blauwe toren. Heb ik die blikvanger dan telkens gemist? Het dierenasiel, waar naar verluidt relatief snel naar een “verlossende” injectie wordt gegrepen, ook een locatie waar leven en dood tegen elkaar aan schurken, bevindt zich op wandelafstand en draagt ook het woord blauw in zijn naam. Daarna komt “kruis”… Hier komt het leed thuis.

Ik erger me niet meer aan de “kunstwerken” die het gebouw een meerwaarde zouden kunnen geven. Wat er hangt is een dilettantisch allegaartje. Je kan er van uitgaan dat mensen in deze omstandigheden geen boodschap aan kunst hebben. Toch weet ik van aanverwante, grotere en meer eigentijdse locaties, elders in Vlaanderen, dat er kunstenaars zijn die zo’n ruimte wél meer betekenis kunnen geven. Vertroosting. Schoonheid en creativiteit die het verdriet temperen.

Als een van de eersten stappen mijn vrouw en ik traag en nog enigszins verdwaasd naar de nabije, tot restauratie omgebouwde hoeve. Achter het alles insluitende glas staat een tweetal kitscherige clowns. Als die bedoeld zijn om passanten aan het lachen te brengen… Beschamend! Maar ik erger me nauwelijks. Het verdriet is te groot. Waar de rouwmaaltijd – gespreid over een lange tafel – wacht, wordt allengs al eens gelachen. Het leven gaat verder. Het was een ongewoon late dienst. Pal op de middag. De jaarwisseling is duidelijk ongenadig geweest.

Wordt M. straks uitgestrooid? Een half uur geleden hebben we nog rozenblaadjes op haar kist gelegd. Of neemt haar man de as in een urne mee naar huis? Er worden vragen gesteld. En we praten met de tafelgenoten die we kennen, en met vreemden. We ontwaken langzaam uit een soort verdoving. De jassen hangen in een kast. Familie, wat vrienden en buren. “Intieme kring” moet zoiets heten. L. wil niet verast worden. Een andere vriendin wil dat haar as op zee wordt uitgestrooid. En wanneer ze lang genoeg met een vragende blik naar mij kijken, uit ik de wens dat wat van mij over blijft in de Franse Alpen wordt uitgestrooid. Ik was er meermaals. Maar die ene keer, in volle zomer, in dat dorpje… Guillèstre. In mijn eentje zou ik er in de omgeving op zoek gaan naar marmotten. De natuur maakte toen een diepe indruk op me. Zou doodgaan daar dan minder ingrijpend zijn? Of is het andersom? Heeft daar, in het aanschijn van die imposante bergen met besneeuwde toppen, daar waar je je nietigheid zo sterk aanvoelt, het wegvallen van (menselijk) leven minder impact? Of net niet?

Nee, ik zal vermoedelijk niet verast worden. Ik blijf bij L. Nu al bijna 40 jaar. En ook nog na mijn dood. Begraven moeten ze ons – dit hebben we afgesproken – op het mooie Stedelijke Kerkhof. Onder een knap stuk natuursteen. En waarom niet uit de Alpen?

Er wordt gegeten en gedronken. Naarmate de middag vordert worden sommigen wat cynisch, ondeugend zoals M. kon zijn, en gauw gaat het over koetjes en kalfjes. Af en toe ook nog over M. Drie uur later vertrekken we – doodmoe – terug naar huis. We zullen uren slapen.

Tegen de volgende middag smeekt mijn hoofd om een portie verse lucht. Ik stap de Ezelpoort door, een enkele lange straat en twee bochten. Voor ik aan de Grote Markt kom, sla ik links af. Daar kan ik naar boeken en brillen kijken. Er is lekkere koffie in de buurt.

Wat gewoon is, komt me vreemd voor. Ik heb rotdagen achter de rug. Toen M. stierf, hadden we net onze oudste kater laten inslapen. En ook in Wallonië keek een jong familielid de dood in de ogen.

Plots komt mijn vechtlust terug. Ik word nog maar eens geconfronteerd met de wansmaak van onze lokale overheid. Waar ooit een schreeuwlelijke bushalte en bronzen beelden me irriteerden, staat nu iets wat een modern openbaar toilet moet voorstellen. Ik heb helemaal niets tegen het stevige lapidaire groene straatmeubilair vlak bij de bieb, maar mag het voor een gewezen Europese Culturele Hoofdstad een tikkeltje meer zijn? Vooral de kant met de drie urinoirs achter een doorschijnend stuk polyester. Terwijl je plast (je moet je plas nog even ophouden, want het ding is nog niet gebruiksklaar) kijk je op een witte strook. Kon daar nu niet iets artistieks op worden aangebracht? Iets ludieks eventueel? Desnoods een met het hoekige karakter van het ding confronterende poppenkastzicht van een flard Brugge. Zo van: zelfs als je in deze stad gaat plassen blijf je naar schoons kijken. Zelfs plassen in Brugge die Scone: een beleving!

Ik denk onwillekeurig aan Münster, waar ze (tijdens een 10-jaarlijks kunstenfestival) ooit eens hebben laten zien hoe sfeervol en mooi een openbaar toilet kan zijn, en aan creaties van kunstenaars als Matthieu Lobelle en Jonas Vansteenkiste. Onder anderen. Kon de verantwoordelijke schepen die “toiletspecialisten” niet samen aan tafel brengen met enkele kunstenaars? Zou dit geen natuurlijke reflex moeten zijn in een stad die zich een cultuurstad noemt?

Hoewel zelf gekroonde fietsstad, lijkt Brugge de pedalen kwijt. Er wordt uitzinnig gedaan wanneer bier ondergronds naar de tap stroomt en gepocht dat je in luttele minuten de geschiedenis van de stad beleeft wanneer je het “Historium” binnen stapt. Dat de rode gloed van een Kruidvat de Grote Markt bezoedelt lijkt de beleidsdames en -heren niet te deren. We heffen het glas op een Chocolade-, Friet-, Lampen- en Foltermuseum…

Ooit was ik zo naïef te pleiten voor een kwalitatieve invulling van “eerbiedwaardige” locaties…

JOHAN DEBRUYNE, januari 2017

 

 

ZES EN EEN HALF

 

 

 

 

 

 

 

Verjaren…

ZES EN EEN HALF

 

Rond elven ben ik gisterenavond mijn bed in gerold. Ik was toen nog 62. Op zo’n leeftijd rol je je bed in. Te veel, te lang en te laat gesport, zeggen de orthopedisten van Sint-Lucas. In koor bijna. En met enig cynisme. Ook niet goed genoeg, denk ik er wel eens bij. Ik was een amper begeleide en nauwelijks onderlegde balverliefde allrounder die zich in geen enkele sport echt kon vastbijten. Keuzes maken…

Rollen, dus. Kruipen is voor nog later. Ik zie het soms voor me. Geen hoopgevend beeld.

Zoals de meeste nachten, de laatste jaren, heb ik behoorlijk slecht geslapen. Kop. Schouders. Nek. Benen… Ik was al altijd vroeg uit de veren. Ook toen ik nog niet kreupelde en mijn botten soepeler en met zin voor spontaniteit hun opdrachten uitvoerden. Tegenwoordig is 7 uur vaste prik. Dan heb ik al twee keer het radionieuws gehoord en slof ik naar beneden. Ik geniet er dan nog een wijle van de stilte. Van de dag die samen met mij ontwaakt. Nog voor Jefs Zotte Morgen en verbouwingswerken in de buurt.

Tot voor een paar jaar sliep ik als een roos. Van middernacht of later nog, tot na zessen. Die zalige luxe is me sluipenderwijs ontnomen.

Omdat ik tijdens de dag nog steevast ongewild in droommomenten verwijl, verzink ik ’s nachts zelden – ook deze nacht niet – in diepe dromen. Gelukkig maar voor het gehavende lijf, want als ik al in nachtelijke nevelen verdwaal, dan gebeurt dit buikliggelings. En dit kan mijn rug absoluut niet hebben.

Tijdens een van de stonden waarop slapen maar niet lukte, draaide ik me weinig elegant op mijn rug. Ik oefende de krampen uit mijn benen. Maakte er driehoeken mee. Twee dagen geleden – kunst in mijn hoofd – nog door het hobbelige Mons geslenterd. Mijn kunstige tochtjes moet ik altijd een beetje bekopen.

Ik was aan de school aan het denken, iets wat zelden voorkomt. Ik piekerde. Omtrent de 63 die ik ondertussen min of meer geruisloos was geworden. Op school, toen ik les gaf, moest het cijfer na de komma tot een halve punt worden afgerond. Rapporttijd. Alweer. Tweeënzestig (ik rekende altijd op honderd) werd dan een zes, terwijl drieënzestig naar 6,5 werd opgetrokken. Dat afronden naar boven deed me plezier. Ik heb altijd lak gehad aan cijfers, maar hierin was ik – gemakshalve ongetwijfeld – heel strikt. Ik ben vandaag dus eigenlijk 65, dacht ik. Het afronden gaf me voor de eerste keer een rotgevoel.

Rond achten, bij de bakker, liet ik dit niet blijken. Ik verbeet de vele pijntjes. Mijn hoofd zat nog altijd in een wolk, maar toch:  Hey, Nancy! Lang geleden. Een oud-collega uit de journalistieke wereld.

Koffiekoeken. Onze jongste kater zat als een hondje naast mijn stoel te wachten. Geduldig. Nu het wat kouder wordt (hij slaapt al eens buiten, in zijn balkonmandje), neemt hij meteen nadat ik ben opgestaan, mijn zitplaats in.

Na het ontbijt barstte het sms- en e-verkeer los. Voor Facebook was ik nog helemaal niet klaar. Ik las eerst nog het zondagse bakkerskrantje en een dubbelinterview met auteur Bernard Dewulf en psychiater Douwe Draaisma. Ook deze laatste is 63. Dewulf nog een jonkie van 56. Zo begin je blijkbaar te denken als je 63 bent.

Ik zag de dag en het leven al wat meer zitten. Ook de meeste berichtjes trokken me er door. Wensen vergezeld van een citaat van Aldous Huxley, een oud-collega die me steevast “preute” noemt en dat opnieuw deed, twee handgeschreven (jawel!) kaarten in de brievenbus, een kunstenaar die me vraagt om kritisch te blijven, maar tegelijk ook mijn optimisme te bewaren, op de mail het kaft van een mooie monografie waarin een tekst van mij is opgenomen en berichtjes van gewezen leerlingen van me (bedankt voor het respect, Pascal!) kikkerden me op.

Maar toch: drieënzestig?! Ik “boek” maar best een bezoekje aan de huisarts voor mijn jaarlijkse griepvaccin. Dokter Jan. Half november. 10u.45. Done!

 

Ondertussen al een glimp van Facebookberichten opgevangen. Ik bedank iedereen van harte voor de wensen, de kaarten, de zinnen, de fantasie, de knuffels en de kussen voor mijn zes en een half. ‘k Zien eigenlijk ol stief oed. Zal ik proberen om wat minder te zeuren?

Johan Debruyne, 16 oktober 2016

 

 

Tweeëntwintig jaar later

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Omtrent Kobe en zijn sculpturen)

Tweeëntwintig jaar later

Onlangs werd het me duidelijk wanneer het allemaal had plaats gevonden. Het was even schrikken. De laatste jaren heeft mijn toenemende graad van nostalgie me al met grote regelmaat duidelijk gemaakt hoe snel de tijd gaat. Ze vliegt voorbij. Het leven glijdt als zeezand door je vingers. Ik merk het onder meer aan ouderen naar wie ik in de fleur van hun leven heb opgekeken, aan idolen die verdwenen of nog maar uiterst zelden in het publiek verschijnen, en ik merk het aan zij die ik als kind heb gekend en die nu de kaap van de veertig en zelfs die van de vijftig hebben gerond of zelfs niet eens hebben gehaald. Ik trek maar een streep onder de clichés. Hoewel. “Je bent sneller moe, pa.” Die zin, dat liedje, weet je wel. Maar “pa”? Nee. Dat ben ik niet. Ik hou vooral van katten, dus hoef ik dit zelfs stil niet te horen. Twee katers heb ik. Hebben wij. Ik ben hun almaar krakkemikkiger en strammer wordende butler. Moeizaam volg ik hun onvermoeibaar ritme van binnen-buiten-binnen-buiten. Ik schrijf – dit mag ik hopen – nog behoorlijke zinnen neer. In de vroege ochtend en laat in de avond. En ik oefen ononderbroken in het aanvaarden van de slome fysieke teloorgang. Als het hoofd nog maar een wijle intact blijft!

Het was maar liefst tweeëntwintig jaar geleden dat ik in Zwevegem te gast was, in het atelier van beeldhouwer Kobe. De koffietijd brachten we in een kleine overvolle keuken door. Dit, onder andere, herinner ik me nog behoorlijk levendig. Voorts sculpturen in de tuin die niets gemeen hadden met de gezellige kommerloosheid waarmee hij toen al heel bewust beeldend was begaan. Het afwerken van de lange weg naar plastische eigen(gereid)heid, naar een handelsmerk. De tuin liet voornamelijk oud werk zien, buitenbeentjes, studietijdwerk…

Kobe was zijn artiestennaam. Op de dijk van Knokke-Heist stond voor een van de vele galeries een imposante, immense sculptuur van zijn hand. Een paard. Groenig brons. Het dier stond dwars. Een positie die bij zijn “meester” paste, maar gezien de aard van de sculptuur ook logisch omwille van de zichtbaarheid. Er was ook een ruiter. Of was het een amazone? Ik kwam geregeld in deze mondaine badstad, maar zelden op deze locatie en in de kunstgaleries in de omgeving, dus weet ik het allemaal niet zo precies meer. Er waren nogal wat galerieën met naar mijn gevoel een overdaad aan Cobra-kunst en oogstrelende dingen om het interieur op te smukken. Voor al diegenen die niet bereid zijn om voor pakweg een knap schilderij een meubel de deur te wijzen. Ik weet het: zo werkt het. Of net niet. Omheen een tekening of schilderij of een multiple die men via technische hoogstandjes tot een schilderij had gemanipuleerd of gemetamorfoseerd (van kwatongen kun je veel verwachten) zit het liefst nog een joekel van een lijst. Een “kader” in het West-Vlaams. Ik erger me, maar “mooi ingekaderd staat netjes”, nee? Kunst om te verfraaien. Zo luidt de titel van een monografie, geschreven door een gerespecteerd collega, over kunst in de Brusselse metro. In “Maalbeek” zal men hier nu wel anders over denken. Ook Benoît, de geestelijke vader van de tegelwerken in “Maalbeek”.

Wat ik van tweeëntwintig jaar geleden wel nog met zekerheid weet is dat ik getroffen was door het grote vakmanschap van de kunstenaar. Noem het metier. In de galerie stond kleiner werk. Paarden en vrouwen. Die immense formaten hoefden niet, vond ik. Te protserig. De essentie die Kobe in zijn werk bereikte droeg immers een zekere monumentaliteit in zich. Vooral de marmeren beelden charmeerden. De adering in de steen. Hoe de kunstenaar hier attent en vaak met lef mee om was gegaan.

 

Kobe was het pseudoniem voor Jacques Saelens (°1950). Drie jaar ouder dan ik. Hij de oudste van zeven; ik de jongste van een even uitgebreid nest. Gezellig praten bij het haardvuur was wellicht nooit zijn deel geweest. Ook het mijne niet. Bij ons was het een grote stoof. Met deurtjes. Maar goed, ik zou me meer dan een wijle in Kobe’s oeuvre verdiepen en ben er dus een paar keer op bezoek geweest. Men had me verwittigd: een eigenzinnig man, koppig, kort van stof.

Ik wilde vooral weten hoe hij tot zijn handelsmerk gekomen was: die brede en tegelijk smalle beelden, de oorzaak van de vaak vervelende en onheuse associatie met het oeuvre van Fernando Botero. Ooit zat hij, Kobe, – om medische redenen – een hele poos thuis en kwam er geen materiaal binnen. Uit verveling behielp hij zich op de duur dan maar met wat wél voorhanden was: een breed en smal stuk (hout, vermoed ik) waaruit hij een figuur zou halen. Een ander verhaal voert ons naar het kunstenaarsdorp Pietrasanta (Italië), en meer nog naar het nabijgelegen Carrara. In de buurt van de marmergroeven daar vallen naar verluidt al eens restanten te rapen. Breed en dun. Basiswerktuig waarmee de meeste kunstenaars niets konden noch wilden aanvangen. Al zeker de gevestigde waarden niet. De jonge,  koppige, eigenzinnige Jacques Saelens dus wel.

Een paar jaar later was ik onder meer bijzonder actief in wat socio-cultureel werk wordt genoemd. Naar aanleiding van “Brugge, Europese Culturele Hoofdstad 2002” had ik mij blindelings, mateloos enthousiast en dus compleet gesmeten in een project dat zich zou afspelen in de eerste Brugse sociale wijk.  Wekelijks had ik voor een krantenrecensie nog wel met kunstenaars en galerieën contact, maar Kobe verloor ik uit het oog. Zo gaat dat nu eenmaal. Af en toe zag ik nog eens een werk van hem, maar steeds dacht ik: ik heb het al gezien. Het is – hoewel super fijn, technisch outstanding en oogstrelend mooi – variëren op één thema. Op twee eigenlijk: het paard en de vrouw. En Kobe, die zat – werd me later duidelijk – ondertussen al lang waar hij wilde zijn: in Zuid-Europa. Dichter bij de zon en de blauwe luchten, een wereldvermaarde steengroeve en een culinaire traditie die zijn absolute voorkeur wegdroeg.

Het was zijn zoon, Albin, die in zijn huis in Pietrasanta teksten van mij had gevonden. En het was een uitgeverij van vooral kunstboeken die me contacteerde. Ik kwam te weten dat Kobe twee jaar geleden danig met zijn gezondheid op de sukkel was geraakt, hierdoor ternauwernood nog een tekening op papier kreeg en dat in dit geval het leven voor hem niet meer hoefde. 2014.

Op een zekere dag stond zijn zoon voor mijn deur. Meer zoon van je vader kan je uiterlijk amper zijn. Dat haar, die doordringende ogen, de zuiderse look. Albin, zesentwintig ondertussen. Hij had een bvba opgericht om het werk van zijn vader eer aan te doen. Ik vernam dat ook voor hem Pietrasanta en Carrara geen geheimen meer hebben. Het werk van zijn vader, bij wie hij geregeld op visite was, evenmin. Terwijl ik als criticus gewoon was geworden om me week na week in andere kunstwerken te verdiepen en erover te recenseren, kwam Kobe weer in mijn leven. In die tweeëntwintig jaar was zijn werk nog meer naar de technische perfectie toegegroeid en daarom – vóór nader toezien – misschien wat koel. Duidelijker werd het keurslijf waarin hij zijn oeuvre gemanoeuvreerd had: breed en dun en dan nog eens gevangen in een geometrisch karkas.

Kobe en een keurslijf… Onmogelijk, behalve wanneer het om zijn werk ging en hij zich gewild in dat lijf had gewrongen. Voorts had hij immers al zijn hele leven gecontesteerd tegen al wat gezag was en had hij de pest aan uiterlijk vertoon. Koppig, eigenzinnig en kort van stof. Ik was ooit opvallend vaak verwittigd.

Ik zag foto’s van werken die ik uiteraard niet kende, maar waarin ik meteen Kobe’s hand zag. Ik merkte hoe hij, die ooit zo’n afkeer had van abstractie, deze toch zijn artistieke territorium had binnengelaten. Ik denk dat er geen andere uitweg meer was. Als je binnen zo’n strak kader gaat creëren…  Meer en meer werd de essentie nagestreefd en af en toe eisten details een hoofdrol op. Het verwondert me geenszins dat Kobe er met zijn werk in geslaagd is heel wat mensen gelukkig te maken. Naar zijn publiek toe was dit zijn enige betrachting. Voor hem moest een werk dan weer puntgaaf zijn. Af.

Kobe is niet meer en toch lijkt hij meer dan ooit terug van weg geweest.

Johan DEBRUYNE, augustus 2016

 

Duimen?

Duimen?

Zaterdagochtend. Alweer. Dat de tijd vliegt is geen boutade meer. Ik haal voorzichtig twee volumineuze kranten uit de brievenbus en bevrijd ze van bijlagen en katernen. Het plukken begint al bij de voordeur en ik maak de klus bij de ontbijttafel af. Het is een routineus werkje en alle hebben ze een vaste stek. Ook de plannen om gelezen of bekeken te worden, of net niet, liggen min of meer vast. Ik heb wel lang niet altijd de fut om naast het zelf bezig zijn met van alles en nog wat ook nog eens alle weekendbijvoegsels te lezen. Een deel ervan is rotzooi en vliegt meteen een kartonnen doos in. Het is én koesteren én bevrijdend een doos in kieperen.

Het wordt stilaan wat warmer en de katers slapen weer buiten. Ook vannacht.  Zelfs gisteravond was er geen houden aan, ondanks vuurwerk op een plein niet ver bij ons vandaan. De feestelijke start van de meifoor, veronderstel ik. Het regende bovendien pijpenstelen. Behalve voor oliebollen of een puntzak friet van “De Gezondheidsapotheek”, zo heet het kraam, kom ik er niet. Ook buiten de meimaand frequenteer ik zelden dit grote plein. Het is een kille vlakte en ik verdraag maar moeilijk het artistieke brons dat er water staat te slurpen.

Poesjkin, onze oudste kater, zit op de tuintafel te wachten. Wieb zakt van het balkon af. Die heeft in zijn mand geslapen. Waar Poesjkin de hele nacht uithangt is ons al tijden een raadsel. Ik geef ze een best gevarieerd ontbijt, de verwende nesten. Na enige tijd staat Wieb geduldig aan de verkeerde kant van een deur te wachten. Hij weet dat er een butler komt, die Johan heet, en dat die de deur een wijle op een kier zal zetten. Dan kan hij de trappen op. Zoals gewoonlijk klimt hij langzaam en behoedzaam naar de logeerkamer. Alsof niemand het mag weten dat hij daar een vast, behoorlijk luxueus dagverblijf heeft. Poesjkin heeft de keuken dan voor zich alleen. Het ruzie maken en het schaduwboksen zit er op.

Radio 1 staat aan. Het gaat over de Koerden. Een reportage van 25 jaar geleden. “Het Haat goed in de wereld”, speelde beeldend kunstenaar Jeroen Daled niet zo lang geleden ondeugend met taal. Deze zin, rode letters op een zwart vlak, moet opnieuw aan het raam, denk ik.

Het radionieuws is – zoals elke ochtend – niet van aard om me vrolijk te stemmen. Integendeel.  Ik eet en zie hoe de luchten snel passeren. Ik hoor “Nathalie” van Gilbert Bécaud. Het lied bezorgt me kippenvel en vochtige ogen.

Wat later lees ik over het lied dat de Rode Duivels op het komende EK in Frankrijk vleugels moet geven. Er is kritiek. Elk zijn meug, natuurlijk, maar de spelers zelf zouden hiervoor geopteerd hebben. Volgens sommigen heeft het lied, een creatie van twee wereldvermaarde Belgische dj’s, een al te hoog “Tomorrowlandgehalte”. Ik had er gisteren toevallig een flard van opgevangen  en vond het best. Niet meteen mijn genre muziek, maar toch beter dan toen  op kampioenschappen beschamend onnozele liedjes van Will of Rocco met de Rode Duivels werden geassocieerd. Om nog maar te zwijgen van het vals geneuzel van ex-internationals. Boffin en Degryse. “Go West” moet het onding geheten hebben.

Na het ontbijt mag Poesjkin de eettafel op. Hij weet het. Van zodra ik in de woonkamer verdwijn, wipt hij de tafel op. Hij wordt een dagje ouder en ik nog wat milder ten opzichte van onze oudste viervoeter. Hij krabt zich, valt in slaap bij een rist pillendozen waarvoor geen plaats meer is in de apotheekkast en na zijn ochtendslaapje vind je overal plukken haar. Vlak voor het middageten moet ik dus even aan de slag met een paar vellen van de keukenrol. Gelukkig heeft de kleine leeuw een weelderige vacht.

Om de zoveel tijd kiest hij trouwens een nieuwe stek om zich enkele uren ongestoord te nestelen. Een tijd geleden liet ik hem weer de werkkamer binnen. Hij vlijde er zich vlak voor de printer en dus vlakbij het scherm en het klavier. Als ik dan aan de slag moet of wil, ben ik genoodzaakt het toetsenbord op te schuiven, begint het snoer van de computermuis vervelend te doen en bovendien gebeurt het wel eens dat hij zich lekker uitrekt en dat er stapels papier op de grond kletteren. Ik heb weinig orde. Mijn bureau is een zootje. Ik wil wel, maar ik kan niet ordenen. Het is een vijs die ik mankeer. De melancholie zit vandaag weer diep in mijn lijf.

Morgen, in de vroegte, denk ik, stap ik weer een eind op de lelijke trottoirs, op weg naar de dichtste bakker. Ik zie dan her en der dezelfde affiche hangen: “Duimen voor een warme samenleving”. Mooi kalligrafisch vorm gegeven. En voor het woord “samen” is meer zwart gebruikt. Elk jaar bezorgen Linda en Eddy, lieve, verre buren, me zo’n slogan met een groot BZN-gehalte. Ik spaar ze, maar afficheer ze niet. Te naïef, vind ik, al zeker in deze wereld, en in een laan, een soort snelweg, waar de meesten elkaar amper kennen en een “goeie morgen” bij velen wordt afgeremd door een soort verbale constipatie.

Ik lees en mijmer en vraag me af hoe lang er al te weinig controle op onze  luchthavens zou zijn. Een commissie gaat het uitvogelen.

De baas van minister Galants kabinet, de man die ogenschijnlijk genoegzaam  zijn minister in zijn aangekondigde val heeft meegesleurd, kwam in beeld. Aan de slag (nou ja) aan zijn bureau. Op een zitbal en op sokken. Een verstandige, maar best vervelende vent, naar verluidt. Na het plaatje kan ik er me iets bij voorstellen. Tiens, mijn schoenen uitdoen was iets dat ik voor de klas net niet durfde. Ik had er nochtans vaak zin in. Ik zou me voor de klas nog meer in mijn sas hebben gevoeld.

Op het moment dat ik vaststel dat de Erdogan-rel (omtrent een niet geapprecieerd gedicht dat een Duits komiek aan de Turkse Leider had opgedragen) al verwezen is naar een kaderstukje dat amper opvalt, denk ik aan vanmiddag. Ik hoop dat Honoré d’O me (in het Oostendse Mu.Zee) met zijn grenzeloze fantasie even alle rottigheid zal doen vergeten.

JOHAN DEBRUYNE, half april 2016

Serendipiteit

        

Omtrent de kunst van “Strook”

SERENDIPITEIT

Het moet zo’n jaar of twee geleden zijn. Van enige puur artistieke “aanwezigheid” ben ik niet op de hoogte gebracht. Ik ben uitgenodigd op een soort happening die plaatsvindt in een straat waar de leegstand schrijnend is. Een aantal gerenommeerde Brugse handelszaken heeft de handen in elkaar en aan de ploeg geslagen. Ze zouden er een wijle een leuke, levendige buurt van maken: een verrassend “eindje” straat aan de rand van het centrum waar hun kwaliteitsspullen jou in een geheel andere context kunnen verleiden.

Ik ga er naartoe, maar stap de nu met leven gevulde bakstenen kneusjes niet binnen. Ik ben een beetje aan het trottoir genageld. Ik toef een hele poos aan de overkant van de straat. Daar is niets te doen. Hoewel ik nu denk dat het zomer was of hooguit zachte aanlooptijd naar de herfst, krijg ik het koud. Aan de gevel van een heel oud huisje (of waren het er twee?) hangt iets wat ik nooit eerder heb gezien: twee monumentale, “huisjesgrote”  koppen. Twee bustes. Soorten portretten,  samengesteld uit stukken hout. Het werk intrigeert. Al zeker het onmiskenbaar vakmanschap.  De hoofden zijn gaaf en expressief tegelijk. Niet schreeuwerig. Ik voel zelfs een zekere melancholie. De creatieve geest die dit heeft gerealiseerd ken ik niet.

Ik denk enigszins verward – aan de overkant wordt ondertussen getoast, gekletst en uitbundig gedaan – aan kunstenaars die doorgaans (of een enkele keer) met hout aan de slag gaan. Balkenhol is de eerste die ik me voor de geest haal. Hoewel diens bas-reliëfs op de meest recente Documenta (in een kerk naast de Friedrichsplatz/Kassel) en zijn monumentale menselijke figuur vlak voor het CAC Malaga me in een nabij verleden hebben ontgoocheld, hou ik van zijn oeuvre.  Gewoonlijk tovert de man menselijke figuren uit boomstammen: verfijnd, vertederend, verstild.

Geheel anders dan de “Goden met geschonden gelaat” van Kader Attia. Die grijpen je bij de strot. Ik denk uiteraard ook aan Vic Gentils. Voor mij een van onze grootste kunstenaars ooit. Onnavolgbaar hoe die houten elementen op ingenieuze manier kon assembleren. Maar waar ik nu op straat naar sta te gapen, is geheel nieuw: geometrische vlakken (gerecupereerd) hout die koppen vormen. Er is amper reliëf.

Ik blijf de hele tijd met “houten kunst” in mijn kop zitten. Met werken van Lohaus, Penone en Brancusi. Allemaal zo anders. En van die Duitse kunstenaar, ik kan maar niet op zij naam komen, die met een kettingzaag en in luttele tijd figuren uit bomen zwoegt. Of zwoegde. Zou hij het nog doen? In de jaren ’90 stond ik oog in oog met wat van zijn bomen was overgebleven. Heel knap! Het was in de Brugse Galerie Hugieia.

Dit hier is weer volkomen anders. Ik zou in de late avond op zoek gaan naar meer van en over dit oeuvre. Wanneer ik dan uiteindelijk toch een deurtje binnenstap, laat ik me vertellen dat de maker amper dertig is en al heel wat op zijn artistieke actieradius heeft. “Strook” is zijn naam, pseudoniem voor Stefaan Decroock. Volgens de Amerikaanse nieuwswebsite “Hufftington Post” behoort zijn werk al tot de meest invloedrijke Street Art ter wereld!

De menselijke figuren die hij tegen muren aanbrengt zijn samengesteld uit verzaagde stukken wrakhout. Hout dat volgens de een of de ander voldoende tijd, leven en functie heeft gehad. Lui die vinden dat het goed is geweest met dit hout. Deze “opgegeven” materie brengt Strook op ideeën. Ze wakkert verhalen in hem op. Hij gaat op zoek naar oude, verpauperde panden en speurt er naar bruikbare houten elementen, stuk voor stuk veel ouder dan hemzelf. Hout dat levens heeft geleefd.

Hoe lang leeft hout überhaupt? Hoe lang gunnen wij een deur? Een raam? En wat hebben verf, mensen en tijd met het hout gedaan? Wat door velen aan de kant wordt gezet, is voor hem basismateriaal om mee te scheppen. In wat hij creëert zitten levens; hebben natuur en mens hun deel gehad.

Op een tentoonstelling in de Kortrijkse Buda-fabrieken (deze ervoor, in de leegstaande ruimtes van de voormalige Brugse drukkerij “Die Keure”, had ik gemist) waren velen in de ban van zijn werk. Het verrast. Het oude hout, de elementen en na enige tijd het vermoeden van een kunstenaar die ook erg goed kan tekenen.

Inderdaad: Strook is grafisch geschoold. Onderlegd. Bedreven. Hij herleidt zijn figuren tot (hoofd)lijnen. Lijnen die vlakken omvatten en dan een wezen vormen. De tentoonstelling laat ook abstract werk zien. Daarin laat hij her en de houten elementen weg en vervangt ze door beton dat hij schimmig figuratief beschildert.

Op de site van de kunstenaar kijk ik ook met verbazing naar zijn allereerste murale werken. Verf. Uit een spuitbus, vermoed ik. Een gigantisch, ingenieus werk, ergens in Antwerpen: een immense, verticale strook.

Van “Young Primitives” heeft hij nog gehoord. Dat was 2005, geloof ik, n.a.v. een Brugs stadsfestival. Graffiteurs van over de gehele wereld (ook acteur Matthias Schoenaerts was erbij) werden als het ware een wijle opgesloten in het Groeninge Museum. Daar dienden ze zich te laten inspireren door de werken van de Vlaamse Primitieven. Nadien maakten ze vaak gigantische werken die overal in de stad werden aangebracht. Dit knappe initiatief, dat jong én oud wist aan te spreken, kreeg helaas geen vervolg. Het leverde verbluffend werk op. Reveleerde ook talloze onvermoede manieren waarop kunstenaars met spuitbusverf omgaan. Een paar elementen zijn Brugse gevels blijven sieren. Zo hangen er vandaag nog drie in de Hof van Arents. Na de tentoonstelling werd het gros van de werken – onder grote belangstelling – in het voormalig Leerhuys per opbod aan de man gebracht. Ik was erbij. Was mijn huis maar groter geweest, heb ik toen vaak gevloekt. Stefaan herinnert zich iets van het evenement. Hij was toen een prille twintiger en had er wellicht net Sint-Lukas Gent op zitten, waar hij zich voor zijn eindwerk in de “écriture automatique” van Breton had verdiept.

Met stijgende verbazing kijk ik naar zijn tekeningen. De klasse van de vrije hand. Het gebaar.  De losse pols. De “poot”. Ik zie de kop van Eddy Merkcx. Bij nader toezien een onvoorstelbare kluwen van lijnen. In het hoofd zit de hele carrière van “de Kannibaal” vervat. Overwinningen, trofeeën… Je moet alleen verdomd goed kijken. De tijd nemen. Wonderbaarlijk is vooral dat de veelheid aan verwerkte gegevens geenszins het totaalbeeld stoort. Ik vermoed dat al zijn werken een lange weg hebben afgelegd. Soms mentaal en fysiek.

Hij gaat niet over één nacht ijs. Het speuren naar “intrinsiek artistiek” hout neemt heel veel tijd in beslag. Ook wanneer hij niet daadwerkelijk aan het zoeken is. Zijn leven is er vervuld van geraakt. Gestaag groeien de ideeën, terwijl ook het gedreven en bedreven droedelen tot beelden leidt die hij naderhand vereenvoudigt. Het is een uitdaging voor Strook, zegt hij zelf: met minder vlakverdeling toch expressie genereren. Kijken hoe vlakken en andere materialen met elkaar gaan communiceren. Het is zowat zijn leven geworden. Het zoeken naar wat lijn en materiaal met elkaar kunnen bereiken. Ik moet denken aan de term “serendipiteit”. Ik leerde het woord ooit van Jan Hoet: iets vinden zonder dat je eigenlijk concreet zoekt. Wat kort door de bocht. Er komt ook intelligentie bij kijken.

Strook sluit in de toekomst de pure abstractie niet uit. Ook de derde dimensie kriebelt in zijn onderbewuste. Er liggen al “toonmomenten” in de VS en in Canada in het verschiet.

          

 

JOHAN DEBRUYNE, begin januari 2016