Mutsjes voor Sint-Paulus

 

Mutsjes voor Sint-Paulus

 

Wonend aan de rand van de stad heb ik de luxe van het kiezen tussen drie nabije warme bakkers. Wat ons (dagelijks) brood betreft, is onze keuze lang gemaakt. Verandering van smaak doet eten? Niet in dit specifieke geval. Spelt! Het zijn alleen de zondagvroegte en de traditie om dan pistolets en/of koffiekoeken te eten die enige twijfel in mijn nog onfrisse hoofd zaaien.

De dichtste (de meest traditionele ook), waar ik met mijn kraakbeenarme enkels zelfs te voet behoorlijk probleemloos geraak, laat ik de laatste tijd bij manier van spreken en tegelijk letterlijk links liggen. De wat norse man van de oven heef ervaring zat en is volgens het jargon een “broodbakker”. Patisserie en vergaande verfijning hoef je bij dit soort bakkers niet te zoeken. Ik ben wel hevig fan van zijn wat ouderwetse koffiekoeken. Ze refereren aan mijn jeugd als bakkerszoon. Thuis en toen was ik dit soort klassieke vast- en volheid gewoon, maar in de onlangs vernieuwde bakkerij (in zijn voormalige constellatie was de veel kleinere winkel puur erfgoed) kan ik voor mijn vrouw maar geen enkele koek met enig fruit vinden. Ze hebben nog wel een enkel exemplaar dat ze lust, maar het is een kanjer die wel eens op haar maag wil blijven liggen en om daarvoor zo vroeg gewassen en gekleed het huis te verlaten… Het plezier dat ik er haar mee doe is te gering.

Enkele staten verder, steeds op dezelfde parochie, vind ik de klassieke koffiekoeken (al dan niet met rozijnen) minder lekker, wat klein ook, maar tref er aan met appels en krieken. De jonge bakker focust er vooral op patisserie (heerlijk), zodat zelfs tegen halfacht de beperkte fruitige koekenaanvoer al aan de man of vrouw is gebracht.

Het valt me niet langer op, maar meestal sta ik er in de rij met in hoofdzaak mannelijke soortgenoten. In alle bakkerijen, trouwens. Het bijzondere aan deze bakkerij is wel dat je er verse pistolets kan kopen en je als beleg tegelijk van een bol kaas enige verse plakken kan laten snijden. Behoorlijk uniek in onze kontreien. Een traditie van de bakker die voordien jaren de zaak runde die gerespecteerd is gebleven.

Voor de lange rijen zou je ze alle twee mijden, maar warme bakkers zijn tegenwoordig dun gezaaid. Wellicht nog dunner dan politici die louter aan het welzijn van de burger denken.

Dus kruip ik de laatste tijd op zondagochtend, de klok van zeven amper voorbij, de auto in, het kanaal over, naar een grote, aantrekkelijke bakkerij met een aanbod dat je tureluurs maakt. Bestelwagens rijden er af en aan, want de moederzaak telt nogal wat filialen. Telkens er zo’n zaak bijkwam, moest ik aan mijn tante Rachel denken. Ik heb het nu over de jaren zeventig van de vorige eeuw. Twee huizen bij haar vandaan was er een slagerij. De al wat oudere man verkocht onder andere rauwe ham – droog en zout -, dat vond je nergens! Tot zowat iedereen dit in de gaten kreeg en de hespen de tijd niet meer kregen om te drogen. ’s Mans winst moet even hebben gepiekt, maar het succes was – net als de ham – geen lang leven meer beschoren.

Daar, over de brug, bij een modernistisch kerkje dat zijn toren opzij heeft en dat onlangs al in de steigers moest, zijn de rijen zowaar nog langer. Gelukkig staat een batterij jonge dames en rijpere vrouwen er voor je klaar, zodat het behoorlijk schuift. Je vindt er werkelijk àlles, niet alleen wat gebak, brood en patisserie betreft, maar de soorten pistolets (!) en koffiekoeken zijn legio. In de auto, op weg naar, smoor ik de radio om me te kunnen concentreren op mogelijke combinaties. Ik oefen dan tegelijk de soms koddige namen van het lekkers dat ik straks in de mand op de ontbijttafel ga deponeren.

Een paar zondagen geleden leek het of er wat elektriciteit in de bakkerijlucht hing. Er was ogenschijnlijk niets (ergs) gebeurd, maar toch voelde het wachten, zoeken en observeren anders aan. En toch. Het ging om iets minimaals en tegelijk indringends, zou achteraf blijken. De doorgaans uitermate vlotte en gastvrije equipe liep zowaar wat geagiteerd bij, vond ik. Ze waren met zijn allen duidelijk wat van hun melk. Na een paar minuten had ik het in de gaten: allemaal hadden ze dit keer een blauw mutsje op. Stiekem – af en toe ook ongegeneerd – werden opmerkingen gemaakt en flauwe grappen waren niet van de lucht.

Terug in de auto, dacht ik: om hygiënische redenen kan het niet zijn, want de kokette mutsjes bedekken alleen de kruin en het achterhoofd. Integendeel zelfs. Het lijken me attributen die je beter dagelijks in de wasmachine stopt. Zoals de dames zich daar de voeten van onder het lijf lopen! Voorts had ik met hen te doen. Hun kapsel moest na een urenlange shift toch redelijk naar de vaantjes zijn. Na verloop van tijd en nog wat grappen en complimenten, al dan niet gemeend deze laatste, bleek de ergernis veroorzaakt door de verplichting om zo’n ding te dragen. En als klap op de vuurpijl bleek het dan nog een man die het dragen ervan had bevolen!!! Maar wellicht nergens meer letterlijk dan in deze context: wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Ook mannen kunnen kletsen. En al zeker op zondagochtend bij de bakker…

Vorige zondag keek ik van op afstand – ik had de auto geparkeerd – en zag van in de verte de kleine blauwe dingen. Tiens, dacht ik, dan zou de luifel boven de riante zaak dezelfde kleur moeten hebben. Nu is die vaalbruin.

Ach, mij kan dat mutsje eigenlijk niet schelen als ze mij maar niet tot het dragen van iets verplichten én als de kwaliteit van de koopwaar maar behouden blijft. Over de prijs had ik het er onlangs – we hadden de zaak net verlaten – met een ouder iemand die vroeger met regelmaat bij ons in de winkel was geweest. Een verre buur. “Twintig euro,” zei hij, “voor deze zak hier,” indertijd had ik daar bij jullie wellicht een volle triporteur voor!”

We staan er niet bij stil hoe duur dit soort elementaire zaken zijn geworden. En basic kan je het nauwelijks nog noemen. Je geraakt aan het aanbod nog nauwelijks wijs uit.

En dat mutsje? Het went, zoals alles. De gezichten van de Sint-Paulushostessen hebben opnieuw hun gewone kleur, de commotie lijkt verdwenen. Nu nog die blauwe luifel, meneer.

Johan DEBRUYNE, augustus 2017