Category: Blog/News

Zinvol brons in Brugge (deel 1)

    

 

 

 

 

 

 

 

 

Zinvol brons in Brugge (deel 1)

 

In de zogenaamde “publieke ruimte” van de gewezen Europese culturele hoofdstad Brugge kwam onlangs een bronzen sculptuur het sinds jaar en dag omstreden conglomeraat vervoegen. Ondergetekende – al zo’n 40 jaar behoorlijk intens met (actuele) beeldende kunst begaan – was niet op de onthulling uitgenodigd. Dit laatste hoeft niet te verwonderen: hij spaart zijn kritiek niet en het is een publiek geheim dat hij het moeilijk heeft met het feit dat zijn aloude geboortestad bang is van vernieuwende kunst of kunst die niet meteen duidt, maar veeleer vragen oproept. Geen probleem, hij wordt doorgaans overdadig ingelicht, getipt en gepolst.

Enkele jaren geleden kwam bij de toegang tot het eerbiedwaardig Groeninge Museum plots een marmeren sculptuur (in de weg) staan. Een grote marmeren, bedreven gekapte abstractie, waarvoor men blijkbaar 200.000 euro had opgehoest. Die plek had helemaal niet om een kunstwerk gevraagd, maar naar verluidt had de toenmalige hoofdconservator een boon voor de kunstenaar en/of zijn oeuvre. Toen een vloed van negatieve commentaar de kop opstak, omschreef hij de aanwinst dan maar als “tuinversiersel”. Weer niet zo lang voordien had de toenmalige schepen van cultuur – tegenwoordig combineert de allround burgemeester de bevoegdheid omtrent culturele aangelegenheden nog met tal van andere verantwoordelijkheden – zich bij de onthulling van weer eens een nutteloze en weinig waardevolle creatie laten ontvallen dat dergelijke calamiteiten in de toekomst niet meer mogelijk zouden zijn in een cultuurstad als Brugge.

De stad Brugge heeft de laatste decennia zo veel goed bedoeld dilettantisme op straten en pleinen neergepoot dat bijna niemand nog de stad bezoekt om actuele kunst te zien. Wat ontzettend jammer is, zeker voor de weinige kunstgaleries die wel in het heden proberen te leven. Een “triënnale voor architectuur en hedendaagse beeldende kunst” zal deze toestand niet veranderen wanneer er in de tussentijd op dat specifieke domein nauwelijks iets gebeurt. Een bevoegde commissie voor sculpturen in de publieke ruimte dringt zich al heel lang op, maar verdelen en heersen, vriendjes maken en géén risico lopen is veel leuker en gemakkelijker.

Brugge, heb ik geleerd, is een stadje dat op dat domein behoorlijk kan incasseren. Je kan – wanneer de toeristenmallemolen is stilgevallen – best nog heerlijke wandelingen maken en je toch met regelmaat storen aan artistieke onzin. Aan wat (veel) beter had gekund. Gedurfder. Ook op het vlak van de architectuur.

Onlangs nog keek ik weg van soorten Giacometti-kopieën bij de schouwburg (omdat zich in deze buurt ook de bieb bevindt staat een van de koploze protagonisten zowaar een boek te lezen!), probeerde ik niet te letten op de bronzen (!) bloemenkorf langs de Dijver, een op zijn zij liggende koets etc., etc. Doorgaans, op de net verdwenen beeldengroep op ’t Zand na, wordt weinig ruchtbaarheid aan die beeldende ingrepen gegeven. Altijd schreef ik eerlijk mijn mening, onder meer gedurende vele jaren in de krant van West-Vlaanderen (waar men best blij leek met zo’n kritische jongen), die ik nota bene nooit meer lees. Ook EXIT, het Brugs cultuurmaandblad dat het beleid bijna immer bejubelt, lees ik niet.

De meeste “aanwinsten” waren bronzen werken (een materie die tegen een stootje kan), zodat men me op de duur verweet iets tegen brons te hebben. Ik heb helemaal niets tegen brons. En ik heb het grootste respect voor vakmanschap. Ten bewijze mijn bewondering voor Rik Poots “Ruiters van de Apocalyps” in de Hof van Arents. Tegen marmer heb ik evenmin iets: wat voor een prachtwerk vind je niet wanneer je doorheen het Oud Sint-Jan-domein laveert? Penone! Een werk van een van ’s werelds grootste kunstenaars van de Arte Povera. Alleen: wie werken in de publieke ruimte neerzet, heeft de verdomde plicht er zorg voor te dragen. In dit laatste geval: ervoor zorgen dat die druppels blijven vallen. Tranen om zo veel leed.

Toen ik in 2001 begon aan een onbezoldigd decennium als “curator”/animator op de wijk Sint-Jozef kreeg ik ook voor de zeven kunstenaars met wie ik zou werken en voor hun creaties een schijntje. Voor het boekje van de ondertussen te jong overleden Alain Géronnez (“Dr. Ox”) ben ik iets bij gaan vragen en wanneer ik – ondanks veel obstakels – kleine Georges in brons (!) op een sokkel kreeg was ik bij de “Erven Ramon” en serviceclub Kiwanis Brugge gaan bedelen. Eeuwige dank! Het heeft de stad niets gekost. Voor de reuzenmarmot (onderhand de mascotte van de wijk geworden) op het Gandhi-plein kreeg ik in 2003 van zowel toenmalig burgemeester Moenaert als van Renaat Landuyt (toen Minister van Toerisme) een beetje geld toegestopt. Een som waarvoor pakweg iemand als Fabre niet eens zijn huis verlaat. Ik werd onderhand het organiseren en schooien gewend. Prestigeprojecten waar vandaag niemand nog van weet gingen ondertussen met pakken geld aan de haal. Maar met enthousiasme en liefde overwin je veel. Mijn nissenproject werd in diezelfde periode, ondanks (soms openbare) beloftes, gekelderd. Alleen de nis boven de “Cafedraal” (Zilverstraat) van mijn vorig jaar overleden vriend en kunstenaar Ignace Bernolet is er nog getuige van.

 

 

Zinvol brons in Brugge (deel 2)

                      

 

 

 

 

 

 

 

 

HOMELESS JESUS (deel 2)

Sinds een week of iets meer word ik gebriefd omtrent een bronzen sculptuur bij de Magdalena-kerk (Astridpark/Botanieken Hof). Het beeld – zo las ik naderhand – was officieel ingehuldigd – maar opnieuw was ik niet uitgenodigd. Links voor en bijna tegen de kerk staat een bronzen zitbank waarop een bronzen figuur op zijn zijde ligt, de knieën opgetrokken: “Homeless Jesus”. Wanneer ik ga kijken sneeuwt het en op het beeld heeft zich een laag sneeuw gevormd. Het doet me wat. Maar of het een goed kunstwerk is, valt op dat moment niet uit te maken. Ik voel wel meteen dat het op die plaats functioneert.

Ik keer terug wanneer de sneeuw modder is geworden. Nu kan ik het beeld met aandacht monsteren. Ik zie dat het inderdaad om Jezus gaat: de wonde in elk van zijn voeten. Ik kan ook een glimp van zijn gezicht opvangen. De deken waarmee de dakloze zich tegen de kou beschermt laat een opening. Het is een vakkundig gemaakt beeld. De glooiingen zitten goed. Prima sculptuurwerk.

Er komen mensen rondom me staan. Weer denk ik: het functioneert. Of het nu Jezus moest zijn of een naamloze dakloze… Hoe dan ook, de man is dakloos. Het is bar koud en de man moet buiten slapen. Ik zal me later duidelijk laten maken dat er in Brugge vandaag zo’n 50 mensen dakloos zijn! Ik heb wat foto’s genomen. Rond het plein zijn winkels die bekend staan om hun exquise marchandise. Vooral een slagerij en een bakkerij genieten grote bekendheid om de kwaliteit van hun producten. Rijen dik schuiven er aan. Ik word bekeken. En maar vreten, terwijl anderen creperen van honger en kou! Mij bekruipt hetzelfde gevoel als wanneer ik van mijn huis in de Leopold I-laan naar de bushalte net voorbij de Carrefour stap: ook daar zitten en liggen mensen, in de kou, op vermolmde “tuinversierselen”, een bierblik in de verkleumde hand. Inderdaad, ook hier is het leven lang niet voor iedereen een feest. Het geeft me telkens een wrang gevoel, omdat ik bij elke veeleer schaarse uitstap naar het pretpark dat mijn geboortestad is geworden het nuttige aan het aangename paar. Doorgaans ga ik in een van de boekhandels lectuur halen en het kaft wordt gelezen terwijl ik in een van de vele koffiehuizen geniet van wat lekkers. Wat mis ik op die momenten nog steevast mijn jongste zus. Het zal straks twee jaar geleden zijn dat ik ze plots ben verloren, dat al haar organen, moe van een lange strijd tegen kanker, elke functie weigerden. Met haar kon ik over dit soort zaken praten en van mening verschillen.

Terug naar “Homeless Jesus”: geen zinloos brons, dus, tot spijt van wie het benijdt. De maker is een katholieke Canadees: Timothy Schmalz. Deze “Jesus” vind ik zijn beste werk. Er zijn tien exemplaren van. Onder meer het Vaticaan en de steden New York en Madrid bezitten er een. Een sponsor heeft het allemaal bekostigd. En YOT, een vereniging die mensen van alle strekkingen en gezindten, die zoeken naar zin, bij elkaar wil krijgen en dus doen nadenken waar we met deze snel veranderende wereld naar toe kunnen en welke nieuwe functies kerken op zich kunnen nemen (ooit zong een Nederlands duo “Vluchten kan niet meer”), heeft geijverd om het niet in Brussel, maar in Brugge te krijgen. In de Magdalena-kerk is meer kunstigs te zien. De bijzondere schommel voorbij een waterplas trok meteen mijn aandacht. Zelfs met mijn bijna 100 kilo zou ik er op mogen…

Het ware interessant indien ook jonge kunstenaars deze locatie ontdekten.

JOHAN DEBRUYNE, januari 2018

 

Vloeibare tijden

 

 

 

 

 

 

 

 

Vloeibare tijden

Kou verdraag ik amper – bij een skivakantie, niet het gebergte, kan ik me zelfs amper iets voorstellen – en ik kijk niet uit naar de dagen rond Kerst en Nieuwjaar. Voor zo ver ik mij herinner is dat altijd zo geweest. En sinds de jaren ‘90 is deze afkeer exponentieel toegenomen. Hij heeft relatief weinig met de opgefokte sfeer in straten en winkels te maken, evenmin met het ongebreideld koopgedrag van mijn soortgenoten noch met de doorgaans banale versiering in straten, op pleinen, in en aan woningen, maar met een familiedrama dat in het geheugen gegrift zal blijven.

Een kwarteeuw later ongeveer parkeer ik de auto in een straat die naar de naam “’t Bilkske” luistert. De hele (kleine) parochie heet er zo. Het is een gekromde zijstraat van een van grote de Brugse poortstraten. Als puber draaide ik er wel eens op een… bakfiets binnen. Aan het eind van de straat immers, tegen de vestingen en een speelplein aan, was een houthandel. Daar moest ik van mijn vader al eens houtkrullen gaan halen waarmee de bakkersoven werd aangestoken.

De parochiekerk bestaat niet meer. Enfin, ze functioneert niet meer als kerk. Van het ouderlijk huis komende ligt ze links. Ik liet ze ook links liggen. Hoewel we meer dan eens ruzie maakten – hij was drie jaar ouder en de kleine ik wilde met alles meedoen – speelden mijn jongste broer en ik op lang vervlogen zondagen onder één hoedje. Van moeder – welhaast katholieker dan de Paus – moésten we op zondag naar de mis. Tegen beter weten in wellicht nam ze echter aan dat we dat ook daadwerkelijk hadden gedaan wanneer we de kleur van de kazuifel van de pastoor konden duiden. Moeder was lief, goedhartig en goedgelovig.

Terwijl de ene in “de patronage” (zo werd het oude gebouw genoemd waar jongeren zich onledig konden houden) – een drietal straten bij de kerk vandaan – ongestoord verder biljartte, vervulde de andere zijn broederlijke plicht. Ik herinner me nog de brede trappen van het ontspanningsoord én het piepen van de niet eens zo oude kerkdeur. De blikken van kerkgangers ook. Nooit durfde ik meteen na het constateren van de kazuifelkleur de kerk opnieuw verlaten, net omwille van dat gepiep. Een paar minuten speelde ik dus kleine vrome kerkganger. Deze vorm van dilettantentheater ging me behoorlijk af. “Shakespeare” was te hoog gegrepen, zou veel later blijken.

Waar ik vroeger, dicht bij mijn geboortehuis, met regelmaat mijn zus opzocht – ze had op zeker ogenblik de boerenbuiten opnieuw voor de stad ingeruild -, ging dat de laatste tijd moeilijker. Vandaag is mijn zus er zelfs niet meer. Ze is dood. Te jong gestorven. Haar enige dochter houdt er tijdelijk de herinneringen warm. En voorts kun je dezer dagen in de buurt nog nauwelijks je wagen kwijt. Overal staan gloednieuwe automaten waar je je nummerplaat moet intikken. Ik heb die dus na al die jaren van buiten moeten leren! Automaten… Overal. Nu dus ook in de kleine Brugse straten. Het is wennen. Maar wie weet worden zij nog een vorm van houvast in deze vloeibare tijden. Ik ben “Vloeibare Tijden” aan het lezen. Het is een boek van Zygmunt Bauman (1925-2017), een Pools-Britse socioloog en filosoof van joodse afkomst, die in de jaren ’80 bekend is geworden met zijn boeken over moderniteit. Ik ben pas aan het boek begonnen. Het gaat over leven in een eeuw vol onzekerheden.

Ik parkeer halverwege ’t Bilkske en sla een zijstraatje in. Net om de hoek loop ik een oud-student tegen het lijf. Ondertussen ook al oud-directeur. Hij woont in de buurt en is op stap met zijn dochtertje. Op de korte weg van de parkeerautomaat naar het huis van mijn petekind-van-veertig had ik al een man ontmoet die ik sporadisch tegen het lijf ben gelopen in het kleine wereldje van de beeldende kunsten. Mijn wereldje, dus. Ook familiebezoek. We deelden wat nuttige info en onvergetelijke ervaringen.

Ik ben er. Bel aan. Twee keer kort na elkaar. Oude gewoonte. Misschien was ik wel blij met dat dubbel oponthoud. Sinds mijn zus er niet meer is… Ik kijk door het raam en zie dat het goed is. Niet de licht overdadige Kerstversiering waar mijn zus heel gedreven en goed in was (zoals ze ook heel lekker kon koken), maar een lamp van Stark geeft het huis een warme gloed. De tuin is kortgeknipt. In de woonkamer werden designelementen geïntegreerd. Er loopt een mooie, schuwe poes rond. Het huis is geen schrijn geworden. Er wordt geleefd.

Manlief is naar de slager: er is visite op til. Er wordt heftig over en weer ge-sms’t, want bij de slager is iets misgelopen. De slagerij ligt bij een pleintje naast een stadspark, ook al bij een in onbruik geraakte kerk. In de laan waar ik woon, is een slagerij met dezelfde naam ook een succesnummer. Mensen wachten er in rijen die vaak zowaar het verkeer belemmeren! GAIA krijgt hier geen poot aan de grond. Wanneer hij uiteindelijk met het vlees en de kroketten thuis is geraakt, vraag ik hem of hij ook “Lost Jesus” (een nieuwe bronzen sculptuur vlakbij de Magdalena-kerk) heeft zien liggen. Nee, dus. Ik had het kunnen weten: zijn nochtans vlijmscherpe blik reserveert hij in hoofdzaak voor elegante vrouwen, oogstrelende auto’s (uit de tijd dat auto’s nog niet allemaal ongeveer kopieën van elkaar waren) en indrukwekkende moto’s.

 

JOHAN DEBRUYNE

eind december 2017

Bolt…

 

 

 

 

 

 

Bolt…

 

Het is een verrassende vaststelling, maar sinds ook in ons land serieus gesnoeid wordt in het subsidiëren van het culturele leven, ontvang ik meer dan ooit uitnodigingen om vernissages bij te wonen. Ik heb na enig gemijmer vastgesteld dat het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dat bepaalde kunstenaars het anders aanpakken (er worden al dan niet eenmalige samenwerkingsverbanden gesmeed en heel wat interessante panden worden plots intrigerende locaties om beeldend werk te tonen) en zodoende toch de nodige aandacht weten te trekken en uiteraard heeft het er alle schijn van dat ook hier de middenklasse is weg gewalst. Wie er warm in zit, kan uitpakken. We gaan ons van voorbeelden onthouden.

Aan kwaliteit is niets ingeboet. Ook niet wat de invitaties betreft. Ik vis met zorg en respect de mooiste uitnodigingen uit mijn brievenbus en ook op het net lijkt de creativiteit amper te stoppen.

Alleen, een paar weken geleden kreeg een virus me te pakken en nog een week later brachten een paar buisjes deskundig afgetapt bloed (wat kan dokter Jan dat goed!) en een kleine flacon met wat urine aan het licht dat de verhoudingen binnen mijn bloedhuishouding helemaal niet meer klopten, terwijl het virus nog eens mijn waterkanaalstelsel had aangetast ook. Rustig aan, luidde dokter Jans advies. Ik ben verdomme nog sneller moe dan ik al was sinds ik 8 jaar geleden met iets soortgelijks werd geconfronteerd. Toen kwam er een ziekenhuisopname bij te pas. Ik mocht die verrekte fabriek pas verlaten wanneer de koorts uit mijn lijf was verdreven. Het heeft een volle week geduurd. Het kan natuurlijk ook dat ik ondertussen nog trager ben geworden en nog langzamer het leven (en de kunst) absorbeer.

Zo ben ik de voorbije dagen twee keer naar het Brugs Sint-Janshospitaal getrokken – ik laat me brengen, omdat de kasseien in mijn geboortestad voor mij een ware kastijding zijn – om me te verdiepen in het werk van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge. ’s Mans oeuvre had al twee keer een onuitwisbare indruk op me nagelaten: op Documenta X en in… Watou. Op dit plekje aan de Schreve meer bepaald in het jaar 2003, toen daar nog iets georganiseerd werd dat naar de naam “Poëziezomer” luisterde.

“Smoke, Ashes, Fable”. Ik kan de tentoonstelling in het oude ziekenhuis in Brugge ten zeerste aanbevelen. Ik twijfel of er in mijn geboortestede ooit iets straffers te zien is geweest.

Ik ben de voorbije weken dus wel enigszins actief gebleven. Zo ben ik gaan lunchen met een oud-student. Die had daar zo’n slordige 200 kilometer retour voor over. Een onvergetelijke, gemoedelijke ontmoeting. Als het een beetje gaat, dan zeg ik niet neen tegen unieke momenten.

Op een zaterdag ben ik dan een TANK binnengestapt. “De” TANK. Die bevindt zich op de Burg. Het is de naam van de zielloze achterkant van het gouvernementsgebouw. Het ding staat leeg en een 60-tal creatieve medeburgers, jong en wat ouder, hebben er tijdelijk een atelier. Tot de eigenaar beslist dat het over en uit is en er wellicht appartementen komen. Voor de happy few. Misschien kunnen ze in die omgeving ondertussen nog wat misbaksels tegen de grond leggen. Ik tuurde naar de overkant en zag het zielloze Crown Plaza Hotel. Met heimwee dacht ik terug aan “St. Georges” dat er voordien zijn plaats had. Precies omwille van die miskleunen (de stad staat er vol van, maar Brugge kan blijkbaar veel hebben) gelijkt mijn geboortestad absoluut niet meer op Venetië. Ik had het er onlangs op Facebook nog over met regisseuse Hilde Van Mieghem.

Wel, in aanloop naar de tweede Brugse triënnale nieuwe stijl (die van Renaat Landuyt, dus) was er een panelgesprek voorzien. Een aantal mensen die een organisatie omtrent actuele beeldende kunst leiden zou er uit de doeken komen doen hoe ze jonge beeldende kunstenaars kansen geven en begeleiden. In deze tijden. De meesten hadden een organigram gemaakt en behielpen zich met een powerpoint, zodat het relatief makkelijk volgen was, hoewel twee en een half uur luisteren toch wat lang leek. Er was nauwelijks publiek opgekomen. Als ik maar mijn werkstek heb, zullen de meesten wel gedacht hebben. Kunstenaars? Einzelgängers! Performer en internationaal gelauwerd kunstenaar William Kentridge had even ervoor het concertgebouw vol laten lopen voor iets wat vijftig minuten duurde. Klasbak, natuurlijk.

Michel Dewilde deed uit de doeken wat het Brugs cultuurcentrum met weinig middelen had gepresteerd sinds hij zo’n kwarteeuw geleden in functie was getreden. Het is aanzienlijk, maar doorgaans komt geen kat kijken naar wat er in “De Bond” gebeurt. Voorts een dame uit Schotland, iemand uit Den Haag en een jonge kerel die zei hoe het Brugs Entrepot functioneert. Frank Maes liet verstaan hoe “Emergent” (Veurne) zo’n succes is geworden. Terecht, want daar zag ik de laatste jaren niets dan knappe, intrigerende tentoonstellingen. Er werden ook beelden getoond.

Het meest opvallende – voorts was hij naar zijn doen kort van stof – kwam van Stef Van Bellingen, de man van WARP uit Sint-Niklaas. Hij liet een beeld zien van een 100 metersprint. Niet verwonderlijk dit uitje naar de sport, want Stef was ooit tienkamper. Hij riep – wellicht voorbereid – de jongen die voor de techniek instond bij zich en die moest het getoonde beeld even corrigeren. Tja, Bolt, Usain Bolt, stond er immers niet op. Die lag aan de finish zo’n drie meter voor. Van Bellingen toonde dus net wat de kranten niét hadden getoond. Die hadden alleen het beeld van Bolt gepubliceerd met wellicht als commentaar dat de anderen niet eens op de foto waren geraakt. Hij vroeg de luttele aanwezigen ook of ze een enkele naam konden noemen van een atleet uit het groepje dat zo ver achter Bolt finishte. Niemand! Wel, zei hij, die hadden nochtans ook allemaal de 100 meter in minder dan 10 seconden gelopen! WARP gaat voor die groep, net onder de absolute top. Mooie, duidelijke metafoor. En ik kan me er in vinden. Niet Kentridge en niet Bolt, maar die vele anderen er net onder. Velen. Hoe je daar dan in selecteert? Ook dit had ik nog graag van hem gehoord. Helaas.

 

Terwijl ik hoopte dat we na het gesprek naar de tijdelijke ateliers zouden worden geleid en er ruimte zou zijn voor een babbel, liep het gedoe met een sisser af. Jammer. Waarom al die moeite? Eigenlijk een behoorlijk triestige bedoening de manier waarop het Brugs cultuurcentrum zaken rond actuele beeldende kunst organiseert. Ik weet dat het budget minimaal is en dat er in theater en dans zo veel meer geïnvesteerd wordt. Ook voor de laatste “In/out” (nationale wedstrijd voor jong talent) zouden de inzendingen van een erg matig niveau zijn geweest. Wel, het Brugse CC zou zich dan beter alleen op theater focussen.

Kijk, ook dat muurschilderinggedoe met Mieke Teirlinck en Marec is een mager beestje, om nog maar te zwijgen van het piepkleine pleintje achter het CC dat sinds kort elk jaar naar een Bruggeling wordt genoemd. Onnozel, dit laatste. Teirlinck had nog de moeite gedaan om op een verrassende manier een actueel thema (vluchtelingen) in de kijker te plaatsen (de respons erop van kunstenaars was wel quasi nihil), maar wat Marec op de muur neerzette is louter clichébevestigend: boogbruggetjes en zwanen. Jammer. We houden nochtans van zijn cartoons. Wat actuele beeldende kunst betreft is het bij het CC Brugge momenteel meer dan ooit huilen met de pet op. Naar verluidt gaan ze de exporuime De Bond” kwijtspelen en het Algemeen Nederlands – ik was getuige de laatste keren dat ik er voor een evenement kwam – wordt er schaamteloos verneukt. In die buurt frequenteer ik – als ik er al passeren moet – alleen nog dingen als “Fresh”, “Leeloo” en een koffiehuis.

 

JOHAN DEBRUYNE, november 2017

 

 

 

 

 

 

Black is the colour of true love

 

 

 

 

 

 

 

Ik heb voor het eerst in weken het huis verlaten. Gisteren passeerden, naar dagelijkse gewoonte, talloze mailberichten. Doorgaans waardeloos en tijdverlies. Bij een ervan vielen de woorden “Rekto Verso” op. Ik heb deze passant even uit de digitale prullenmand gehouden. Het ging dan ook over burn-outs, meer bepaald zowaar in de culturele sector. Over een soort overdrive in dat wereldje. In mijn coconnetje. Er zou sprake zijn van een diepe vermoeidheid. En ik weet dat het waar is. Want ik ken ze, de cultuurmandatarissen die serieus wankelend rechtop blijven.

 

GIOVANNI DANIELLE IEZARD WINNE. Voor zijn werk ben ik hier.

Ik vind het goed klinken, Giovanni, Danielle, Iezard Winne. Voorts twijfelde ik tussen: “Back in Town” en “Black in Town”.

 

Met relatief grote regelmaat ga ik naar kunst kijken. Doorgaans moet ik er nadien iets over schrijven. Het is even schrikken wanneer je vaststelt dat je dit al bijna 40 jaar doet. De ervaring heeft me geleerd dat het beste wat me in dit geval kan overkomen stiekem een galerie binnen stappen is.

Een absurde wens. Want uit gewoonte of noodzaak noteer je wel wat. Je pent cruciale woorden neer die je wat later zullen helpen bij het schrijven. Maar net wanneer ze jou zien schrijven, komen ze op je af en mag je de vrijheid die je jezelf naïef, maar van harte had gegund vergeten. Als compensatie krijg je dan in het beste geval wat informatie, die je anders wellicht zou ontberen en waar je ook wel wat mee aan kan, natuurlijk.

En toch gebeurt het nog behoorlijk frequent dat je gewoon geniet. Zonder stoorzenders. Wanneer je naar een museum gaat bijvoorbeeld. Of in het buitenland bent, waar geen kat die (h)ART-criticus kent. Als Bruggeling hou ik vooral van Gent. Ik haal er makkelijker adem dan in mijn geboortestad. En wat kunst betreft, daar gebeurt wél wat. Lang niet alleen in het museum dat Jan Hoet-zaliger uit de grond heeft gestampt, maar ook en vooral in dat andere, aan de overkant, waar de minzame conservatrice Cathy De Zegher knappe dingen voor mekaar brengt.

Een paar jaar geleden zag ik er de tentoonstelling met werk van Géricault. Théodore Géricault (1791-1824). De tentoonstelling heette “Fragmenten van Mededogen” en toonde mensen met een hoek af, op weg naar de waanzin. Ik hoefde niet te schrijven (althans niet in opdracht) en genoot met volle teugen. Ik verloor mezelf in het portret van een kleptomaan. Het monumentale Vlot van Medusa – centraal opgesteld – was niet aan mij besteed. Ik focuste op dat ene gezicht. Ik zie het vandaag nog voor me. Nooit verdwijnt die man nog uit mijn geheugen. En ik heb – in alle bescheidenheid – ondertussen nogal wat tentoonstellingen afgelopen. Ook dit jaar. Ik heb onder meer “Documenta XIV” in de benen en slenterde onlangs nog een week door Parijs, elke dag een nieuwe voer werken, maar dié Géricault blijft en bleef op mijn netvlies plakken. Voor de tentoonstelling “Portretten van Cézanne” nam ik de houten brug naar Musée d’Orsay. Een behoorlijk overbodige expositie, als je het mij vraagt. En opnieuw naar Venetië trekken om Fabres werk nu eens in glas en in het blauw of groen te zien? Nee, bedankt. Ik laat het deels gedwongen aan de Venetië-lovers, de happy few, de draaikonten, de dwepers, de idolaten, de vermogenden en de simpelen van geest. We moeten uitkijken voor die burn-out!

Het lijkt me nu tijd om naar Winne over te schakelen. Die heeft ook zo’n zwerfkop die je niet snel vergeet, al zeker eens die geschilderd is.

Ik zag al meerdere keren relatief ongestoord zijn donkere marines. Ik droomde weg in het algehele duister zonder dat er van mij woorden, laat staan zinnen werden verwacht. Ik zat onverstoord middenin zijn blauw, zijn bijna zwart. Misschien dat ik het net daarom allemaal beter heb kunnen vasthouden. Of hoort zijn donkerte bij mijn gemoed? Bij mijn latente nostalgie? Melancholie? Is zijn donker mijn basistonaliteit? Zijn doeken vatten mijn verleden, maar ook mijn hunker. Ik, vrolijke jongen, die telkens weer naar die vreselijke, brutale buitenwereld toe moet. Het beetje licht wijst me de weg.

Het komt me ook voor dat ik heel erg van een kunstwerk ga houden – dan ben ik op atelierbezoek – , terwijl de kunstenaar me duidelijk moet maken dat het werk nog lang niet af is. Artistieke liefde op het eerste gezicht, zowat. Ik hou niet altijd van “affe” werken. Soms zijn een paar toetsen treffender. Misschien net omdat je dan nog volop de mogelijkheid hebt om je eigen wereld het werk binnen te loodsen. Abstractie heeft dit wel eens voor op figuratie en kundigheid. Maar toch. Geef me maar zeeën, vergezichten en koppen, Winne. Geef me dieren, geef me alles en laat me dromen, wegzinken in verhalen. Je werk nodigt er toe uit. Het wonder van mensenhanden die met amper wat materie een wereld voor je doen opengaan. Ik kan er alleen maar van genieten en over praten.

 

Ze liggen niet voor het rapen de kunstwerken, de schilderijen en de beelden die niet af zijn en toch intrigeren. En omdat Zierikzee niet vlak bij de deur is, heb ik heel wat werken van Giovanni onafgewerkt gezien. Wat u hier ziet zal wél afgewerkt zijn. En dan nog: wanneer is een werk af? En wie bepaalt zoiets?

Giovanni Winne schildert marines, landschappen, bossen of fragmenten ervan, portretten, een zeldzaam dier… En wat collega Daan Rau ooit kort over hem schreef – ja, die Giovanni zegt wel erg weinig, hé? – is helemaal waar. Net zo waar als datgene waar we hier vandaag allemaal naar kijken eigenlijk zijn ziel is. We kijken naar innerlijke landschappen. Landschappen van de ziel. Zijn ziel. Winne heeft geen prentjes nodig, ook het mateloos veel water van Zeeland niet, misschien dat een grootheid als Corot hem meer diensten bewijst. En dat black the colour of true love is, zal voor hem wel grotendeels kloppen. Hij weet wat zwart is in de meest ruime betekenis van het woord en wie verliefd is, is vaak tegelijk bang om te verliezen en zoekt al eens het donker op. Voorts is er het zwart van die fantastische ogen van zijn vrouw Daniëlle.

Ik reed de tunnel door, de Zeelandbrug over en was toch even weg van het Vlaamse gekronkel. Het lintgedoe. Het heeft iets. Het brengt je ergens tot rust. En onderweg denk je: wat zou ik kunnen vragen?

Anderhalf uur later ben je er al en na geen tijd legt de mooiste hond met de mooiste naam ter wereld en gitzwarte ogen zijn donkere kop op je dij. Je kijkt om je heen en praat wat. We luisteren naar muziek. Het blijkt dat we – ook woordeloos – meer gemeen hebben dan je op het eerste gezicht zou denken. Het werk zit in mijn kop en ik observeer de kunstenaar, die met regelmaat wegkijkt. Over het oeuvre wordt amper gepraat. Het spreekt allemaal voor zich. Er valt een enkele vraag over de vele lagen op elkaar. De hem typerende transparantie. Hij wijst naar een flacon. Het paletmes zie ik niet, wel de borstels. En ik vermoed dat hij zijn handen gebruikt. Ik hoef zijn schildergeheimen niet te kennen. Ik heb zijn ziel afgetast. Ik hoor sindsdien muziek bij zijn werk en weet dat hij een perfectionist is. Weet hoe extreem gevoelig de man met het wat ruige uitzicht is. Ik zou zeggen: geniet van zijn werk!

 

Johan DEBRUYNE, criticus, Torhout, 30 september 2017

Kater

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

KATER

 

We waren net een dag weer thuis, in Brugge, terwijl we ons pas na een kleine week in Parijs opnieuw thuis waren gaan voelen. Je wordt ouder en het gaat wat traagzamer. Er was onder meer (voldoende) tijd voor de Place des Vosges en wijde omgeving, voor het Musée d’orsay, dat we – de hitte trotserend – via het grote plein, de Tuileries en de fraaie houten boogbrug bereikten, het toch wel positief verrassend Hockney-overzicht in Beaubourg, de Fondation Vuitton, het pareltje van architect Gehry aan de rand van het Bois de Boulogne, met werk van Kentridge, Pascale Marthine Tayou en hun Afrikaanse kompanen… Tot meer waren onze voeten, enkels, heupen, knieën en de rest van onze lijven helaas niet in staat. Inbegrepen enkele gesprekken, zoals dat met de kokette en sportieve Nederlandse dame die schoenen aan… Jan Mulder verkoopt.

Een dag weer thuis, dus. Opnieuw stonden, dit keer aan de overkant van de laan – waar plaats was- , verkeersborden waarop met krijt iets stond gekrabbeld dat amper te lezen viel. Ik was moe en dacht: ik neem geen risico en parkeer de auto aan onze kant van de laan. Wel zo’n honderdvijftig meter van ons huis vandaan. Er was amper een parkeerplekje te vinden.

Het gebeurt eerder zelden dat je bij ons op het trottoir iemand tegen het lijf loopt met wie je een praatje slaat. Doorgaans blijft de passage verbaal tot een ‘goeiendag’ beperkt. Ooit voerde ik een vergeefse enquête tegen het alles verpletterende verkeer in de laan, maar het gedoe haalde amper iets uit. Nu, jaren later, suggereert een vriend iets met zwarte vlaggen, maar die plastic dingen in die andere straat, als protest tegen de 423 voorbij denderende autobussen per dag, vind ik absoluut onesthetisch. De laan waar ik woon vind ik eigenlijk een strook met nogal wat lafbekken. Waar de betonplaten de plafonds niét naar beneden laten donderden geeft men niet thuis en de helft van de buurt komt er zijn vleeswaren en bereide maaltijden halen in een slagerij waar vrachtwagens komen bevoorraden die onnoemlijk veel meer dan de 5 toegelaten ton wegen.

Dus sta ik even met Evy en haar hond te praten. Zij doet haar verhaal, een verhuisstory, ik mijn reisverhaal. In het kort. Maar over Parijs geraken we beiden moeilijk uitgepraat. Tot afscheid roept ze me nog na: “Wat lopen wij hier eigenlijk nog te doen?” Tja, ook een beetje laf, zeker? Ik heb al zo vaak met de idee van verkassen gespeeld. Maar goed, als zelfs een Van Dis naar de modder van zijn jeugd terugkeert.

Ik moet in mijn geboortestad (Brugge) een paar boodschappen doen. Willen of niet, dit keer moét ik de stad in. In een kleine nieuwe frisse boetiek (Sint-Jakobsstraat) heb ik een paar T-shirts kunnen laten bedrukken zoals ik het wilde (met dank aan Thomas), in een van onze horloges moet een nieuwe batterij (hiervoor moet ik in de Steenstraat zijn), ik wil altijd wel eens naar boeken kijken en de stad was naar verluidt een muraal kunstwerk van “Strook” rijker. Strook, of Stefaan Decroock, veelzijdig Brugs kunstenaar en blijkbaar beter bekend in verre streken dan in eigen land en stad, is een zogenaamd straatkunstenaar. Aangezien ik een paar keer met hem contact heb gehad en ondertussen ook zijn atelier (een hangar buiten de stad) bezocht, weet ik dat hij zo veel meer is en kan dan van een “straatartiest” wordt verondersteld.

Hij maakt in hoofdzaak portretten van afvalhout dat in se afkomstig is van de omgeving van de locatie waar zijn kunstwerk uiteindelijk wordt aangebracht. Het zijn monumentale werken en zitten knap in elkaar. Een buste, een persoonlijkheid in amper een paar geometrische vlakken: il faut le faire! Dus nu ook in Brugge. Ik sta te kijken vanop de hoek van het Zand waar… werken aan de gang zijn. Ik neem een paar foto’s. Ik vind het niet meteen Stefaans meest intrigerende werk, maar ik ben fan van wat hij doet. Bovendien heeft het werk iets wat ik moeilijk kan duiden, maar het abrupteert enigszins het softe van Brugges koekendozenimago. Naar verluidt maakt het werk deel uit van een reeks werken die, met de komst van een nieuwe Triënnale voor Actuele Beeldende Kunst en Architectuur, de stad zullen verrijken/opsmukken.

Ik ga ook eens naar dat andere werk kijken. Ook monumentaal, geschilderd/gespoten op een hoge strook muur, maar compleet weggestoken eigenlijk. De muur bevindt zich op het Beursplein, daar waar voorheen de politie huisde. Het is een “brave” schildering die Maria van Bourgondië voorstelt. Het werk barst van de verwijzingen naar de geschiedenis van de stad Brugge. Wilde de kunstenaar dit zo of is hem dit opgelegd? Ik vind het in elk geval een kunstwerk dat het zoete, schone Brugge in al zijn clichés bevestigt. Daarentegen straalt het werk van Strook kracht uit. Iets duisters. Die verwering alleen al.

Straks zou Stan Slabbinck aan de beurt zijn. Behalve Strook gaat het hier om twee volwassen kerels, die zeer onderlegd zijn, en die ondergetekende – toen nog leraar – als jong jonge snaken in de Brugse Middenschool aan de slag liet gaan op de muren van de trappengangen. Ik geloof dat ze van mij het verhaal van de Kleine Prins hadden meegekregen ter inspiratie. Ik vind het werk dat ze daar uitvoerden nog altijd heel erg sterk. Wat zat de directeur van toen met een ei: graffiteurs aan het werk in zijn school!!! Nadien was de man terecht fier.

Het is maandag. Ik was met behoorlijke goeie moed vertrokken. De Rode Duivels hadden in Griekenland gewonnen en zich als eerste Europees land geplaatst voor de wereldbeker in Rusland. Voor mij geen Putin, maar met die Oen in Noord-Korea en maffe Trump zou je beginnen twijfelen. En… Sint-Petersburg is een heel mooie stad, vertelde mijn zus nog. En, ik zou het meest heuglijke nieuws nog vergeten: politica Zuhal Demir had laten weten en zien dat ze zwanger was!

Finaal slenter ik almaar misselijker wordend terug naar de parking onder het Zilverpand. Evy had gelijk: wat doe ik hier eigenlijk nog?

 

Johan DEBRUYNE, begin september 2017

 

De dingen

 

 

 

 

 

 

 

 

DE DINGEN

In zijn roman “In het buitengebied” zegt de protagonist uit het recentste werk van Adriaan Van Dis: “Ik woon met de dingen”. De zin valt in een dialoog en voelt aan als een soort verontschuldiging.

Je leest het relatief dunne boek in één ruk uit, dus ik las meteen verder, maar de cijfers van de pagina met deze zin bleven hangen: 130. Op die bladzijde loopt het boek trouwens al naar zijn einde: de som van korte verhalen, ervaringen, ontmoetingen en herinneringen waarin ik de hele tijd karaktertrekken van de auteur, die ik me levendig herinner van vroegere televisieoptredens, meende te herkennen. Een vreemd gevoel. De hoofdfiguur had, net als de auteur zelf, de grootstad definitief verlaten en was naar het platteland, zijn roots, teruggekeerd. Een beweging die me had verrast. Van het licht naar het donker. Blijkbaar had het stadsleven hem toch in overdreven mate vervreemd van de plek waar hij ooit was opgegroeid. Misschien was Van Dis te veel “buitenkant” geworden. Wat nog vreemder was is dat, terwijl ik las, ik de hele tijd zijn stem hoorde. Zacht. Alsof hij me dit boek voorlas. Ik hield altijd van zijn spreektaal en zijn stem, dus het ergerde niet. Dit deed zich ook wel vaker voor toen ik boeken van Paul De Wispelaere las. Nu had Van Dis de hele tijd over mijn schouder meegelezen. Ik had hem bij manier van spreken kunnen vragen wat nu echt was en wat verzonnen.

Leven met de dingen… Ik moest al eens denken dat ik als jongste van zeven een eigen kamer wilde, zeurde tot ik die kreeg en die dan zelf aankleedde. Aan de muren post-Expo ‘58-behangsel, afkomstig uit een winkel in mijn geboortestraat. Ik was er kind aan huis, bij Herman en Simonne. Mijn jongste zus ook. Ik zie de winkel nog voor me: de poort in de zijstraat van de Langestraat, de immense koer, het atelier, de hond… In mijn kamer belandde een antieke tafel waaraan ik zou studeren. Ik had ze gekregen van mevrouw Van de Voorde. “Madame” eigenlijk. Bij haar thuis werd in hoofdzaak Frans gesproken. Ook daar kwam ik met grote regelmaat. Een donkere woonkamer, één hoog, brandglas en een papagaai.

Als kleine jongen was ik zelden thuis en op heel wat plaatsen welkom. Die twee kanten, hé, Van Dis? De buiten- en de binnenkant. Noem het geen verdienste. Ik paste me moeiteloos aan. Van madame Dujardin, de vrouw van een behoorlijk hoge pief uit het leger, kreeg ik niets. Ik mocht er graag komen. Een stil, kraaknet rijhuis in de Rodestraat. Rue Rouge klinkt beter. Het was er zo veel stiller dan bij ons. Ik kon er even aan het lawaai ontsnappen.

Een goede halve eeuw later, gehuwd, geen kinderen, in een stijlvol, oud huis, hou ik de woonkamer overzichtelijk. Kunstwerken die ik doorgaans zelf heb gewild en gekozen. Maar mijn werkkamer puilt uit van de dingen en dingetjes. Van prullaria waarvan ik moeilijk afscheid kan nemen, omdat er een verhaal aan verbonden is. En toch weet ik: je neemt niets mee. Je gaat dood en laat alles achter.

Nu mijn werkkamer – na de waterschade waren schilderwerken aan de orde – helemaal is gerenoveerd, heb ik tal van pogingen ondernomen om het wat luchtiger te houden. Kartonnen dozen stonden klaar en raakten mondjesmaat gevuld. Met ongewone opvallende regelmaat, op mijn stoelgang kan je normaliter absoluut geen klok gelijk zetten, rende ik naar het toilet. Het selecteren (de vele verhalen die de dingen ressorteerden) gaf buikkrampen! Het is uiteindelijk behoorlijk afgelopen. Ik mis wel wat dingen, maar ruimte heeft ook iets.

Buiten, met niets dan groen als decor, kijk ik nog op een knalrode bever van een bekend kunstenaar. Links voor me, op het bureau, staat een beertje en rechts een gipsen marmotje onder een stolp: een souvenir van wat ik sinds 2002 een tiental jaar heb uitgespookt in een Brugse wijk. Voorts een overzichtelijk aantal kunstwerken. De pakken oude foto’s die naast me lagen om me te inspireren bij het schrijven zitten voorlopig in een kast. Voorts zijn uiteraard de boeken gebleven. Een kleine stapel bracht ik naar de Kringloop. Maar inderdaad, Van Dis, ook ik leef hier, op die zestien vierkante meter althans, met de dingen. Schijnbaar waardeloze dingen waarvan ik amper afscheid kan nemen. Het beertje kijkt me op dit moment in de ogen. Het is net alsof Maria kijkt. Maria is te jong gestorven. Ze gaf me het beertje.

Of het kleinood-in-de-maak hier nog bij komt, weet ik niet. Toen ik drie jaar geleden met mijn jongste zus, die meer kanker in zich droeg dan we allemaal dachten, voor een paar dagen naar London trok, leerde ze me iets kennen. Een paar jaar voor mijn moeder stierf had ik het woord “oedeem” geleerd; van mijn zus en andere kankerpatiënten het vreselijke “portacat”: een gat in de zone van het sleutelbeen waar ze om de zo veel tijd rotzooi in kunnen gieten die je hoort te genezen, terwijl het tuig zo veel andere dingen in je lijf vernietigd.

Het gaat om een kleine tube handgel. Je kunt het kopen – dat deed zij ook – bij Kruidvat, een winkel waar ik nooit een voet binnen zet. Ik verdraag dit soort lelijkheid niet. Wel, de tube die ik in Londen van haar kreeg, koester ik in een kastje in de badkamer. Op mijn vraag heeft steenkapper Pieter er al een stolpje voor gevonden. Het is nu wachten op een glazen vierkantje voor eronder en twee staafjes, zodat het aan de muur kan worden bevestigd. Ik heb wel wat foto’s van mijn zus, en een fraaie ronde marmeren steen (met wat as van haar in) waarin ik kaarsjes kan branden, maar dit ding incarneert mooie momenten met haar. In Londen duwde ze met regelmaat en ongevraagd, vlak voor we iets zouden eten bijvoorbeeld, een portie op mijn handen. Die moest ik dan goed uitsmeren en ook tussen de vingers gaan. Als jongste van zeven kreeg ik altijd les.

Leven met de dingen.

Johan Debruyne, eind augustus 2017

 

 

Mutsjes voor Sint-Paulus

 

Mutsjes voor Sint-Paulus

 

Wonend aan de rand van de stad heb ik de luxe van het kiezen tussen drie nabije warme bakkers. Wat ons (dagelijks) brood betreft, is onze keuze lang gemaakt. Verandering van smaak doet eten? Niet in dit specifieke geval. Spelt! Het zijn alleen de zondagvroegte en de traditie om dan pistolets en/of koffiekoeken te eten die enige twijfel in mijn nog onfrisse hoofd zaaien.

De dichtste (de meest traditionele ook), waar ik met mijn kraakbeenarme enkels zelfs te voet behoorlijk probleemloos geraak, laat ik de laatste tijd bij manier van spreken en tegelijk letterlijk links liggen. De wat norse man van de oven heef ervaring zat en is volgens het jargon een “broodbakker”. Patisserie en vergaande verfijning hoef je bij dit soort bakkers niet te zoeken. Ik ben wel hevig fan van zijn wat ouderwetse koffiekoeken. Ze refereren aan mijn jeugd als bakkerszoon. Thuis en toen was ik dit soort klassieke vast- en volheid gewoon, maar in de onlangs vernieuwde bakkerij (in zijn voormalige constellatie was de veel kleinere winkel puur erfgoed) kan ik voor mijn vrouw maar geen enkele koek met enig fruit vinden. Ze hebben nog wel een enkel exemplaar dat ze lust, maar het is een kanjer die wel eens op haar maag wil blijven liggen en om daarvoor zo vroeg gewassen en gekleed het huis te verlaten… Het plezier dat ik er haar mee doe is te gering.

Enkele staten verder, steeds op dezelfde parochie, vind ik de klassieke koffiekoeken (al dan niet met rozijnen) minder lekker, wat klein ook, maar tref er aan met appels en krieken. De jonge bakker focust er vooral op patisserie (heerlijk), zodat zelfs tegen halfacht de beperkte fruitige koekenaanvoer al aan de man of vrouw is gebracht.

Het valt me niet langer op, maar meestal sta ik er in de rij met in hoofdzaak mannelijke soortgenoten. In alle bakkerijen, trouwens. Het bijzondere aan deze bakkerij is wel dat je er verse pistolets kan kopen en je als beleg tegelijk van een bol kaas enige verse plakken kan laten snijden. Behoorlijk uniek in onze kontreien. Een traditie van de bakker die voordien jaren de zaak runde die gerespecteerd is gebleven.

Voor de lange rijen zou je ze alle twee mijden, maar warme bakkers zijn tegenwoordig dun gezaaid. Wellicht nog dunner dan politici die louter aan het welzijn van de burger denken.

Dus kruip ik de laatste tijd op zondagochtend, de klok van zeven amper voorbij, de auto in, het kanaal over, naar een grote, aantrekkelijke bakkerij met een aanbod dat je tureluurs maakt. Bestelwagens rijden er af en aan, want de moederzaak telt nogal wat filialen. Telkens er zo’n zaak bijkwam, moest ik aan mijn tante Rachel denken. Ik heb het nu over de jaren zeventig van de vorige eeuw. Twee huizen bij haar vandaan was er een slagerij. De al wat oudere man verkocht onder andere rauwe ham – droog en zout -, dat vond je nergens! Tot zowat iedereen dit in de gaten kreeg en de hespen de tijd niet meer kregen om te drogen. ’s Mans winst moet even hebben gepiekt, maar het succes was – net als de ham – geen lang leven meer beschoren.

Daar, over de brug, bij een modernistisch kerkje dat zijn toren opzij heeft en dat onlangs al in de steigers moest, zijn de rijen zowaar nog langer. Gelukkig staat een batterij jonge dames en rijpere vrouwen er voor je klaar, zodat het behoorlijk schuift. Je vindt er werkelijk àlles, niet alleen wat gebak, brood en patisserie betreft, maar de soorten pistolets (!) en koffiekoeken zijn legio. In de auto, op weg naar, smoor ik de radio om me te kunnen concentreren op mogelijke combinaties. Ik oefen dan tegelijk de soms koddige namen van het lekkers dat ik straks in de mand op de ontbijttafel ga deponeren.

Een paar zondagen geleden leek het of er wat elektriciteit in de bakkerijlucht hing. Er was ogenschijnlijk niets (ergs) gebeurd, maar toch voelde het wachten, zoeken en observeren anders aan. En toch. Het ging om iets minimaals en tegelijk indringends, zou achteraf blijken. De doorgaans uitermate vlotte en gastvrije equipe liep zowaar wat geagiteerd bij, vond ik. Ze waren met zijn allen duidelijk wat van hun melk. Na een paar minuten had ik het in de gaten: allemaal hadden ze dit keer een blauw mutsje op. Stiekem – af en toe ook ongegeneerd – werden opmerkingen gemaakt en flauwe grappen waren niet van de lucht.

Terug in de auto, dacht ik: om hygiënische redenen kan het niet zijn, want de kokette mutsjes bedekken alleen de kruin en het achterhoofd. Integendeel zelfs. Het lijken me attributen die je beter dagelijks in de wasmachine stopt. Zoals de dames zich daar de voeten van onder het lijf lopen! Voorts had ik met hen te doen. Hun kapsel moest na een urenlange shift toch redelijk naar de vaantjes zijn. Na verloop van tijd en nog wat grappen en complimenten, al dan niet gemeend deze laatste, bleek de ergernis veroorzaakt door de verplichting om zo’n ding te dragen. En als klap op de vuurpijl bleek het dan nog een man die het dragen ervan had bevolen!!! Maar wellicht nergens meer letterlijk dan in deze context: wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Ook mannen kunnen kletsen. En al zeker op zondagochtend bij de bakker…

Vorige zondag keek ik van op afstand – ik had de auto geparkeerd – en zag van in de verte de kleine blauwe dingen. Tiens, dacht ik, dan zou de luifel boven de riante zaak dezelfde kleur moeten hebben. Nu is die vaalbruin.

Ach, mij kan dat mutsje eigenlijk niet schelen als ze mij maar niet tot het dragen van iets verplichten én als de kwaliteit van de koopwaar maar behouden blijft. Over de prijs had ik het er onlangs – we hadden de zaak net verlaten – met een ouder iemand die vroeger met regelmaat bij ons in de winkel was geweest. Een verre buur. “Twintig euro,” zei hij, “voor deze zak hier,” indertijd had ik daar bij jullie wellicht een volle triporteur voor!”

We staan er niet bij stil hoe duur dit soort elementaire zaken zijn geworden. En basic kan je het nauwelijks nog noemen. Je geraakt aan het aanbod nog nauwelijks wijs uit.

En dat mutsje? Het went, zoals alles. De gezichten van de Sint-Paulushostessen hebben opnieuw hun gewone kleur, de commotie lijkt verdwenen. Nu nog die blauwe luifel, meneer.

Johan DEBRUYNE, augustus 2017

 

 

“Thelma en Louise”

 

 

 

 

 

 

“Thelma en Louise”

 

Lang geleden zat ik aan een lange tafel. Een communiefeest bij verre buren. Het was druk in het kleine huis. Omdat voor haar toen al twee mensen als een groep aanvoelden, was L. wijselijk thuis gebleven. In het overvol interieur zag ik toch meteen een kleine vogelkooi. Er was ook een cavia-biotoopje. Ik dacht meteen: zo’n gedruis is nefast voor beestjes. Ik dacht aan onze poezen. Hoe die al de vlucht nemen voor een enkele stille gast. Ik kreeg een glas aangeboden en koutte met onbekenden.

Er was een druilerige ochtend aan vooraf gegaan, maar plots klaarde de hemel op en verkaste de luidruchtige meute naar een groot terras, palend aan een verrassend diepe tuin. In het gras werd gevoetbald (een kleine houten doelmond maakte dit duidelijk en naarmate de middag vorderde zouden almaar zatter wordende grote mensen in de buurt van een houten rechthoek hun voetbal(on)kunde demonstreren). Je kon er ook basketbal spelen (een korf, bevestigd aan de achtergevel van de buren liet hier geen twijfel over). Een oude, obese buldog lag te midden gehavende tennisrackets naar adem te happen. De paaskuikens waren kippen geworden. Ze liepen vrijelijk, maar behoorlijk doelloos en onrustig rond. Her en der lagen ballen.

Omdat ik na amper twee glazen alcohol de leukste van de meute ben en heel wat rotzooi vergeet, en na een derde compleet loss, hield ik het bij “verblijd” en zat ik behoorlijk scherp te observeren. Ik keek hoe mensen met elkaar, met de dieren en met de dingen omgingen. Als dierenvriend was ik op dat soort reünies al altijd alert, al was het maar om de aanwezige dieren – die de meeste mensen nog altijd als inwisselbaar speelgoed aanzien – voor mogelijk onheil te vrijwaren.

Op zeker ogenblik is de zich stierlijk vervelende, gevierde kornuit nog in z’n eentje een balletje aan het trappen. Wat moet een kind immers met al die grote, half en geheel zatte mensen? Ik speel even met hem mee, maar gooi me na een klein kwartier uitgeput op mijn stoel. De verveling bij de jongen culmineert. Terwijl mijn tafelgenoten verder lallen, volg ik zijn doen en laten. Nog twijfelend of hij enig voetbaltalent heeft. Het dringt snel het tot me door dat hij de bal met regelmaat richting kippen trapt. Zij zijn een mikpunt. Hij wil ze raken. En dus pijn doen. Ik moet denken aan Wislawa en haar fameuze “Bijdrage tot de Statistieken”. Ikzelf, een watje, zou – op die leeftijd en onder die omstandigheden – naar de winkelhaak hebben gemikt, of naar de lat, of mijn verveling op trillende netten hebben uitgewerkt. Helaas, de kippen moesten het vergelden. Meteen na het dessert bedacht ik een uitvlucht en verliet het feest, te laf om een opmerking te maken.

Sindsdien zijn feesten minder nog dan ooit aan mij besteed. Ik moest er onlangs opnieuw aan denken. Tijdens een van de tentoonstellingen die ik dit jaar bezocht: “The Beauty of the Beast”.

Ik was er als de… kippen bij. Al op de vernissage, dus. Ik zag levende varkens (de resultaten van een kweekprogramma van kunstenaar Koen Vanmechelen), schapen-met-stamboom en de gasten werden verwelkomd door een immense wolf en een impressionante uil. De eerste maande tot voorzichtigheid aan; de tweede nodigde je uit om je een wijle in zijn schoot te nestelen. Voor deze laatste twee kunstwerken tekenden Stief Desmet en Johan Creten. Een en ander speelde en speelt zich af op en rond het Kasteel d’Ursel (Hingene). Achter het kasteel zet de ingetogen (het gebouw heeft iets huiselijks) rust zich voort in het rimpelloos oppervlak van een vierkante vijver, waarachter twee reuzenhonden van Sweetlove de wacht houden. Roze en rood. Een verrassend duet. Hoe enig mooi lelijk kan zijn.

Wat er van tientallen kunstenaars geëxposeerd wordt is van hoog niveau. De tentoonstelling loopt in samenwerking met het voor vele jaren in stellages gekooide KMSK Antwerpen, waardoor ook van oudere werken met dieren als protagonisten kan worden genoten. De vindingrijkheid, de verscheidenheid en de enscenering zijn verbluffend. Mijn liefde voor dieren wordt ruimschots gevoed. Een roedel honden vind ik te eng behuisd. Voorts niets op aan te merken.

Wanneer we aan het slot van een lange avond met ijsjes worden verwend terwijl we bij de vijver staan te praten, vraagt iemand wat me het meest heeft getroffen. Ik had ontzettend veel knap werk gezien, maar bij een enkel moest ik bijna letterlijk naar adem happen: een foto (op dibond) van Henk van Rensbergen. Een monumentaal ding. Een verlaten huis, oud behang met een diepe scheur, twee openstaande bruine deurtjes en voorts onpeilbare stilte. Twee kippen zoeken er zich een weg. Vriendinnen, zo zou later blijken, luisterend naar de namen Thelma en Louise. Een verwijzing ook naar een bekroonde misdaadfilm uit 1991, “een feministische roadmovie”, zou ik – thuisgekomen – lezen.

Ik kwam de kamer binnen waar die foto hing en meteen had ik het gevoel dat er iets ingrijpends was gebeurd. Dat de mens compleet verdwenen was (wat me, vreemd genoeg misschien, enigszins opluchtte) en dat de twee kippen er het beste probeerden van te maken. Ogenschijnlijk rustig, gedecideerd, nieuwsgierig. Op overlevingstocht. Sublieme foto. Ik bleef lang kijken. De stilte was oorverdovend.

Het toeval wil dat twee maand later van de hand van dezelfde kunstenaar, in hoofdzaak bekend als “urban photographer”, een monografie (Lannoo) verschijnt: “No Man’s land”. Het voorwoord is van de hand van de wereldvermaarde zoöloog Desmond Morris en voor de epiloog kroop auteur Peter Verhelst in de huid van de laatste nog levende homo sapiens.

Ik heb Morris’ tekst twee keer gelezen. Dat er ten tijde van Christus 255 miljoen mensen op aarde leefden, tijdens Morris’ jeugd al zo’n goeie twee miljard en vandaag, ondanks ontelbare oorlogen, epidemieën en andere wantoestanden, maar liefst 7,5 miljard. De aarde kan dit niet aan en Morris legt uit waarom. Koop het boek, geniet en huiver. Van de schoonheid van de natuur, die opnieuw ongeremd zijn plaats inneemt, en leer wat voor dieren de ramp zullen overleven. Flora en fauna zullen er wel bij varen. Ik denk aan de klimop in mijn eigen tuin: nauwelijks in te tomen.

Van Rensbergen moet hebben gedacht: als ik nu eens alleen de dieren een plaats geef in mijn compleet verloederde en verlaten locaties. Pas dan begon de tweede fase van het monnikenwerk: het inpassen van de dieren. Meesterlijk digitaal werk. Een boek vol verrassingen en vaak spectaculair, terwijl ik eigenlijk nog het meeste hou van de kleinere dieren die hij, zoals alle andere, schitterend heeft neergezet in zijn unieke biotopen. En laat “Thelma & Louise” mijn lievelingsfoto zijn. Twee vriendinnen, dat zie je zo.

Zeg, dierenvriend, zegt mijn Binnenstem (heb net Van Dis’ nieuwste gelezen): je zo dierbare honden en katten, hoe gaan die het redden? De hond wordt kattiger (wolf, dus weer) en de katten groter. En ook voor minder aaibare beesten wordt het een reuzentijd: ratten, muizen, vleermuizen…

Johan DEBRUYNE, 22 juli 2017

 

Dag op dag…

       

 

 

 

 

 

 

 

 

Dag op dag is het vandaag

veertig jaar geleden dat

je ging zonnen aan de rand

van de Lago Maggiore. Ik

zie nog je hakken, je tred,

je silhouet, je lange blonde

haar. Die zomer werd wijn

gedronken uit boccalino’s. We

rookten lange sigaretten en

grote kinderen maakten

Lugano onveilig. Sindsdien

is veel gebeurd, maar de

zekerheid van het liefhebben

bleef. Onwrikbaar. Het begrijpen.

Jij en ik. Jij mij. Ik jou.

Het houden van. Jij van mij.

Ik van jou. Onnoembaar moois

ertussen. En hoe lang al

hou jij de cijfers in het gareel

en doe ik wat met woorden?

Alleen, origineel doen wordt

wat moeilijker, als jij soms raadt

wat ik daarna zeggen zou.

J.D., 21 juli 2017