Het nieuwe omgaan met de dood

 

 

 

 

 

 

Het nieuwe omgaan met de dood

 

Dat er aardig in gemaaid wordt tegenwoordig, schrijft

een oud-klasgenoot. Ook nu weer werden machines afgekoppeld.

Een hart viel stil. Warm werd koud. Geel werd wit. Lijf werd lijk.

De galeriehouder naar wie ik ooit opkeek was bij de tachtig.

Zestig of net wat meer daarentegen lijkt wat vroeg. In deze tijden.

Onlangs nog fietste een zestiger heen. En danseuse. In de Franse Alpen.

Voorts een zus, een even oude zielsgenoot en de vader van een

jonge vriend. Ook hun hart klopte niet langer.

Veel droefenis in korte tijd. En jij, jij wacht in het antichambre

van het crematorium. Je zit, want je hebt slechte voeten.

Vroeger rouwde je in een kerk. Daar kon je gaan zitten zonder

gêne. Een service die je met stoelgeld betaalde. Er waren

een kist, grote kaarsen en bloemen. Die zijn er nog.

Maar o zo nadrukkelijk vandaag is de aanwezigheid van

grote schermen. Bewegende beelden geven je de illusie dat

de overledene niet echt dood is.

Net als de al dan niet inspirerende muziek verdoezelen de plaatjes

de taal, die doorgaans geweld wordt aangedaan. Het bemoedigt

mij dat haar aandeel terecht is gedecimeerd. Je kijkt naar beelden

of je kijkt heel even weg om te slikken en te zien hoe anderen

meer geïnteresseerd lijken in wie wél nog leeft en hoe die zich

tot elkaar verhouden.

De ceremonie is veranderd, maar de leegte blijft.

Na de kussen, de knuffels en de babbels gaat het leven snel weer

zijn gang. Rouwen… Kunnen we dat nog?

 

Johan DEBRUYNE, juli 2016

 

Kunstwerk & copyright Karolien Soete

 

Watouweg?

Watouweg?

Weer ben ik op weg naar Watou. Ik vind het blindelings, het dorp nabij de Franse grens. In rijd alleen. Dit keer vrouw noch vriend(en) in de auto. Zoals tijdens de voorbije zesendertig (!) zomers sleep ik me straks opnieuw voort (ik heb de onuitwisbare indruk dat het altijd warm tot heet is wanneer ik er het Kunstenfestival bezoek) van zolders naar kelders, van een verlaten hoeve naar een vervallen woninkje of een in onbruik geraakte basisschool… Overal geurt het naar vochtige warmte. Tussen onbewoonde en des winters nimmer verwarmde muren nestelt zich gauw een kleffe geur. Nooit eerder aan gedacht: het “Kunstenfestival Watou” heeft zowaar zijn eigen geur.

Die hoort bij de festivallocaties, net als het zicht op de Mont Noir (en de gedachte aan Marguérite Yourcenar), de gammele trapjes, de verweerde muren en de nadrukkelijk aanwezige leegte tussen verre bomen en golvend groen. En ergens, net buiten de bewoonde kern: de as van een te jong gestorven dichter.

Op deze prille julidag kijk ik vooral uit naar een weerzien met aparte wezens. We gaan blikken ruilen in een volstrekte stilte. Het zijn de geesteskinderen van de Spanjaard Juan Munoz en van de Gentse kunstenares Maen Florin. Omdat Florins wezens op deze editie zo nadrukkelijk aanwezig zijn en zich naadloos inpassen in het thema “mededogen” van deze editie heb ik in <H>ART-magazine behoorlijk ongebreideld de lof gezongen. Niet het vele is goed, maar het goede is veel. Er zijn voldoende argumenten om nog eens een persconferentie bij te wonen, hoewel ik dit soort “officiële” aangelegenheden het liefst aan me voorbij laat gaan.

In de parochiezaal luister ik naar de zware, vermoeide en moedeloos klinkende stem van intendant Jan Moeyaert. Hij houdt een microfoon in de hand. Op de tafel voor hem staat een ongebruikte blauwe gieter. Klein formaat. Mooi ding. “Fier als een gieter” of “afgaan als een gieter”. Het kan met “Watou” beide kanten uit, alludeert hij op het object voor hem, maar ik vermoed dat hij op dit moment al meer weet. Een selectiecommissie is vastbesloten het festival in Watou te begraven. De moedeloosheid in zijn doorrookte stem neemt almaar toe. Hij spreekt lijzig. Ook zijn stem hoort bij “Watou”. Ze past bij de verslagenheid die zich ook van vele aanwezigen meester heeft gemaakt. Pas wanneer iets dreigt te verdwijnen beseffen we de waarde ervan.

Onderweg spookte nog van alles door mijn hoofd. Is dit mijn laatste rit op automatische piloot naar deze plek? Gaat dit unieke festival van beeldende kunst en poëzie nu werkelijk verdwijnen? Moet ik Moeyaert waarschuwen voor het avontuur dat hem straks in Damme wacht? Ik denk ook aan de jaren dat Jan Hoet voor het beeldende aanbod zorgde en aan de avond dat hij probleemloos met mijn vrouw op de foto ging. Aan een tafel, te groot voor een kamer, een gigantisch in elkaar gestuikt kruis, een paardenmolen die nooit meer zou draaien…

Na de woorden van Moeyaert eet ik een enkel exquise bordje “Hommelhof” en begin meteen aan mijn zoektocht naar schoonheid en zin in deze uithoek van West-Vlaanderen. Ik sta versteend te midden een invasie reuzenmieren: “Casa Tomada” van de Columbiaan Rafael Gomezbarros. Bij nader toezien bestaan de mieren uit twee mensenschedels, hun poten zijn takken en om hun lijf zit stof gewrongen van kapot gescheurde kleren. In het Festivalhuis kijk ik verrast hoe Florin haar introverte wezens heeft opgesteld, hoe ze zich samen wapenen tegen de toekomstige blikken van duizenden bezoekers en hoe een kleine meid de handen voor de ogen slaat. Ik aai de bolle kopjes van de Munoz-wezens.  Ze wiebelen op hun eigen kleine wereldbol. Ik lees Hertmans en schrik wanneer de Nederlandse kunstenaar Villevoye me in een gangetje confronteert met de jonge, haveloze Adolf Hitler. Ik zie een geschilderde, beklijvende Frankenstein én een imposant schilderij : “(KOCMOC) – we have never been modern”- van Luk Berghe. De kunstenaar is in de buurt. We maken kennis en op zijn aanraden zet ik een koptelefoon op, kijk ondertussen naar een Zeppelin boven moerassig oorlogsgebied, lees een flard tekst en luister naar marsmuziek. Wat haat ik dit soort gezang, maar nu geeft het me bijna een euforisch gevoel. Ik voel me wat schuldig. Is dit dan toch zingen om de angst te overwinnen? Iets zoals fluiten in het donker?

Ik lees de vergankelijkheid in een beschimmelde… broden kop. Giuseppe Licari. Lees teksten op spiegels. Over “ismen” en over hoe anderen wel zullen nadenken. Gedichten van de jarige Patti Smith. En duidelijker dan Eckart Hahn (“One World”) kan je het niet maken: de hele wereld staat in brand. Triest en enig mooi tegelijk.

Vloeken in de kerk mag niet, maar Samson Kambalu laat er me voetballen. Van op een miniveld trap ik ballen naar een heilig verklaarde doelman. Hij pareert moeiteloos. Op de ballen kleven uitgescheurde Bijbelbladen. Buiten, aan de muur van de dorpskerk, hangt een apothekerskruis. “Cross Reference”. Een doordenker van Peter de Meyer.

Deze “Watou” is straf! Ik krijg er niet genoeg van. Net zoals van de laatste Documenta. Niet omdat de kunst me vrolijk maakt – integendeel -, maar omdat ze zo vaak op een verrassende wijze de rotzooi in de wereld in beeld brengt.

Laten ze Watou straks helemaal inslapen? Op het marktplein laat ik me in het Wethuys verleiden door een bord zoetigheid met koffie. Op het kasticket staat € 13. Dit kan geen toeval zijn. In twee bekertjes naast gettoblasters laat ik een muntstuk vallen. Piketty. Waarom is dit zo anders dan iets voor de voeten van een bedelaar droppen?

Traditiegetrouw lees ik thuis pas de catalogus. Over “De kracht van Mededogen”. Poëzietijd. Geen medebezoeker die me afleiden kan. Er zitten parels tussen. Blij ben ik met dat ene woord van wijlen Jan (van der Hoeven): “AmerIKa”. Voorts al die “ik”-jes her en der.  Het betere werk van kleppers als Hertmans en Verhelst. Maar toch is het weer Wislawa Szymborska die met haar gedicht “Een bijdrage tot de statistiek” alles perfect weet samen te vatten. Daarom dat ik het hierna helemaal overneem. Bijna 90 jaar was Wislawa toen ze in 2012 stierf. Ze had heel veel gezien en met regelmaat een vlijmscherpe poëtische synthese afgeleverd. Er is niets veranderd, schreef ze ooit. Enfin, nauwelijks iets. Alleen de schone schijn is toegenomen, de leugen opgeblazen en “Watou” kwijnt weg in een diepe slaap.

EEN BIJDRAGE TOT DE STATISTIEK

Op elke honderd mensen

 

zijn er tweeënvijftig

die alles beter weten,

 

onzeker van elke stap -

bijna de hele rest,

 

bereid om te helpen,

als het niet te lang duurt

-         wel negenenveertig,

de goedheid zelve,

omdat ze niet anders kunnen

-         vier, nou, misschien vijf,

in staat tot bewondering zonder afgunst

-         achttien,

leven er in voortdurende angst,

voor iemand of iets

-         zevenenzeventig

hebben er talent om gelukkig te zijn

-         ruim twintig, hoogstens,

 

zijn als individu ongevaarlijk,

maar slaan los in de massa

-         in elk geval meer dan de helft

 

zijn wreed,

als de omstandigheden hen, dwingen,

-         hoeveel kun je beter niet weten,

ook niet bij benadering,

 

verstandig als het te laat is

-         niet veel meer

dan voor het te laat is,

 

willen er van het leven alleen dingen

-         veertig,

hoewel ik me hier liever vergis,

 

duiken, een en al pijn, in elkaar,

zonder lantaarn in het donker,

-         drieëntachtig,

vroeg of laat,

 

verdienen er medelijden

-         negenennegentig,

zijn sterfelijk

 

-         honderd op de honderd.

Een getal dat vooralsnog niet verandert.

Wislawa Szymborska

JOHAN DEBRUYNE, begin juli 2016

 

-

“Glasses”: banale brillen, maar nu geschilderd!

 

“Glasses”: banale brillen, maar nu geschilderd!

Meteen na mijn Plechtige Communie al, dan ben je zo’n dertien, was ik aan een bril toe. Zo’n halve eeuw later weet ik nog precies waar ik – samen met mijn moeder – het montuur ging halen. De naam van de zaak is me ontgaan. Ik mocht er dan wel een beetje kiezen, maar weet nog verdomd goed dat ik vond dat er amper keuze was. Dit laatste zou gelukkig snel veranderen. Op dat moment was een andere jonge Bruggeling, Patrick Hoet om hem bij naam te noemen, op zijn kamertje al volop bezig met het tekenen van… brillen en net zoals in andere sectoren stond ook in deze de tijd niet stil. Ik ben ijdel en was het toen nog meer. Ik had snel door dat je van een mankement je sterkte kon maken. Ik had geen oor naar gezag of gezeur en zou relatief snel kiezen voor een bril die me een zekere allure gaf. Bij het kiezen van een zogenaamd “gedurfd” montuur, waarmee je dan continu rondliep in een bijzonder bekrompen provinciestad, staken populaire figuren als een Michel Pollnareff, om er maar een te noemen, je meer dan een hart onder de riem.

Vervolgens kwam er ook snel de kunstmicrobe. Deze zou leiden naar een kleine, aparte wereld, waar men niet staarde naar een – toegegeven – bizar ding op je neus, waarin ik nu toch al zo’n 40 jaar meedraai. Dat het vandaag en de komende weken of maanden (de advertentie is hieromtrent niet erg duidelijk) in het MAS, het Museum Aan de Stroom op het Antwerps Eilandje om “Glasses” draait, kon me dus moeilijk ontgaan zijn. Om de vijfde verjaardag van die verrassende architectuur op dat heerlijke plekje te vieren toont men er schilderijen van Luc Tuymans, maar dan wel alleen schilderijen waarop de meester brildragers heeft afgebeeld!

Mijn al vroeg verzwakte zicht (ik ben bijziend) is ooit vastgesteld door een dokter van het PMS (het Psycho-Medisch-Sociaal centrum, vandaag CLB). Met jaarlijkse regelmaat moest je daar met de hele klas naar toe voor fysieke en andere proeven en metingen. Veel weet ik er niet meer van (ik zie nog een plein voor me, het bordes en de ramen), alleen dat ik er op zeker ogenblik helemaal naakt stond en heel hard op de rug van mijn hand moest blazen. Ondertussen zat de dienstdoende arts met zijn hand in de buurt van mijn jongeheer. Ik zou pas veel later vernemen dat dit voor mij toch wat vreemd gebeuren te maken had met de lies. En vanmorgen nog zei vriend Jan me dat de dokter alleen zodoende kon zien of mijn nog jonge teelballen zich al behoorlijk hadden genesteld.

Waarom werd daar toch geen woordje uitleg over verschaft? Misschien omdat in dat geval woorden als penis en/of scrotum zouden vallen en misschien lagen die termen de leerkrachten van toen eerder slecht in de mond. Ik kreeg zowaar ooit seksuele voorlichting (een enkel uur in het gehele schooljaar, geloof ik) van een leraar godsdienst. Nu zou ik normaliter voor een keer wel heel goed hebben opgelet, maar ik herinner me van die les helemaal niets meer. Er kwamen vast geen plaatjes bij kijken.

Voorts hadden ze in dat PMS toen ook al commentaar op mijn schouderbladen. Die zouden iets te veel naar buiten gekeerd staan. En ook op mijn “studiementaliteit” was de commentaar verre van (be)lovend: ik kon de aandacht moeilijk houden. Wisten ze op dat centrum veel dat er amper leraars waren die me ook maar enigszins wisten te boeien. Ik verlangde altijd naar de weg van school naar huis, naar de vrienden, naar een bal.

Nu, helemaal ongelijk hebben ze niet gehad: mijn rug is, na tientallen jaren van “zaalsporten” weliswaar, helemaal om zeep (mijn enkels zijn dat ook, maar dit was toen uiteraard nog niet te merken: ik zou pas tijdens mijn adolescentie platvoeten kweken) en mijn ogen zouden nooit een scherp wapen worden. Jaren geleden is het tot laseren gekomen, maar nog steeds draag ik een bril. Ik ben dit neusgarnituur onderhand zo gewend dat wanneer ik mijn bril niet aan heb het lijkt alsof ik geen kleren draag. Ik doe de bril alleen af om te slapen, te lezen, om te praten met mensen die ik vertrouw en wanneer ik – op zondagochtend bijvoorbeeld – de rotzooi om me heen nog niet in volle scherpte wil zien. De samenleving bijvoorbeeld. En sporten? Dit deed ik met lenzen.

Nu weet ik na al die jaren van recenseren en het lezen van recensies, teksten, essays en boeken omtrent beeldende kunst, hoe graag men in dat wereldje met moeilijke woorden strooit. Doorgaans, denk ik wel vaker, om dingen die men niet begrijpt toch maar in taal te vatten. Ook titels van tentoonstellingen bezorgen me vaak binnenpretjes. Zoiets als “This is not a landscape”, terwijl je niets anders ziet dan geschilderde landschappen. Enfin, een tentoonstelling moet een naam hebben.

Dezer dagen maakt De Standaard, de kwaliteitskrant, weet je wel, paginagroot reclame voor de tentoonstelling “Glasses” in het jarige MAS.  Ik moet lachen als ik de tekst lees onder een gebrilde, door Tuymans geschilderde gebrilde kop. De krant heeft het over een atypisch thema in de schilderkunst: de bril. En dan de meester zelf: “Een bril brengt een soort van distorsie van het gezicht, zorgt voor een identiteit en tegelijkertijd een maskering. De banaliteit van de bril krijgt door hem te schilderen een andere betekenis…” Het klopt allemaal als een bus en ik denk aan de lang overleden conferencier Wim Sonnevelt als “Frater Venantius”, maar nu weten ontwerpers als Patrick Hoet en Tim Vansteenbergen tenminste dat ze banale dingen creëren en dat die banaliteit pas verdwijnt wanneer ze geschilderd is…

Ik zag deze week trouwens een foto van mensen in het San Francisco Museum of Modern Art. Een grapjas had een bril op de grond gelegd en iedereen dacht meteen dat het een kunstwerk was. Als gekken begonnen de bezoekers het montuur te fotograferen. Ik begrijp vandaag beter dan ooit waarom mijn vrouw, als ik ze meekrijg naar een tentoonstelling van actuele kunst, al eens  vreemd en bevragend in mijn richting kijkt.

Deze week heb ik een sportieve vriend proberen uit te leggen waarom ik zo gek ben op de abstracte doekjes, een paar vlakken verf, van Raoul De Keyser. Ik heb gezweet…

Brillen… Uiteraard doet een bril iets met een persoon. Zelfs een bril zonder montuur doet dat. Maar daar zo’n poeha om maken. Kortelings zag ik een oud-leraar van me. De man was boodschappen aan het doen. Het was een totaal onverwacht weerzien. Hij moet zo stilaan naar de negentig toe gaan en ik had hem nooit anders dan keurig in het pak geweten. Nu droeg hij een jeans en sneakers. Broek en schoenen gaven de man een totaal andere uitstraling. Meer ga ik er niet over zeggen of ik verval zelf in woordenkraam. Maar goed nieuws dus voor het MAS. Een suggestie voor de tiende verjaardag: ouwe bokken in een jeans en op sneakers.

JOHAN DEBRUYNE, eind mei 2016

Een hoek af, maar nog zo mooi!

     

Een hoek af, maar nog zo mooi!

Sinds enkele jaren ben ik meer dan een beetje in de ban van het beeldend oeuvre van Maen Florin. Ik herinner me vaag “klassieke” portretten van haar: grote koppen, bustes in klei. Vakkundig gemaakt, maar ogenschijnlijk doodgewoon. En toch. Het introverte karakter van haar protagonisten intrigeerde me. Ze werden gezien, want je kon er amper naast kijken. Maar wie keek met voldoende aandacht? Wie stond lang genoeg stil?

In 2008, onder impuls van wat Paul Mc Carthy toen in het Gentse S.M.A.K. had aangericht (zelfs muren moesten er aan geloven), is Florin losgebarsten. Zij het minder agressief en provocerend dan Mc Carthy, maar vormelijk en inhoudelijk leek ze bevrijd uit het “klassieke” keurslijf. In het Gentse Caermerklooster zag ik wat later haar eerste verrassende, bizarre figuren. Ik herinner me onder meer een immense kop die met opzet de weg zowat compleet versperde en ik zag bizarre kopjes aan … kapstokken hangen. Of waren het maskers?

Naar aanleiding van het feit dat Florin sinds enige tijd het hele Kunstenhuis in Harelbeke met haar bevreemdende wezens bevolkt, had collega Veerle Van Durme het over mensen “met een hoek af”. Dat net zij het zijn die de kunstenares mateloos intrigeren. Ik herinner me in dit verband de heerlijke laatste jaren van een idool van me: acteur Julien Schoenaerts, volgens velen Vlaanderens grootste acteur ooit en vader van Matthias die het nu waarmaakt op de internationale filmscène. Op het moment van de opnames was Julien “een vijs kwijt”. Of een paar zelfs, beweerde zijn zoon toen. Hij zei het in alle ernst, maar met natte ogen. En dat het de juiste vijzen waren die hij kwijt was geraakt, besloot Matthias. Een onvergetelijk vader-zoonportret.

Ik moest aan dit “gouden” Canvas-moment denken, toen ik het Kunstenhuis betrad. Een vijs kwijt of een hoek af. Ik voel ook wel wat voor mensen met een hoek af. Voor zij die uit de band durven springen, buiten de lijntjes kleuren: ongewild  heimelijk of (h)eerlijk open en zichtbaar. Uiteraard hebben de wezens die Florin creëert hier niet voor gekozen. Ze zijn in zekere zin “onvolmaakt” en alleen zij, Maen Florin, is daar verantwoordelijk voor. Zij schept ze.

In al die tijd is de kunstenares technisch zo bedreven geraakt en ze kan met zo veel verschillende materialen overweg dat het lijkt of ze neer kan zetten wat ze wil. Rubber, epoxy, klei, keramiek, polyurethaan… Het maakt haar niets meer uit.  Ze neemt weg, vult aan, rijt doormidden, zet aaneen… Ze zet de dingen en de wezens geheel naar haar hand. Ze verhult helemaal niets meer in iets wat uitmondt in een confrontatie met onszelf. Wat/wie vroeger door en voor de maatschappij werd weggestopt en liefst vergeten of opgesloten, geeft zij vandaag een (bescheiden) forum. Nu is ook een artistieke “geboorte” geen lachertje. Al zeker mentaal niet.

Bekend zijn haar grote creaturen: koppen met een verlengde varkensneus. Ik zie voorts wezens zonder handen, eenogen, hoofden die uitmonden in een soort bloempot, een wezentje dat een paradijsvogeltje achter de rug verstopt. Hij wil het lang gekoesterde kleinood geven aan de meid die het dichtst bij hem staat. Maar bij nader toezien heeft die geen armen… Ik had dit laatst in eerste instantie niet gezien. Bij wat Florin aan wezens creëert moet je goed kijken, maar het went verdomd snel. Bij een van haar figuren had ik niet gezien dat de ene hand groter was dan de andere. We kijken, maar zien we nog wel? En evenmin dat die relatief struise vrouw eigenlijk een mannenhoofd heeft. Maen Florin zal het ook wel een beetje leuk vinden de toeschouwer even op het verkeerde been te zetten.

De maatschappij zet zich door in het werk van Maen Florin. Ook de genderproblematiek. Geen opgestoken vingertje, maar ze houdt ons een spiegel voor. Een dikke dwerg heeft zich als ballerina verkleed. Compleet in het wit. Hij, het is een jongen, een man eigenlijk, houdt een dun wit koordje in de handen en draagt een al even wit masker.

We herkennen continu trekken van onszelf. Kleine kantjes. Vooral het introverte is heel opvallend. Zo aanwezig ook dat het eigenlijk gewoon is geworden. Alle communicatie is weggevallen. Heel herkenbaar en ook al niet verrassend. Tal van kleine en grote schermpjes brengen de wereld vandaag immers tot bij ons. Ook wij, “gewone” mensen, hebben elkaar nog nauwelijks nodig. We kennen elkaar niet meer, we zijn digitaal verslaafd en drie letters, G, P en S, leiden ons overal naartoe.

In de kelder van het Kunstenhuis in Harelbeke zit “Wrong Face” koning of keizer te wezen. In het halfduister heb ik het weer niet meteen in de mot: een best knap kereltje, onvolgroeid, behalve zijn hoofd. Maar de ene kant van zijn gezicht vertoont gezwellen die hem vroeg of laat zijn laatste beetje fierheid zullen ontnemen. Hier speelt zich eigenlijk een drama af. En toch, zijn aankleding, zijn fierheid en wilskracht zijn opvallend. Een verdieping hoger zit “Remade 2”. Een jongen uit tal van materialen samengesteld, maar zijn wat grote hoofd is van keramiek, nog eens grillig met pigmenten behandeld. Ik wil hem troosten en ga even bij hem zitten.

“Hug”, “Screem”, “Helmet”… je moet ze gezien hebben. Het zal allemaal kunnen op de volgende “Poëziezomer” van Watou, waar het werk van Florin nadrukkelijk in de kijker zal worden geplaatst.

Op zolder van het Kunstenhuis kom ik in mijn meer vertrouwde wereld. Op een grote tafel staan keramieken hoofden, ook deze zijn finaal met pigmenten bewerkt. Florin gaat uit van een krantenfoto of een gezicht dat ze op tv of nog ergens anders heeft gezien. Terwijl ze met klei geduldig de koppen, die ze graag karakters noemt, verder afwerkt, kruipen weer nieuwe eigenschappen in het hoofd dat langzaam vorm krijgt. Het levert soorten prototypes op. Ik herken ze bijna allemaal, terwijl ik ze nooit eerder zag. Al wie ik ’s zondags bij de bakker zie, heeft er wat van. Tot en met het introverte. Het is er – in de bakkerij – even stil als op die zolder van het Kunstenhuis. Een zomer lang, zoals ik eerder zei,   zullen de bizarre wezens, die mededogen opwekken, maar die je eigenlijk beter met rust kunt laten, hun verschijning maken in een huis op de Markt van Watou. Ze zullen nadrukkelijk aanwezig zijn op wat hopelijk dus niet de laatste Poëziezomer wordt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, mei 2016

 

 

 

Duimen?

Duimen?

Zaterdagochtend. Alweer. Dat de tijd vliegt is geen boutade meer. Ik haal voorzichtig twee volumineuze kranten uit de brievenbus en bevrijd ze van bijlagen en katernen. Het plukken begint al bij de voordeur en ik maak de klus bij de ontbijttafel af. Het is een routineus werkje en alle hebben ze een vaste stek. Ook de plannen om gelezen of bekeken te worden, of net niet, liggen min of meer vast. Ik heb wel lang niet altijd de fut om naast het zelf bezig zijn met van alles en nog wat ook nog eens alle weekendbijvoegsels te lezen. Een deel ervan is rotzooi en vliegt meteen een kartonnen doos in. Het is én koesteren én bevrijdend een doos in kieperen.

Het wordt stilaan wat warmer en de katers slapen weer buiten. Ook vannacht.  Zelfs gisteravond was er geen houden aan, ondanks vuurwerk op een plein niet ver bij ons vandaan. De feestelijke start van de meifoor, veronderstel ik. Het regende bovendien pijpenstelen. Behalve voor oliebollen of een puntzak friet van “De Gezondheidsapotheek”, zo heet het kraam, kom ik er niet. Ook buiten de meimaand frequenteer ik zelden dit grote plein. Het is een kille vlakte en ik verdraag maar moeilijk het artistieke brons dat er water staat te slurpen.

Poesjkin, onze oudste kater, zit op de tuintafel te wachten. Wieb zakt van het balkon af. Die heeft in zijn mand geslapen. Waar Poesjkin de hele nacht uithangt is ons al tijden een raadsel. Ik geef ze een best gevarieerd ontbijt, de verwende nesten. Na enige tijd staat Wieb geduldig aan de verkeerde kant van een deur te wachten. Hij weet dat er een butler komt, die Johan heet, en dat die de deur een wijle op een kier zal zetten. Dan kan hij de trappen op. Zoals gewoonlijk klimt hij langzaam en behoedzaam naar de logeerkamer. Alsof niemand het mag weten dat hij daar een vast, behoorlijk luxueus dagverblijf heeft. Poesjkin heeft de keuken dan voor zich alleen. Het ruzie maken en het schaduwboksen zit er op.

Radio 1 staat aan. Het gaat over de Koerden. Een reportage van 25 jaar geleden. “Het Haat goed in de wereld”, speelde beeldend kunstenaar Jeroen Daled niet zo lang geleden ondeugend met taal. Deze zin, rode letters op een zwart vlak, moet opnieuw aan het raam, denk ik.

Het radionieuws is – zoals elke ochtend – niet van aard om me vrolijk te stemmen. Integendeel.  Ik eet en zie hoe de luchten snel passeren. Ik hoor “Nathalie” van Gilbert Bécaud. Het lied bezorgt me kippenvel en vochtige ogen.

Wat later lees ik over het lied dat de Rode Duivels op het komende EK in Frankrijk vleugels moet geven. Er is kritiek. Elk zijn meug, natuurlijk, maar de spelers zelf zouden hiervoor geopteerd hebben. Volgens sommigen heeft het lied, een creatie van twee wereldvermaarde Belgische dj’s, een al te hoog “Tomorrowlandgehalte”. Ik had er gisteren toevallig een flard van opgevangen  en vond het best. Niet meteen mijn genre muziek, maar toch beter dan toen  op kampioenschappen beschamend onnozele liedjes van Will of Rocco met de Rode Duivels werden geassocieerd. Om nog maar te zwijgen van het vals geneuzel van ex-internationals. Boffin en Degryse. “Go West” moet het onding geheten hebben.

Na het ontbijt mag Poesjkin de eettafel op. Hij weet het. Van zodra ik in de woonkamer verdwijn, wipt hij de tafel op. Hij wordt een dagje ouder en ik nog wat milder ten opzichte van onze oudste viervoeter. Hij krabt zich, valt in slaap bij een rist pillendozen waarvoor geen plaats meer is in de apotheekkast en na zijn ochtendslaapje vind je overal plukken haar. Vlak voor het middageten moet ik dus even aan de slag met een paar vellen van de keukenrol. Gelukkig heeft de kleine leeuw een weelderige vacht.

Om de zoveel tijd kiest hij trouwens een nieuwe stek om zich enkele uren ongestoord te nestelen. Een tijd geleden liet ik hem weer de werkkamer binnen. Hij vlijde er zich vlak voor de printer en dus vlakbij het scherm en het klavier. Als ik dan aan de slag moet of wil, ben ik genoodzaakt het toetsenbord op te schuiven, begint het snoer van de computermuis vervelend te doen en bovendien gebeurt het wel eens dat hij zich lekker uitrekt en dat er stapels papier op de grond kletteren. Ik heb weinig orde. Mijn bureau is een zootje. Ik wil wel, maar ik kan niet ordenen. Het is een vijs die ik mankeer. De melancholie zit vandaag weer diep in mijn lijf.

Morgen, in de vroegte, denk ik, stap ik weer een eind op de lelijke trottoirs, op weg naar de dichtste bakker. Ik zie dan her en der dezelfde affiche hangen: “Duimen voor een warme samenleving”. Mooi kalligrafisch vorm gegeven. En voor het woord “samen” is meer zwart gebruikt. Elk jaar bezorgen Linda en Eddy, lieve, verre buren, me zo’n slogan met een groot BZN-gehalte. Ik spaar ze, maar afficheer ze niet. Te naïef, vind ik, al zeker in deze wereld, en in een laan, een soort snelweg, waar de meesten elkaar amper kennen en een “goeie morgen” bij velen wordt afgeremd door een soort verbale constipatie.

Ik lees en mijmer en vraag me af hoe lang er al te weinig controle op onze  luchthavens zou zijn. Een commissie gaat het uitvogelen.

De baas van minister Galants kabinet, de man die ogenschijnlijk genoegzaam  zijn minister in zijn aangekondigde val heeft meegesleurd, kwam in beeld. Aan de slag (nou ja) aan zijn bureau. Op een zitbal en op sokken. Een verstandige, maar best vervelende vent, naar verluidt. Na het plaatje kan ik er me iets bij voorstellen. Tiens, mijn schoenen uitdoen was iets dat ik voor de klas net niet durfde. Ik had er nochtans vaak zin in. Ik zou me voor de klas nog meer in mijn sas hebben gevoeld.

Op het moment dat ik vaststel dat de Erdogan-rel (omtrent een niet geapprecieerd gedicht dat een Duits komiek aan de Turkse Leider had opgedragen) al verwezen is naar een kaderstukje dat amper opvalt, denk ik aan vanmiddag. Ik hoop dat Honoré d’O me (in het Oostendse Mu.Zee) met zijn grenzeloze fantasie even alle rottigheid zal doen vergeten.

JOHAN DEBRUYNE, half april 2016

Avanti, Wies!

Avanti, Wies!

Sinds enige tijd zet ze geen stap meer buiten de deur. Niet eens een stap-je. Ze nam altijd al korte (vinnige) stapjes. Perfect synchroon, lichtjes naar links en dan meteen weer naar rechts nijgend, maar toch gedecideerd op haar doel af. Die stapjes namen in vaart – nooit in grootte of lengte – behoorlijk toe wanneer haar echtgenoot, mijn broer, nog maar eens was blijven hangen. Met grote regelmaat immers zocht hij het ouderlijke huis op en dan was er geen kruid tegen gewassen: de meest banale uitvluchten (alsof de aanwezigen half debiel waren) rolden schaamteloos van tussen zijn lippen om toch maar “even” langs te lopen in het gezellig café naast de deur. In Den Groten Hert, heette het etablissement toen nog. Omdat hij veel mensen kende en zelfs hondjes met een hoedje op zou hebben aangesproken, durfde deze “feinte”, om een basketbalterm te gebruiken, al eens behoorlijk lang uitpakken.

Wanneer het haar iets te gortig (te laat/lang, dus) werd en ze wellicht geen zin had om de avond met het doorgaans weliswaar weinig kwalijk gebral van een licht beschonken echtgenoot verder te zetten, greep ze resoluut in: zonder er een woord aan te verspillen veerde ze op en ging ze duidelijk maken dat het tijd was om op te stappen. Een vreemd beeld: grote straat, de Langestraat, een immens café, een klein gekweld dametje, met ogen die vuur schoten.

Niet dat ze bazig was, maar als kleuterleidster schiet je met zo’n blik al aardig op en op die momenten zag je een beetje de kleuterleidster in haar. Wie weet had ze nog voorbereidingen te maken? Hier werd nooit iets over gezegd. Alsof het niet belangrijk was. Wies cijferde zich dus weg, tot de maat vol was. Af en toe vroeg ze ons wel om pakweg lege kaasdoosjes te sparen. Of het binnenkarton van een rol toiletpapier.

Het was irriterend en eigenlijk best lachwekkend tegelijk. Je moet weten: mijn broer was koppen groter dan zij. Een beer van een vent, met een hart van koekebrood, met een strootje te verleiden. Maar als ze vond dat het tijd was, dan ging ze. En hij? Hij volgde gedwee.

Zijn hele, te korte (hij stierf op z’n 60ste) leven bestond uit onderhandelen, praten, tafelen en met grote regelmaat van zijn fiets springen en die ergens tegen een muur stallen. Evenveel “tussenstops” voor een babbel en een frisse pint. Hij was met mensen begaan. Nieuwsgierig ook. Hij bleek voorts aangenaam gezelschap en werd vaak getrakteerd. Op dit vlak mag ik nu ook niet klagen, maar ik hou het op een fractie van zijn aantal locaties en stops, en ik ben geen pintendrinker. Ik herinner me ook dat, wanneer hij iets dronk, hij meteen om een sigaret schooide. Het merk maakte op zo’n moment helemaal niet uit.

Ze hadden gebouwd in een randgemeente. Daar waar nog een overvloed aan  grond beschikbaar was om de huizen met stroken groen te omringen. Sinds zijn dood woont ze er alleen. Hij was vaak onderweg. Wat moet hij de stad en de mensen gemist hebben! Maar goed, in die tijd – de jaren 60 – begon men vroeg met bouwen, doorgaans in de rand, er werd amper gereisd en vaker bij moeder gegeten. Daar was het ook altijd gezellig en druk. De straat van zijn jeugd was leuk en volks en er was altijd wat te doen. Je kende er ook iedereen en was overal welkom. Vandaag zie ik nog zelden een open voordeur.

Toen ik zelf het ouderlijk huis had verlaten, kwam hij eens in een licht beschonken toestand langs. Mijn vrouw en ik waren bewust in de stad blijven wonen en aan het eind van onze straat was er een boogbrug. Na nog een laatste glas reed hij huiswaarts. Wellicht. We begrepen niet hoe hij heelhuids op z’n fiets was gesukkeld en het begin van zijn rit naar de rand van de stad  was niet om aan te zien. Het was dilettantisch surplacen. Maar eens zijn sterke lichaam de fiets op snelheid had gekregen, reed hij als bij wonder kaarsrecht. Toen hij aanstalten maakte om te vertrekken, vreesden we wel dat hij die brug nooit over zou geraken.

Ik moet aan ze denken – doe ik wel vaker -, omdat ik vanmorgen in de krant iets las over “Avanti Brugge”. We hadden in Brugge ooit een basketbalteam dat tot de absolute top van het land behoorde. Als puber volgde ik de steile opgang van het team. Ze speelden toen nog buiten, in Ter Groene Poorte. Ik herinner me de spannende wedstrijden tussen Ieper en Brugge. Tussen Avanti en Athlon, dus. Of nog: tussen Thom Duff en Terry Kunze. De eerste geïmporteerde Amerikaanse spelers waren toen allesbepalend voor de resultaten.

De Groene Poorte was zijn tweede thuis, zeg maar. Hij was graag onder mensen, had bij de Frères zelf basketbal gespeeld, dus was het niet onlogisch dat hij ook bestuurslid werd. Wat later werd in zaal gespeeld. Elke thuiswedstrijd werd een unieke beleving. En Wies ging mee. Een thuismatch van Avanti zou ze voor geen geld ter wereld hebben willen missen. Ik zie haar nog naar haar vaste (houten) tribunestek stappen. Rij één.

Jammer dat ze na zijn te vroege dood niet een beetje verder op dat elan is doorgegaan. Wat later is Avanti voor de bijl gegaan. De vereniging had bekwame voorzitters die er ooit de brui aan gaven. De voorzitter die de doodstrijd van het team probeerde af te wenden of te rekken, was helaas niet uit hetzelfde hout gesneden. Maar toch respect!

Het was de hele week uitkijken naar het sportieve weekend. Voor mij was er vooral Voetbal Club Brugge, maar in de basketbalhoogdagen zeker ook Avanti. Een paar duizend mensen in een zaal, dat resulteert in een onnavolgbare sfeer! Het waren ook economische groeitijden. Voor het team stond steevast de naam van de sponsor. Imperial Avanti Brugge, weet ik nog. Toen werd de club gesponsord door een fabrikant van… salami’s. Toen ik tijdens de weekends al eens op hun dochtertje paste, lag altijd een “imperiale” salami (koelkast) binnen handbereik. Het koelmeubel, dat de worst maar net kon bevatten, was een culinaire trekpleister waar ik met al te grote regelmaat op afstapte. Er werden ook eens met regelmaat groene plastic dinosauriërs in het publiek gegooid. Opblaasbare beesten. De meest royale geldschieter was op dat moment een petroleummagnaat. En toen Racing Mechelen, lang dé ploeg van het land, Maes Pils Mechelen werd, keek niemand verrast op.

Ik weet niet precies welke taak mijn broer er vervulde, maar ik herinner me dat hij met regelmaat naar de luchthaven van Zaventem moest om een Amerikaanse (mogelijke) aanwinst op te halen. Hij diste dan verhalen op over hoe ze zich in zijn auto wurmden en over de maat van hun baskets. Die passeerde altijd moeiteloos de 50. De bonken die hij naar Brugge bracht waren dan ook altijd minstens twee meter groot.

Ik herinner me zo veel mooie momenten, maar beperk me tot de super efficiënte bonenstaak Mark Brown, de haarzuivere shots (pas lang na hun carrière driepunters) van Thom Duff en Rick Katherman, de valse trage, rosse O’Brien, en de “kleinste” Amerikaan die ooit werd aangeworven en voor ongekende sensatie zorgde: Mark Sibley. Natuurlijk vergeet ik ook Ted Suski, Imre Nyitrai, Etienne Dermaut, Patrick Delvinqiuère en Fons De Clerck niet. Deze laatste hield er een heel bizarre, handige, effectvolle haakworp op na. Het waren reuzen naar wie je als jongetje ook figuurlijk opkeek. Spelers ook die jarenlang voor hetzelfde team uitkwamen. Basket was nog een beetje “familie”. Er waren voorts ondermeer nog het nationale fenomeen Steveniers, de ingebakken elegantie van spelmaker “Gibbe” Ibens (Pitzemburg) en de onderhands scorende Korac (Standard).

Maar goed, met Avanti verloor ze ook haar man. Ze bleef (te) vaak binnen, maar kon nog intens genieten van sport op televisie. Vandaag, vele jaren later, een paar zware ziektes en valpartijen verder, is dat allemaal behoorlijk minder geworden. In aanvang deed ze nog zelf haar boodschappen. Naar de overkant van de stille straat in die stille rand: naar “Marcel en Fabienne”, ooit vanuit de stad geëmigreerd. Ik dacht toen soms aan haar. Bezorgd. Van huis tot groente en ander lekkers: amper tweehonderd meter, maar toch.

Vandaag blijft haar deur doorgaans dicht. Alles wordt aan huis bezorgd. Alleen wie haar dierbaar is komt er in. Het is haar keuze om zo het leven te leiden. Geen vlieg doet ze kwaad. Hoe het met de familie gaat, dat vertelt vooral de telefoon. Aan Robert dacht en denk ik wel eens als Club Brugge zijn thuiswedstrijden speelt. Hij ligt begraven in de schaduw van het Jan Breydel stadion. In aanvang had ik moeite met het respectloos gedaver en het letterlijk gezeik en doorheen de haag die het stadion van de begraafplaats scheidt. Vandaag durf ik al hopen dat hij meegeniet wanneer Club scoort en wint. Hoe dicht kunnen vreugde en verdriet, leven en dood bij elkaar liggen?

JOHAN DEBRUYNE, half maart 2016

PIETRO

             

PIETRO

Zoals elke jonge jongen becommentarieerde hij

licht beschroomd, maar toch bevrijd zijn vrije trappen.

Zijn oogstrelende schoten op doel (krijtlijnen op de muur van de kazerne).

Met een bal kon hij aardig uit de voeten. Was alleen wat schriel.

Voorts herinner ik mij geen enkel vlot gesprek.

Horten en stoten. Geen franje. Spelen met woorden

werd nooit nog zijn ding. Heel uitzonderlijk eens een

vloeiende volzin. Sporadisch een rist haastig

uit de keel gestuwde monotone klanken.

Mondjesmaat maken die overduidelijk wat

gezegd moet worden. Geen nuance. Een enkele keer

ongewild kwetsend.

Denkt hij dan meer? Denk hij anders? Denkt hij dieper?

Wat knelt er in zijn hoofd? Of is het kwellen?

Al wat niet verwoord kan worden?

Waar slaat hij dat gepieker op?

Achter diepe groeven in zijn voorhoofd?

Het is een alfabet dat zich moeilijk laat lezen.

Het is zijn onnavolgbare schrift.

Denkstriemen van het routineuze leven,

van de kleine zorgen van elke dag, van het overbodig

lawaai, de regelmaat, de onnatuurlijke ruis.

Denk ik.

Hij koestert de stilte en

hunkert naar gesmoorde geluiden.

Denk ik.

Hoe zou hij de plotse dood

van zijn zuster ervaren, amper

ouder dan hijzelf?

Op het beduimelde fotootje – jaren’60 -

staat het straatje bij de kerk.

Daar waar toen nog alles wat

om uiterlijk vertoon vroeg zijn beloop

kreeg. Twee lange rijen wachtende

communicanten. Kleine argeloze marionetten

van het systeem. Te midden opwaaiende

flarden tule lacht hij heimelijk

naar een lotgenoot. Alle rakkers

voor even versteend in een pak.

Aan de overkant: ZIJ. In “paterskleed”.

Een bruin sober crucifix

aan een koordje om haar nek.

Een vinnige meid als engel vermomd.

J. D.

 

 

Een maand later al

Een maand later al

Naar waar moet ik kijken wanneer ik tegen je praat? Je bent er immers niet. Niet meer. En toch ben je er. Overal zo’n beetje. Heel dichtbij wanneer ik met de auto in de buurt van het Astridpark een parkeerplaats zoek. Je huis is daar in de buurt.

Een maand geleden leefde je nog even. Met buizen en draden aan machines. Maar je was mooi en je straalde warmte uit. Dat deed je doorgaans. Even later zou het kil worden. Jij al helemaal. Je dierbaren in het hart. Onder deze kleine tegel ligt je as. Ik zie wat mannen van de groendienst in de weer. Ze verzamelen verlepte bloemen bij nieuwe doden. Ontmantelen verlopen graven. Tegen een huisje zie ik roestige kruisbeelden. Maar ook jonge graven. Gave vierkante tegels. Pril en toch al zo vergeten, denk ik.

Het was vandaag hetzelfde weer als gisteren. Koud, droog en er was zon. Daar waar jij nu een beetje bent zag ik gisteren de jonge bomen niet. Een maand geleden stonden we rond die urne en zorgden zij voor enige afleiding. Net zoals de motregen. En al die handen rond de urne. Nu schijnt de zon. Laag. Ik zie wat gras voor anderen die ons nog zullen ontvallen. Een heel klein voetbalveldje. Veel plaats lijkt er niet meer over. We moeten stoppen met doodgaan. Neem jij daarom hier zo weinig plaats in? Op de tegel aan mijn voeten kleeft een blaadje met je naam: Marie Debruyne. Getypt kladwerk. Het is nog een wijle wachten eer het Marie-Ghislaine wordt. Tiens, op jouw tegel liggen alleen nog maar witte tulpen. Met nog wat ander wits ertussen. Ik ben niet zo’n bloemenkenner. Vrieskou, regen, wind, vier weken lang. En toch hielden net jouw lievelingsbloemen hun vorm. Zich sterk. Of wierp onlangs iemand je nog bloemen toe? Geen stilleven is mooier en pijnlijker tegelijk.

Je broer Johan, 17 februari 2016

 

De lege kamer als liefdesverklaring

DE LEGE KAMER ALS LIEFDESVERKLARING

Op de cover staat, onder de in witte, spichtige letters gedrukte titel ”De Stilte Van Het Licht”: “schoonheid en onbehagen in de kunst”. Het boek is geschreven door Joost Zwagerman (1963-2015), Nederlands romancier, essayist, columnist, dichter en begeester(en)d (beeldende) kunstliefhebber. Hij stapte vorig jaar uit het leven.

Zwagerman neemt je – geregeld een toepasselijke flard poëzie achter zich latend – op sleeptouw doorheen eeuwen beeldende kunst. Hij kiest, analyseert en legt overtuigd verbanden tussen kunstwerken en kunstenaars. Zijn keuzes noch links verrassen me, maar het lijkt me meesterlijk hoe hij het overzicht houdt. Zijn hoofd moet een soort encyclopedie zijn geweest. Zwagerman schrijft buitengewoon knap en ik krijg niet genoeg van zijn begeesterende stijl, zijn weetjes, zijn kennis. Toegegeven: ik ken nu ook niet àlle kunstenaars die hij sommeert.

Ik voel de duiding bij de titel van het boek ook niet aan zoals de auteur dat doet. Terwijl bij Zwagerman de gedreven, ogenschijnlijk nauwelijks genuanceerde zoektocht naar de absolute stilte en/of het absolute niets wellicht mede tot zijn dood heeft geleid, bleef ik in hoofdzaak genieten van de schoonheid en de stilte van en in de geciteerde werken. Met bewondering maakte ik kennis met de briljante wijze waarop de vaak afgebeelde werken worden beschreven en ontleed. Ik voelde doorgaans een mooie, rustgevende eenzaamheid, een vleugje droefheid ook wel. Maar onbehagen? Neen.

Zwagerman graaft moeiteloos diep in zijn royale kennis en analyseert scherp. Lang doorlezen werd al eens moeilijk, want hij zette me aan het denken en dromen. Zelf was de auteur – voor mij dan toch – ook nooit ver. Het doet me bijwijlen denken aan een oudere broer van me. De man schuifelt ondertussen naar de tachtig; ik ben de zestig een eindje voorbij. Allebei gingen we naar dezelfde school. Een katholieke instelling, waar in zijn tijd wel een veel groter conglomeraat geestelijken het voor het zeggen had. In dat instituut disten ze ons dus dezelfde leugens op. Beiden hebben we op latere leeftijd die paapse meute en machtskliek de rug nog stringenter toegekeerd, niet in het minst wanneer de talloze schandalen over ook fysiek misbruik aan het licht kwamen. Het verschil is blijkbaar dat mijn broer de dingen anders percipieert. Of gaat hij dieper op die dingen in? Zo wordt hij tot op vandaag fysiek onwel wanneer hij het heeft over de leugenachtigheid waarin we zijn opgegroeid. Ben ik oppervlakkiger? Of meer (dag)dromer? En dus milder? Hoewel de toenemende stroom oneerlijkheid, corruptie en machtsmisbruik absoluut niet aan me voorbij gaat, heb ik het gevoel dat ik het met regelmaat allemaal – voor een poos dan toch – naast me neer kan leggen. Dat ik deels in de marge van het aardse functioneer. Net zoals mijn broer steeds furieus reageert op datgene wat zich in zijn jeugd heeft afgespeeld, zo kijkt ook Zwagerman ongenuanceerd intens naar de beelden(de kunst).

Wie van literatuur en beeldende kunst houdt zal Zwagermans oeuvre kennen. Zo wist ik uiteraard dat het niet echt een vrolijk boek zou worden. Ik hoopte vooral van zijn pen en eruditie te smullen, wat grandioos is gelukt. Ook mede omdat de voorbije weken door dienaars van de geneeskunde bij te veel dierbaren beangstigende diagnoses werden gesteld (volkomen onverwacht werd onlangs een lieve zus uit mijn leven gerukt), heb ik Zwagermans zoektocht naar de stilte van het licht in flarden gelezen. Hoewel de auteur in regel kunstenaars en kunstwerken aanhaalt  die ik ken, moest ik bij tijd en wijle toch de trap op om in het bureau een en ander op te zoeken. Wat meer informatie bijvoorbeeld omtrent een of andere kunstenaar.

De superlatieven van Zwagerman-kenners en critici op de achterflap zijn terecht. David Van Reybrouck noemt Zwagerman een omnivoor, een multitalent, een van de grootste essayisten van ons taalgebied. Zwagerman sleurt je onvermoeibaar energiek mee in zijn queeste naar de stilte in de kunst. Een soort stilte waarvan je relatief snel door hebt dat ze iets is waarin je wel eens zou kunnen/willen verwijlen. Verdwijnen? Ook het verlangen om er niet te zijn komt al eens aan bod.

Alle kunstenaars opsommen aan de hand van wier werk hij conclusies trekt of overtuigende links legt, zou me te ver voeren. Rothko en Turner zijn vanzelfsprekend prominent aanwezig. En net zoals vorig jaar in Den Haag droomde ik heerlijk weg bij “’t Puttertje” van Fabricius. Er is het bijzondere verhaal van een compleet weggegomde Kees Van Dongen, terwijl Morandi Zwagerman doet besluiten dat stilte ook een ding kan zijn. Uit interesse ga ik me tussendoor nog eens verdiepen in het korte leven van  “valkunstenaar” Bas Jan Ader (1942-1975). Ik leer met plezier J.H. Weissenbruch (Haagse school/J.D.) kennen. Een kleine foto van diens werk “Te Noorden bij Nieuwkoop ( 1901)”, voert me binnenkort gegarandeerd naar het Museum van Dordrecht. Naar de stilte in een soort vaalwit brokje geometrie te midden de natuur. Verrassend is ook de kennismaking met “Het Friese Zwijgen” van Willem Van Althuis…

Maar het meest prangende werk waarover Zwagerman het in dit boek heeft is van de hand van Francisco de Zubaràn, niet lang geleden nog uitgebreid in BOZAR (Brussel) te bewonderen: “Het bezoek van de Heilige Bruno aan paus Urbanus II, (ca. 1635)”. Het werk bevindt zich in het Museo de Bellas Artes te Sevilla. Je voelt me komen? Als ik nog eens in Andalousië geraak… Zo begeesterend en overtuigend schrijft Zwagerman over kunst dat je je bij momenten afvraagt of de kunstenaars het zelf ook wel zo bedoeld zouden hebben.

Een onvergetelijke en cruciale passage is die over twee schilders en de vrouw die ze schilderen: Pierre Bonnards “Woman Bathing, Seen from the Back, (1919)” en “Interieur met Jonge vrouw, op de rug gezien (1903-1904)”van Vilhelm Hammershoi. De vrouw van Bonnard zie je naakt op de rug, staand in de badkuip. Ida staat, ook op de rug gezien, voor een dressoir, een ovalen schaal in de handen. Zij lijkt op het punt te staan het vertrek te verlaten.

De auteur heeft het over al die blikken die zich vasthaken aan Marthes rug, die ooit werd prijsgegeven aan die ene getuige tijdens het baden: Pierre Bonnard. Nu zijn het er duizenden. De dingen hebben ons nodig om gezien te kunnen worden, besluit hij, maar stelt zich tegelijk de vraag of een ding ook kan bezwijken aan een overdaad van oogopslagen, van in concentratie turende toeschouwers? Heb ik gedroomd of is dit toch een van de weinige keren dat Zwagerman zich in deze een vraag stelt?

Hammerhois (in de echtelijke woning in Kopenhagen, J.Z.) schilderde Ida vele keren op de rug gezien. Nooit naakt echter. Op het werk dat wordt afgebeeld staat ze op het punt de kamer te verlaten, maakt ze aanstalten om uit beeld te verdwijnen, om op te lossen. Een ogenblik later resteren alleen nog die lege vertrekken, eveneens door de schilder vereeuwigd. Van Ida’s huid zien we alleen de nek, zegt Zwagerman. Dit en de geklede rug beklemtonen haar onbenaderbaarheid, haar isolement. “De kunstenaar is getuige en toeschouwer, maar, anders dan bij Bonnard, geen deelnemer aan het tafereel. We worden onderdeel van het drama en de stille tragiek van het schilderij: met iedere blik die op het schilderij wordt geworpen, raakt Ida’s aanwezige afwezigheid alleen maar geïntensiveerd. Onze blik ondermijnt haar verlangen om er niet te zijn. Hammerhois lege vertrekken zijn dus een ode aan zijn muze. De lege kamer als liefdesverklaring, met de witte deuren die wijd open staan als de richtingaanwijzers voor de ontsnappingsroute die Ida verkiest.”

JOHAN DEBRUYNE, 14 februari 2016

 

Kwelkommer

 

 

 

 

 

 

 

Kwelkommer

Nadat ze zich in een veelkleurige collant heeft gewrongen

pluk ik de zwarte pantoffels van haar voeten.

Uiteindelijk help ik haar in groene laarzen. Ervaren en

dus voorzichtig daalt ze de wankele trap af en krijgt het

pompje aan de praat. Ze is net niet te groot

en waadt moeiteloos doorheen het plonsbad.

Bij extreem laag water beroept ze zich op de vloerwisser.

Van dan af is het waterwissen met de kraan open.

Telkens het beton quasi droog is geveegd, maakt de vloer

zichzelf weer nat: kwel. Een cynisch gewroet,

maar straks weer vers grondwater. Wonderlijk.

Aan de voordeur klemde ik een onwelriekende buis

onder een gehavend trottoirversiersel. Ik hou het debiet

in de gaten. Af en toe. En passant doen buren mij

hun verhaal van water, kelders, kwel en kommer.

Ik hunker naar droogte.

Het oude huis biedt onvoldoende weerstand

tegen buitensporig geweld van regen en wind.

Met huiver denk ik dan aan vroeger: aan een

kleine jongen, emmers her en der, onder gebroken glas.

Wat later tast ik mijn boekenplanken af en denk aan

mijn pas gestorven zus. Zij had net een nieuw

pompje besteld. Ik zie Bill voor me en de onredelijke

stofwolk die hij ooit creëerde bij het schijven van

het kleine keldervierkant. Zo’n waterpompje hoeft geen

piëdestal. Het ronkt vanuit de diepte.

Ons middagdutje zat er op.

Vreemd, sinds zus er niet meer is

zijn we nog maar met zijn tweeën moe.

 

JOHAN DEBRUYNE, begin februari 2016