Omtrent kaasschaven, bijlen, Brugs Verdriet en bedrieglijk mooie schilderijen

 

 

 

 

 

 

 

Naar aanleiding van tentoonstelling en monografie oeuvre Mieke Teirlinck (Galerie Pinsart/Brugge)

Omtrent kaasschaven, bijlen, Brugs Verdriet en bedrieglijke mooie schilderijen

Het is bizar en het stimuleert de twijfel; het maakt me bijwijlen moedeloos en  stemt me hoopvol: de Staat der Kunsten. Laat ik het sportief houden : de culturele sector bevindt zich in een pecuniaire houdgreep. Ze wordt nog net niet gewurgd, maar ze hapt naar adem en heel wat organisaties kloppen af. Het is in dit kleine Vlaamse land niet goed gesteld met de kunsten. Al zeker niet met de beeldende, een weliswaar zeer eigengereid segment dat al lang het vaakst ongenadig tegen de tatami is gesmakt. Meer dan ooit zullen ook in deze diegenen die over centen beschikken bepalen wat goede kunst is. Kennis van zaken wordt meer dan ooit overbodig. Ballast.

Aanvankelijk hanteerden de media nog terminologie uit de zo populaire culinaire wereld, een verbale tsunami afkomstig uit de boekenwereld. Ze schreven, wanneer het met name over de besparingen in de kunstwereld ging, met regelmaat over de “kaasschaaf”. Een relatief geslaagde metafoor, een pijnlijk eufemisme. Bij de meest recente subsidieronde werd dan de bijl bovengehaald. Hakken. Weg. Niet zoals op de snijplank van Jeroen Meus. Maar zoals het gaat met onze bossen. Wég.

Het maakt je niet vrolijk, maar het bevreemdt dat ik meer dan ooit voorheen activiteiten binnen de sector moet laten vallen. Dat ik ze niet zie en dus niet kan beleven. Niet omwille van een gebrek aan kwaliteit, maar omdat het aanbod amper te volgen is en mijn actieradius eerder beperkt. Ik absorbeer traagzaam. Misschien is die drukte een tijdelijk fenomeen. Of stimuleert de dramatische situatie de vindingrijkheid?

MONOGRAFIE

Het hoeft uiteraard niet te verwonderen dat net deze kleine wereld zo creatief met deze precaire situatie omspringt. Wanneer een galerie, een uitgever, tal van kunstliefhebbers en een kunstenaar de handen in elkaar slaan is er nog wel wat mogelijk. Op deze manier is de knappe monografie van schilderes Mieke Teirlinck er gekomen.

Net op tijd, dit boek. Nooit immers heeft deze kunstenares werk gemaakt dat meer aanspreekt, een grotere eenheid uitstraalt en steviger de actualiteit aan de geschiedenis linkt. Op een geheel eigen, welhaast elegante manier onthult het oeuvre mondjesmaat dingen die tergend lang onder de mat zijn geveegd. Teirlinck bewijst dat je de maatschappij wel degelijk kritisch kan benaderen, terwijl je toch zogenaamd esthetisch werk levert.

De kunstenares heeft een groot deel van de lange weg in volslagen eenzaamheid afgelegd. Met vallen en opstaan en vaak letterlijk en figuurlijk tegen de wind in. En ook zij was daarenboven geen sant in eigen land. Eerst moet je omwegen maken, al zeker in deze fraaie, kleine stad, hoofdstad van een provincie, gewezen culturele hoofdstad van Europa, stad met opnieuw een grootse Triënnale, maar nog steeds een provinciehoofdstad zonder behoorlijk onderkomen voor actuele beeldend kunst. Een euvel, mijn en andermans groot verdriet, dat ik al decennia lang aankaart.

Mieke Teirlinck. We hebben elkaar zo’n 20 jaar geleden ontmoet. Zij had er – door familiale omstandigheden – een Surinaams avontuur opzitten, en ging alsnog opnieuw naar de academie. Een ontembare drang om te creëren. Ze was een kind geweest dat graag tekende en creatief was, een meid die liever in de buurt van vaders werkbank toefde dan in moeders keuken stond. Ze rondde deze academiejaren als primus af. Haar briljante rapport werd beloond met een solotentoonstelling.

SOCIAAL BEWOGEN

Er zijn in de 300 jaar dat de Brugse academie dit jaar bestaat vanzelfsprekend al heel wat laureaten de revue gepasseerd, maar niet iedereen staat na 20 jaar onverdroten zoeken en werken zo ver als Teirlinck vandaag. Zo komen we haast vanzelfsprekend bij een aantal van haar specifieke eigenschappen die hebben bijgedragen tot de kwaliteit van haar oeuvre.

Talent uiteraard, een doorzettingsvermogen dat je amper voor mogelijk houdt, de wil om te excelleren, een niet te omschrijven innerlijke kracht. Als stadsgenoot heb ik alle stappen die ze sindsdien heeft gezet van behoorlijk nabij gevolgd. We hebben samen zelfs artistieke evenementen op het getouw gezet. Er was en is geregeld contact. Ik weet van mezelf dat melancholie het doorgaans wint van beate gelukzaligheid. Ik kan dus een aardig potje kniezen. Teirlinck daarentegen is een rots. En wanneer zij meer dan terecht ook eens het hart luchtte, besloot en besluit ik steevast met een twee woorden en twee leestekens: schilderen en Mieke, een komma en een uitroepteken.

Ik had iemand leren kennen met een immense veerkracht, een schijnbaar grenzeloos optimisme, een diepgewortelde sociale bewogenheid en empathie, en de onwrikbare wil om datgene te doen waarvan ze voelde dat ze het almaar beter kon: schilderen. Het leidde ertoe dat ze obese mensen en mensen met het syndroom van down een forum gaf dat niemand ze ooit geschonken had. En zelfs voor dat forum heeft ze bij betrokkenen heel wat vooroordelen moeten bestrijden.

Ze verlangde naar een atelier achterin de tuin en ik stelde vast hoe haar werk gestaag evolueerde. Hoe haar palet dat ooit de beeldhouwster in haar verried, egaler en donkerder werd – zoals de wereld rondom haar en ons heen – , hoe ze alles durfde en wilde schilderen, stillevens, landschappen, marines en mensen. Aanvankelijk eerder als alibi om te kunnen schilderen. Het heeft geleid tot de grote eenheid die haar oeuvre vandaag kenmerkt. Een soort ongewilde herkenbaarheid ook. Haar nauwelijks te behappen gedrevenheid heeft geleid tot een verrassend grote productie zonder dat de kwaliteit eronder lijdt.

Haar werk toont doorgaans wat niemand wil of durft laten zien. Vaak mengt ze ongemerkt fotomateriaal en stills met beelden uit de realiteit en met haar fantasie.

BEDRIEGLIJK MOOI

Wat ze schildert is zo vaak bedrieglijk mooi. Het is pure schoonheid, tot je langer kijkt en merkt hoe ze rotzooi en smeerlapperij aan de kaak stelt. Ik heb net de roman “Het Hout” van Brouwers uit. Wat hij beschrijft hou je niet voor mogelijk. Soms is het walgen en het dichtklappen, dat boek. Tijdens het lezen heb ik vaak aan Teirlincks oeuvre gedacht.

Een ander facet van haar werk is hoe ze middels het ensceneren van prullaria die aan haar kinderjaren refereren en een bepaalde symboolwaarde hebben in grote eenvoud en met bravoure taferelen schildert die voor ieder van ons herinneringen oproepen. Middels de monografie “Humanity” en grotendeels ook via de vele kamers van Galerie Pinsart, kun je in grote trekken de evolutie in haar werk volgen.

Weet je, onlangs vroeg een passant of het werk dat zich achter het raam van het vernieuwde gedeelte van de galerie bevindt van de hand van Gerard Richter was!

JOHAN DEBRUYNE, november 2016

 

Het vruchteloze streven naar afwezigheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“Emergent” (Veurne): “Uitblinkend door afwezigheid (2)”

Het vruchteloze streven naar afwezigheid

Toen ik student was aan de Hogeschool zei een niet van enig cynisme vrij te pleiten docent Engels dat ik ook opviel als ik er niet was. Ik geef toe dat ik in aanvang van mijn opleiding tot leraar mijn middelbare schoolgewoonte om met regelmaat de lessen en het schools gedoe aan me voorbij te laten voorbijgaan, voort had gezet. De kunst, het dromen, de speelzaal, de verhalen, de bal, de vrienden… Het trok me allemaal veel meer aan dan de nochtans best stijlvolle klasklokalen en de imposante gangen die de “speelplaats” (nu met wereldkaart Jef Geys) omarmden van het architecturale meesterwerk van Louis Delacenserie (1838-1909). Ik liet het niet merken, maar beschouwde de uiteraard waarschuwende commentaar als een compliment.  Toch zou de boodschap haar effect niet missen, want vanaf dat moment zou ik minder gaan brossen. Ik werd zowaar een voorbeeldig student. Eindelijk.

Het kwam me allemaal opnieuw voor de geest, terwijl ik me op een zondagmiddag naar Veurne begaf, meer bepaald voor een tentoonstelling in Galerie “Emergent”. De titel alleen al hield me al een wijle in de ban: “Uitblinkend door afwezigheid (2)”. Enfin, ik was bijzonder benieuwd.

Het is wonderlijk hoe ik me aan beelden(de kunst) kan laven. Hoe artistieke ingrepen mijn doorgaans verstrooide hoofd helemaal vullen en nauwelijks nog ruimte laten voor andere zaken. Ik ben dan bijwijlen alleen nog tot wat huishoudelijk werk in staat, tot het doen van simpele boodschappen die voor mijn eega te zwaar zijn om het huis binnen te sjouwen, het af en toe houden van een vrijblijvende babbel en achter de computer kan ik proberen een en ander in woorden te vatten. Ik ben al vaak niet bij de les, maar na het bezoek aan deze tentoonstelling leefde ik nog maar eens op een wolk.

“Emergent” (de naam komt van het Latijnse “emergens”, dat te maken heeft met eigenschappen als onverwacht, spontaan optredend en het samenbrengen van veel gelijkaardige dingen waardoor zich nieuw eigenschappen ontwikkelen) is een verrassend lapidaire galerie (door recente uitbouwen achteraan het pand) met nogal wat kamers en verdiepingen, verborgen achter een gotische trapgevel op de Grote Markt van Veurne. Het pand heet “Huis De Valk” (1624), naar de immense vogel op de top van de trapgevel.

Er was danig veel te zien en te fantaseren dat ik tussendoor een pauze inlaste om met mijn zwager uit het Letse Riga iets te gaan nuttigen bij “Verdonck”, een bekende tearoom op de Grote Markt, waar je telkens weer tot mijn grote verrassing je auto nog kan stallen en waar de mensen het niet over “De Valk” maar over “Het Belfort” hebben. Een bizarre plek die me aan Brugge (waar ik geboren en getogen ben en het centrum mijd als de pest) doet denken, maar waar als bij wonder alles op een enkele plek werd verzameld: bijna niets dan horeca, een enkele goede bakker en een slager, en her en der een historisch gebouw.

De laatste keer dat ik er (in ”Emergent”) was hadden een aantal kunstenaars de vraag gekregen om alvorens ze beeldend aan de slag gingen de roman “De burgemeester van Veurne” te lezen. Ik heb toen zelf uiteraard meteen het boek gekocht. Mijn allereerste Simenon, trouwens. Wat een bevreemdend verhaal! En verbluffend hoe de kunstenaars op hun manier hadden bijgedragen om nadien, bij lezing, mijn fantasie mede vorm te geven. Me ook even weg te halen van het vlot geschreven, maar bijwijlen pijnlijke verhaal van een plichtsbewuste, ongemeen koppige en eigengereide, maar ambitieuze eenzame burgervader met een gehandicapte dochter die hij voor de wereld verborgen hield. Maar tegen kwatongen was geen kruid gewassen.

Opbeurende lectuur was het niet. Het beeldend werk was “lichter”, verfijnd en bracht soms soelaas. Ik zie nog een bizarre reeks sigaren tegen de muur en die kleine flarden hout waarop met wat verfstrepen marines werden gesuggereerd. Ze herinnerden aan de tocht die Veurne’s eerste burger telkens weer ondernam, van Veurne tot in Oostende, denk ik, waar zijn moeder woonde. Het was voor mij een tentoonstelling die voor altijd Veurne en dit huis hebben getekend!

De drie kunstenaars die er nu exposeren versterken geen verhaal. Integendeel: ze willen uitblinken door afwezigheid. Wat naar het narratieve neigt werd gebannen. Wat uiteraard niet lukt, al zeker met een dromer als ondergetekende. Wat ze ook neerzetten, ophangen of achterlaten, het zet mijn fantasie aan het werk. En hoe harder ze zich proberen weg te cijferen hoe nadrukkelijker ze aanwezig zijn.

Lukas Vandenabeele bijvoorbeeld, opgeleid in de kunstgeschiedenis, bekend met de architectuur, de wereld van het (dans)theater en van de plastische kunst. Vooral zijn verscheiden en verrassend oeuvre laat me niet los. De ondertussen wat oudere, kale man,  komt een paar keer zelf in beeld, terwijl hij dingen doet waarbij je je afvraagt wat hij nu eigenlijk aan het uitvreten is. Energie! Maar geen brede gebaren. Het lijkt eenvoudig en zelfs logisch, maar toch ongewoon wat hij doet. Het lijkt me ernstig en geestig tegelijk. Het doet er eigenlijk niet toe, denk ik. Zoals zijn zwarte gekraste bomen die op onschuldige orkanen lijken. Zijn eclectisch aanbod boeit me van begin tot einde en ik onthoud vooral zijn niet ingelijste zwarte volumes die lijken te verpulveren, te krimpen, te imploderen. De woorden aan de rand worden meegesleurd. Weg woorden. Weg taal. Geen geleuter. Laat ons wachten op de stilte. Wat overblijft is een gebaar. En de woorden? Die klampen zich nog een wijle vast, maar zijn gedoemd te verdwijnen.

Grandioos – ik vergaap me – vind ik zijn “Verrijzenis van de regen”. Ik benijd zijn weinig geconditioneerd denken en omgaan met de dingen. Niet protserig. Gecomprimeerde intense kracht.

Ik ben niet ingehuurd om reclame te maken voor de tentoonstelling. Maar ook deze blijft in al haar verscheidenheid sterk hangen. Eric Colpaert (die na 20 jaar een soort comeback maakt in het wereldje van de beeldende kunst) laat onder meer een heel verrassend glimmend zwart en spiegelend volume op een glazen sokkel/tafel achter. Onder de sokkel: wat witte tekenbladen met uitsnijdingen. Sjablonen? Tegen de muur onder meer vederlichte, zwevende tekeningen. Dartele, maar toch gecontroleerde soorten ellipsen. Ze appelleren aan even tot stollen gebrachte nog in te vullen dromen van ideële interieurs. Hier lijkt weinig het afwezige goed te benaderen. Altijd op weg? Blijvend zoeken? Knap is ook een hele ruimte met verfijnde Louis XV-kastjes waarin niets dan telkens twee gebogen drumstokjes. Wat elementaire vormen tegen de muur. Schijnbaar achteloos allemaal, maar uitgekiend en gekoesterd als kleinoden.

En voor, tussen en achter heb je de werken van Jean-Marie Bytebier, maar doet de plek er toe? Bytebier, bekend als een van onze sterkste schilders. Van landschappen. Zegt iedereen. En dit denken we met z’n allen. Maar hij ontkent. Verknippen dan maar? Een open gespreid boek met de afbeelding van een landschap (of is het toch geen landschap?) ingelijst op de grond. Flarden van de drager afknippen. Of de drager in compartimenten opdelen. Het helpt geen ene moer, Bytebier! Dicht schilderen maar dat raam? “Mons Mirabilis”. Heerlijk, zo’n raam zonder uitzicht. En toch appellerend aan niets dan boomschors. Te wijten aan de aard van het hout en het gebruiken van verf en kleur. En welllicht nog (veel) meer. Vluchten kan niet meer. “Emergent” (curator Frank Maes) en de drie genodigde kunstenaars doen hun stinkende best om ons op het verkeerde been te zetten.

Voorts gaat het er op het begeleidend foldertje althans, wat intellectualistisch toe. Geen verhaal met zo’n titel, flarden dus, maar, en voorts over kopieën en het origineel. Maar ik begrijp het best. Alvast een beetje. Ik kan alleen maar besluiten dat Bytebier, Colpaert en Vandenabeele heerlijk werk maken dat vooral van eigenzinnigheid en een absolute verfijning getuigt.

JOHAN DEBRUYNE, november 2016

 

 

ZES EN EEN HALF

 

 

 

 

 

 

 

Verjaren…

ZES EN EEN HALF

 

Rond elven ben ik gisterenavond mijn bed in gerold. Ik was toen nog 62. Op zo’n leeftijd rol je je bed in. Te veel, te lang en te laat gesport, zeggen de orthopedisten van Sint-Lucas. In koor bijna. En met enig cynisme. Ook niet goed genoeg, denk ik er wel eens bij. Ik was een amper begeleide en nauwelijks onderlegde balverliefde allrounder die zich in geen enkele sport echt kon vastbijten. Keuzes maken…

Rollen, dus. Kruipen is voor nog later. Ik zie het soms voor me. Geen hoopgevend beeld.

Zoals de meeste nachten, de laatste jaren, heb ik behoorlijk slecht geslapen. Kop. Schouders. Nek. Benen… Ik was al altijd vroeg uit de veren. Ook toen ik nog niet kreupelde en mijn botten soepeler en met zin voor spontaniteit hun opdrachten uitvoerden. Tegenwoordig is 7 uur vaste prik. Dan heb ik al twee keer het radionieuws gehoord en slof ik naar beneden. Ik geniet er dan nog een wijle van de stilte. Van de dag die samen met mij ontwaakt. Nog voor Jefs Zotte Morgen en verbouwingswerken in de buurt.

Tot voor een paar jaar sliep ik als een roos. Van middernacht of later nog, tot na zessen. Die zalige luxe is me sluipenderwijs ontnomen.

Omdat ik tijdens de dag nog steevast ongewild in droommomenten verwijl, verzink ik ’s nachts zelden – ook deze nacht niet – in diepe dromen. Gelukkig maar voor het gehavende lijf, want als ik al in nachtelijke nevelen verdwaal, dan gebeurt dit buikliggelings. En dit kan mijn rug absoluut niet hebben.

Tijdens een van de stonden waarop slapen maar niet lukte, draaide ik me weinig elegant op mijn rug. Ik oefende de krampen uit mijn benen. Maakte er driehoeken mee. Twee dagen geleden – kunst in mijn hoofd – nog door het hobbelige Mons geslenterd. Mijn kunstige tochtjes moet ik altijd een beetje bekopen.

Ik was aan de school aan het denken, iets wat zelden voorkomt. Ik piekerde. Omtrent de 63 die ik ondertussen min of meer geruisloos was geworden. Op school, toen ik les gaf, moest het cijfer na de komma tot een halve punt worden afgerond. Rapporttijd. Alweer. Tweeënzestig (ik rekende altijd op honderd) werd dan een zes, terwijl drieënzestig naar 6,5 werd opgetrokken. Dat afronden naar boven deed me plezier. Ik heb altijd lak gehad aan cijfers, maar hierin was ik – gemakshalve ongetwijfeld – heel strikt. Ik ben vandaag dus eigenlijk 65, dacht ik. Het afronden gaf me voor de eerste keer een rotgevoel.

Rond achten, bij de bakker, liet ik dit niet blijken. Ik verbeet de vele pijntjes. Mijn hoofd zat nog altijd in een wolk, maar toch:  Hey, Nancy! Lang geleden. Een oud-collega uit de journalistieke wereld.

Koffiekoeken. Onze jongste kater zat als een hondje naast mijn stoel te wachten. Geduldig. Nu het wat kouder wordt (hij slaapt al eens buiten, in zijn balkonmandje), neemt hij meteen nadat ik ben opgestaan, mijn zitplaats in.

Na het ontbijt barstte het sms- en e-verkeer los. Voor Facebook was ik nog helemaal niet klaar. Ik las eerst nog het zondagse bakkerskrantje en een dubbelinterview met auteur Bernard Dewulf en psychiater Douwe Draaisma. Ook deze laatste is 63. Dewulf nog een jonkie van 56. Zo begin je blijkbaar te denken als je 63 bent.

Ik zag de dag en het leven al wat meer zitten. Ook de meeste berichtjes trokken me er door. Wensen vergezeld van een citaat van Aldous Huxley, een oud-collega die me steevast “preute” noemt en dat opnieuw deed, twee handgeschreven (jawel!) kaarten in de brievenbus, een kunstenaar die me vraagt om kritisch te blijven, maar tegelijk ook mijn optimisme te bewaren, op de mail het kaft van een mooie monografie waarin een tekst van mij is opgenomen en berichtjes van gewezen leerlingen van me (bedankt voor het respect, Pascal!) kikkerden me op.

Maar toch: drieënzestig?! Ik “boek” maar best een bezoekje aan de huisarts voor mijn jaarlijkse griepvaccin. Dokter Jan. Half november. 10u.45. Done!

 

Ondertussen al een glimp van Facebookberichten opgevangen. Ik bedank iedereen van harte voor de wensen, de kaarten, de zinnen, de fantasie, de knuffels en de kussen voor mijn zes en een half. ‘k Zien eigenlijk ol stief oed. Zal ik proberen om wat minder te zeuren?

Johan Debruyne, 16 oktober 2016

 

 

Deze stad is dezelfde niet meer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DEZE STAD IS DEZELFDE NIET MEER

 

Sinds jij er niet meer bent is onze

kleine stad dezelfde niet meer.

 

Sorry. Bezet. Ja, ook deze.

Ik hou twee stoelen klaar:

een voor mijn zus en een voor haar schwung.

Alleen ik weet dat haar lef en weidse

gebaren pose zijn. Haar gratie is authentiek.

Haar fiets stalt ze bij het postgebouw,

dan steekt ze het marktplein over.

Ik verwacht een kus.

Ergens ver achter mijn oor of een vochtig

exemplaar dicht bij mijn mond.

Haar onvoorspelbaarheid is haar pittigste eigenschap.

Dan komen gulheid, liefde, knuffelen, koesteren…

Hier, op het terras, geven we commentaar.

Voorts kookt ze verfijnd en werkt ze als

een paard. Haar gratie en goede smaak flirten

met een overdosis.

Een vod wordt een kleinood wanneer

zij het ding rond haar hals drapeert.

Ze verbijt de pijn. Vandaag is haar maag er erg

aan toe. Al die rotmedicijnen! Geen koffie met veel melk

deze keer, maar cola. Geen gekleurd water met ijsblokken.

Het flesje, meneer! Kelner terug naar af. Ik amuseer

me heimelijk. Zonnebril in het haar, leesbril

dansend op haar grote borsten. Ze leest even de krant.

We hebben weinig woorden nodig.

Ik denk aan stille, nog net niet koude Antwerpse straten,

de zottigheid van W. Die warme wintersjaal.

Van mij. Voor jou, zei ze. Ik koester hem.

Onverwacht plots lag ze volslagen ongewoon

roerloos in een doorschijnend cocon op Intensive.

Buizen hielden haar nog even in leven.

Toen zag ik weer hoe mooi ze was. Die soms bittere

trek om haar mond was weg, het leed geleden.

 

Wat zegt me dit donkere kunstwerk op het

kerkhof?

Ik ontwar een krachtige kern. Dan gaat het

gracieus de hoogte in. Een sterke, maar tere bloem

*(“De tederste van alle tederheden”)

die nooit voldoende aandacht heeft gekregen.

 

Johan Debruyne, september 2016

*citaat dichter Walter Haesaerts (°Merendree 1935) over mijn zus

 

 

Muizenissen

n.a.v. de toelichting van de fotografische oeuvres (tentoonstellingen “A matter of light”/”Makulatur Art”) van de heren Einfinger en Kriegelstein in Galerie Pinsart (Brugge)

MUIZENISSEN

Tussen het vaak vele en andere heb ik me onlangs op digitale wijze over het fenomeen “Berlijn” gebogen. Met de toetsenspeeltjes die vandaag talloze levens tot in het idiote beheersen, kan ik amper uit de voeten. Hetzelfde geldt voor cijfermateriaal en al wat maar enige technische vaardigheid vereist. Ik voel me dan zo hulpeloos als de nochtans niet van talent gespeende spelers van het Belgisch nationaal voetbalteam wanneer voor de wedstrijd van ze wordt verwacht dat ze de  hymne (toegegeven: een allerminst begeesterend lied) meezingen.

De computer? Dat lukt nog een beetje. Met een voorzichtige, soms beverige klik op de linkerkant van de muis kom ik doorgaans goed terecht. Maar heb ik iets in de geest met de rechterkant van het ding, dan werk ik me gegarandeerd meteen in de nesten. Met die rechterkant kan ik helemaal niet overweg. Maar links… In mijn eentje geraak ik dus wel bij iets wat “Google” heet. Waarom zeg ik dit? Wel, ik vermoed omdat me is gevraagd hier werk toe te lichten van twee bijzonder intelligente mannen die ook nog eens technisch heel bedreven zijn, en ook omdat Berlijn in hun leven een belangrijke plaats inneemt. Ik heb dus gegoogeld en het item “Berlijn” ingetikt. Begrijpelijk dat deze locatie een erg bepalende plaats in je leven of je hart inneemt. Ikzelf ben er een enkele keer geweest en heb er een week lang mijn ogen de kost gegeven. Een intrigerende stad!

Ik las nog maar eens over de geschiedenis van de stad en kwam relatief snel terecht bij de fameuze “luchtbrug” en de vierendeling van de huidige Duitse hoofdstad in een Franse, Engelse, Amerikaanse en Russische sector, wat ik ook al nooit goed heb begrepen, maar dit ligt zonder enige twijfel aan het gebrek aan enthousiasme van mijn oud-leraars geschiedenis. Ik verzeilde in een keizerrijk en in iets wat ooit Pruisen heette. Toen hield ik het voor bekeken. Te complex. Ik dacht bovendien ook weer aan de school, wat voor mij een eerder ziek makende gedachte. Ik had bovendien nog behoorlijk wat schrijfwerk voor de boeg en hoorde met de muis nog tot bij ene Manfred Kriegelstein te geraken.

Ik hoef u niet te vertellen hoe de geschiedenis en de calamiteiten van politici zich helaas voortdurend herhalen. Om aan al de kommer en kwel te ontsnappen loop ik wel eens te zingen. Banale deuntjes. Laatst in Parijs was het er eentje van Bourvil dat in mijn hoofd was blijven hangen. Het had met sla, fruit en liefde te maken. Nu het googelen zo veel verhalen en beelden over Berlijn had opgeroepen was daar plots Toon Hermans-zaliger. Vreemd, want die had het over de Middellandse Zee. Dat die zo blauw was. Zo onbekommerd blauw, blauw, blauw. Ondertussen wordt ons netvlies gebombardeerd met vluchtelingen die er verzuipen.

Ten tijde dat de Nederlandse conferencier het deuntje neerpende was WOII  uitgevochten en was de Koude Oorlog serieus aan het ontdooien. Maar kan je vandaag nog zorgeloos zo’n liedje zingen? Is die Middellandse Zee vandaag niet eerder een massagraf?

Genoeg gemijmerd. Ik had het al over kleur en geschiedenis en dan zitten we heel dicht bij de foto’s van Manfred Kriegelstein en Horst Einfinger. De eerste werd tandarts en bleef in Berlijn. De tweede verzeilde lang geleden in onze kontreien. Einfinger was ingenieur en moest Berlijn verlaten om voor Siemens in Oostkamp iets uit de grond te stampen. Het toeval bepaalde dat hij hier zou blijven hangen. Kriegelstein bleef in Berlijn, maar reisde behoorlijk wat af.

Beiden zijn lid van het gerenommeerde “Deutsche Gesellschaft für Photographie” (“Photographie steeds met 2 “ph’s” geschreven, maar toch niet oubollig. Zelf opgezocht! Die linkermuisklik, weet je wel). Beide heren zaten in tal van jury’s, hebben veel prestigieuze prijzen gewonnen en hun werk is zowat over de hele wereld te zien geweest, niet alleen aan de muren, maar ook in tijdschriften en publicaties, op kalenders. Of dit allemaal zo belangrijk is, weet ik niet en eigenlijk kan het me ook niet zo veel schelen, maar ik zie wat ik zie: fotografie die verbluft en intrigeert!

Wat ik u misschien niet mag onthouden is dat Kriegelstein ook met regelmaat publiceert en zijn kritiek niet spaart. Op zijn site, ook daar geraakte ik dus op halve muizenkracht op, heb ik heel wat hoogtechnologische spielereien gezien, met een enkele keer een duidelijke verwijzing naar het surrealisme en het oeuvre van Dali. Maar wat me hardnekkiger bleef achtervolgen zijn de verpauperde interieurs en zijn sobere, herfstige stillevens. Die verwijzen dan weer eerder naar het sobere en naar de pure eenvoud van Morandi.

Doorgaans word je van Kriegelstein’s werk niet vrolijk. Zoals wanneer hij Havanna laat zien, het Berlijnse Kreuzberg zoals het lang geleden was, verloederde interieurs… Maar steeds weet hij een vorm van diepe zielsschoonheid der dingen met verval te linken en altijd spelen licht, kleur en weerspiegeling een bepalende rol.  

Fotografie heeft vooral met “zien” te maken. En ook met licht en zo veel meer. Ik kan het amper behappen. De resultaten waarop we hier vandaag de ogen uit kunnen kijken, koppelen een immense ervaring aan een open geest voor wat nieuw is, aan geduld, aan metier, aan concept. De fotografie heeft zich in de loop der vele jaren een plaats veroverd in het kunstenlandschap.

Ikzelf heb me een paar keer door Einfinger (wiens oeuvre ik al jaren volg) laten verrassen. Een enkele keer – in Brussel was het – ging ik voelen aan een van zijn foto’s . Een andere keer was het ruiken, omdat ik dacht dat het om een schilderij ging.

Er is geen commotie wanneer wordt bekend gemaakt dat het een fotograaf is die volgende jaar België zal vertegenwoordigen op de Biënnale van Venetië. De stelling dat de schilderkunst omwille van de tijd die verstrijkt tussen het opnemen van een beeld en de weergave ervan de dingen soms of doorgaans zo anders en bijzonder maakt – ik blijf ze trouw, hoor, de schilderkunst – houdt nog maar weinig steek als je weet dat gerenommeerde schilders hun doek vaak eerder af hebben dan fotografen hun foto. En toch blijft zien het allerbelangrijkste. Analoog of digitaal? Hier zullen we het niet over hebben. De mengvormen zijn legio.

Wat we hier vandaag aanschouwen bevat drie thema’s. De galerie wordt in grote mate ingepalmd door Einfinger, die op het gelijkvloers op sublieme wijze met licht speelt: “A Matter of Light”. Het heeft met zien te maken (alweer), met weten waar je moet zijn op welk moment, met geduld, maar deels toch ook met ’s mans positieve karakter en oeverloze energie. Ook mentaal, denk ik, ziet hij – ook al kreunen en kraken zijn botten wel eens – altijd op zijn minst een beetje licht. Een positieve, niets ontziende mens en fotograaf. Het is wonderlijk bijna hoe hij met licht speelt.

In een van de kamers op de verdieping is de naakte vrouw zijn thema. “Body & Soul”. Kriegelstein kreeg dan weer een onderkomen in de met een klein huis uitgebreide galerie. Vanaf nu zal de benedenruimte ervan de kunst van dienst zijn.

Met “Makulatur Art” toont hij een fragment van zijn reeks “Relics of the Russians”. Makulatur betekent onder meer afvallend oud behang papier. Wel, op het juiste moment is de fotograaf in Berlijn binnengedrongen in gebouwen waarin gedurende lange tijd de Russische bezettingsmacht resideerde. De schitterende foto’s getuigen van een belangrijke brok geschiedenis. Vreemd, die Russen deden ook wel eens wat wij deden en wat ik en vele anderen ooit nog hebben gedaan: als er nieuw behang nodig was, dan gingen ook zij eerst krantenpapier aan de muur hangen om de oneffenheden enigszins te camoufleren. Kriegelstein heeft in moeilijke omstandigheden kunnen vastleggen wat er zich onder de vele lagen papier en behang bevond. Flarden van Russische kranten verhullen tal van zaken. Tekens en aantekeningen doen dit evenzeer en dan is er nog de pittige confrontatie met protest: graffiti en kleur. Diepte, kleur, onthulde geheimen… Kriegelstein heeft de realiteit heel vakkundig een beetje naar zijn hand gezet. U heeft gemerkt dat er nooit glas voor de foto’s zit? Dit heeft te maken met het befaamde Hahnemülle-papier waarop de foto’s worden afgedrukt en voorts komen de vele nuances beter tot hun recht.

Wat beide fotografen betreft: kleur of zwart-wit, het maakt amper verschil, altijd is er licht, altijd is er nuance en nooit weet je meteen wat je ziet. Goed kijken, dus, of als het kan: luisteren met je ogen, zoals Maurizio Nannuci in 1939 al suggereerde. Misschien nog een zetje voor u straks nog eens gaat kijken: bij Einfinger dacht ik een enkele keer aan Rothko en Newman.

Johan DEBRUYNE, 11 september 2016

 

 

 

Omran

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Omran

 

Gisteren was de pijn tussen mijn schouderbladen draaglijk. Ik kon dus weer wat langer achter de computer zitten. Tegen de middag reed ik met de auto zowaar naar de fitness om met wat vederlichte oefeningen het lijf enigszins soepel te houden. Hoewel ik onderweg de autoradio niet had aangezet en over hét item van de dag – de schandelijke onderbezetting in rusthuizen of zorghotels – dus niet opnieuw berichten hoorde, werd ik onwillekeurig naar de jaren ’90 terug gekatapulteerd.

Als nakomer en jongste van 7 heb ik mijn moeder 5 jaar (!) lang in een rusthuis bezocht. Elke dag was ik op het appel (er waren er die me hierom gek verklaarden). Ik had van het bestuur van de instelling (een non) kunnen bekomen dat de deur van de kamer (aan het eind van een gang) zowat altijd open mocht blijven, opdat mijn moeder nog een beetje voeling met het “gewone” leven zou hebben. Ze had haar hele leven immers een groot gezin én een bakkerij in een volkse buurt gerund. Nu zat ze gevangen in een kleine kamer. Ze had een kamergenote die alleen nog in staat was om af en toe enig geluid voort te brengen. Fysiek voorts even hulpbehoevend als zij.

Die open deur was voor moeder ontzettend belangrijk. Ik nam mijn werk voor school, krant en tijdschriften en wat ik nog allemaal bekokstoofde gewoon mee. Ach, als kind had ik ook altijd  het liefst aan een met toile cirée bedekte keukentafel gezeten. Wanneer de glanzende tafelbescherming ten onzent er door overvloedig gebruik te “artistiek” begon uit te zien werd hij vervangen door een nieuwe lap uit de Franco-Belge.

Bij een tafel aan het raam keek moeder vanuit haar rolwagen uit op de gang en op de tuin. Af en toe zei ze wat over de vogels. Ik (het kan ook een zus van me zijn geweest) had ook voor een koffiezet gezorgd. Het met regelmaat zetten van koffie gaf de kamer een huiselijke geur. Heel af en toe kraaide de kamergenote wat. Moeders gezondheid was heel precair na een operatie aan de rand van de hersenen, niet uitgevoerd door de chirurg van wie ze gezegd hadden dat hij de ingreep zou uitoefenen, maar door een assistent. Eenmaal verdoofd en in het O.K. van een ziekenhuis ben je nog slechts een ding. Ik heb toen, als veertigjarige, het woord “oedeem” goed leren kennen. En tegelijk ervaren hoe ingrijpend het is in een rusthuis terecht te komen. Ik heb het nu over meer dan 20 jaar geleden en toen was de situatie er al schrijnend. Ik had ook snel in de gaten dat wanneer een van de meest corpulente zusters met regelmaat langs wiegelde, er in de onmiddellijke omgeving dra een dode te betreuren zou vallen. Elk (rust)huis heeft zo zijn gewoontes…

Ik denk er aan, nu die jonge verpleegster uit de biecht heeft geklapt en haar terechte aanklacht zowat alle dagbladen heeft gehaald, en ik zopas het vers gebouwde zorghuis “Ter Potterie” (Brugge) voorbij ben gereden.

In de fitnessruimte ben ik zwijgzamer dan gewoonlijk. Het is bijna middag, het zomert volop en er is amper volk. Aanvankelijk zit ik nog wel met het ochtendnieuws in mijn kop. We worden dan ook dagelijks meermaals om de oren geslagen met steekpartijen in allerhande variaties, met dreigingsniveaus, bommengordels waarmee nu ook kinderen doden maken, met onschuldige mensen die met machetes of messen worden aangevallen, met flikken die zelfs thuis niet meer veilig zijn, met ziekenhuizen die gebombardeerd worden en met presidenten en andere gezagsdragers die liegen dat ze zwart zien. Niemand – al zeker in Syrië niet – weet soms nog wie met wie in oorlog is. Hoe houden al die milities in die puinhopen van wat ooit prachtige steden waren het overzicht? Intussen lijkt het allemaal te wennen. Je wordt er niet gelukkig van, maar je doet voort.

Af en toe slaagt een beeld, doorgaans van een kind dat werd gedood of net van de dood gered, er in om toch wat langer op het netvlies te kleven. Zoals van de week: het iconische beeld van een jongetje dat tijdens luchtaanvallen in de Syrische stad Aleppo aan het eten was en daardoor gered kon worden. Zijn oudere broer Ali, die op dat ogenblik op straat aan het spelen was (gelukkig spelen kinderen nog tijdens de oorlog) kwam om, samen met nog 141 andere kinderen. Niet echt “nieuws” meer, maar de kleine Omran maakte een diepe indruk. In de armen van een volwassen man werd het kind naar een soort ambulance gebracht en helemaal versuft, het gezichtje deels onder het bloed,  op een oranje stoel geplaatst. Het leek beschroomd om het stuitend wangedrag van volwassenen die bommen gooien alsof het niets is. Het wreef na enige tijd behoedzaam aan zijn slapen om te voelen hoe erg het was geraakt en het schaamde zich wellicht ook voor de fotografen die op zulke momenten hun werk blijven doen (fotograferen, dus) en veegde voorzichtig het bloed aan het oranje stoeltje waarop het was achtergelaten.

Levend van onder het puin gehaald! Het leek om een feestelijke gebeurtenis te gaan. En nu? En straks? En morgen? En dan? Ik vroeg het me af. Al enkele dagen laat Omran me niet los. Er was blijkbaar nog een reden waarom het beeld van dit kind in mijn hoofd bleef hangen. De Belgische kunstenares Maen Florin heeft de laatste maanden en jaren een meute mensjes/wezens gemaakt die totaal in zichzelf zijn gekeerd. Intens en blijkbaar onherroepelijk getroffen als ze zijn door een of ander trauma. Momenteel is Florin’s werk nog heel even uitgebreid te bezichtigen in het Kunstenhuis van Watou, maar het kan geen toeval zijn dat ik, toen ze haar sculpturen van volslagen introverte en/of getraumatiseerde wezens in het kunstenhuis van Harelbeke tentoon stelde, het langst bleef hangen bij een jongen die me nu voortdurend aan de kleine Omran doet denken. Het zou een veel oudere broer van hem kunnen zijn. Ouder nog dan Ali. Die was amper 10.  Het beeld van die kerel moet me heel erg hebben geïntrigeerd toen, want ik had iemand gevraagd om een foto te nemen, terwijl ik hem voorzichtig koesterde. Met koesteren moet je in deze context opletten. Het was eigenlijk amper aanraken. Meer niet. In de hoop wat troost te bieden. Aan een beeld! Hoe kan je zo in kunst opgaan? Hoe kan een kunstenaar je zo diep raken?

Kijk, Omran, er is nog een broer van je. Maar wat heeft Omran aan een beeld?

Ik heb de foto’s naast elkaar gelegd. Vooral hun haartooi vertoont veel gelijkenis, maar voorts hun hele houding waarmee ze zich ogenschijnlijk pantseren tegen een wereld vol fysiek en/of mentaal geweld.

Ik wilde Florin’s beeld, dat laat zien hoe – in zijn ruimste betekenis – lelijk ook mooi kan zijn, graag in huis, maar mijn vrouw, mentaal nog veel brozer dan  ondergetekende, zou de dagelijkse confrontatie niet aan kunnen. Kunst stemt me wel vaker melancholisch. Ik kan er tegen. Denk ik. Een beetje ongelukkig zijn, zoals de TV-psychiater beweert. Ik lijk het aan te kunnen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, eind augustus 2016

 

 

 

 

 

 

 

 

Tweeëntwintig jaar later

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Omtrent Kobe en zijn sculpturen)

Tweeëntwintig jaar later

Onlangs werd het me duidelijk wanneer het allemaal had plaats gevonden. Het was even schrikken. De laatste jaren heeft mijn toenemende graad van nostalgie me al met grote regelmaat duidelijk gemaakt hoe snel de tijd gaat. Ze vliegt voorbij. Het leven glijdt als zeezand door je vingers. Ik merk het onder meer aan ouderen naar wie ik in de fleur van hun leven heb opgekeken, aan idolen die verdwenen of nog maar uiterst zelden in het publiek verschijnen, en ik merk het aan zij die ik als kind heb gekend en die nu de kaap van de veertig en zelfs die van de vijftig hebben gerond of zelfs niet eens hebben gehaald. Ik trek maar een streep onder de clichés. Hoewel. “Je bent sneller moe, pa.” Die zin, dat liedje, weet je wel. Maar “pa”? Nee. Dat ben ik niet. Ik hou vooral van katten, dus hoef ik dit zelfs stil niet te horen. Twee katers heb ik. Hebben wij. Ik ben hun almaar krakkemikkiger en strammer wordende butler. Moeizaam volg ik hun onvermoeibaar ritme van binnen-buiten-binnen-buiten. Ik schrijf – dit mag ik hopen – nog behoorlijke zinnen neer. In de vroege ochtend en laat in de avond. En ik oefen ononderbroken in het aanvaarden van de slome fysieke teloorgang. Als het hoofd nog maar een wijle intact blijft!

Het was maar liefst tweeëntwintig jaar geleden dat ik in Zwevegem te gast was, in het atelier van beeldhouwer Kobe. De koffietijd brachten we in een kleine overvolle keuken door. Dit, onder andere, herinner ik me nog behoorlijk levendig. Voorts sculpturen in de tuin die niets gemeen hadden met de gezellige kommerloosheid waarmee hij toen al heel bewust beeldend was begaan. Het afwerken van de lange weg naar plastische eigen(gereid)heid, naar een handelsmerk. De tuin liet voornamelijk oud werk zien, buitenbeentjes, studietijdwerk…

Kobe was zijn artiestennaam. Op de dijk van Knokke-Heist stond voor een van de vele galeries een imposante, immense sculptuur van zijn hand. Een paard. Groenig brons. Het dier stond dwars. Een positie die bij zijn “meester” paste, maar gezien de aard van de sculptuur ook logisch omwille van de zichtbaarheid. Er was ook een ruiter. Of was het een amazone? Ik kwam geregeld in deze mondaine badstad, maar zelden op deze locatie en in de kunstgaleries in de omgeving, dus weet ik het allemaal niet zo precies meer. Er waren nogal wat galerieën met naar mijn gevoel een overdaad aan Cobra-kunst en oogstrelende dingen om het interieur op te smukken. Voor al diegenen die niet bereid zijn om voor pakweg een knap schilderij een meubel de deur te wijzen. Ik weet het: zo werkt het. Of net niet. Omheen een tekening of schilderij of een multiple die men via technische hoogstandjes tot een schilderij had gemanipuleerd of gemetamorfoseerd (van kwatongen kun je veel verwachten) zit het liefst nog een joekel van een lijst. Een “kader” in het West-Vlaams. Ik erger me, maar “mooi ingekaderd staat netjes”, nee? Kunst om te verfraaien. Zo luidt de titel van een monografie, geschreven door een gerespecteerd collega, over kunst in de Brusselse metro. In “Maalbeek” zal men hier nu wel anders over denken. Ook Benoît, de geestelijke vader van de tegelwerken in “Maalbeek”.

Wat ik van tweeëntwintig jaar geleden wel nog met zekerheid weet is dat ik getroffen was door het grote vakmanschap van de kunstenaar. Noem het metier. In de galerie stond kleiner werk. Paarden en vrouwen. Die immense formaten hoefden niet, vond ik. Te protserig. De essentie die Kobe in zijn werk bereikte droeg immers een zekere monumentaliteit in zich. Vooral de marmeren beelden charmeerden. De adering in de steen. Hoe de kunstenaar hier attent en vaak met lef mee om was gegaan.

 

Kobe was het pseudoniem voor Jacques Saelens (°1950). Drie jaar ouder dan ik. Hij de oudste van zeven; ik de jongste van een even uitgebreid nest. Gezellig praten bij het haardvuur was wellicht nooit zijn deel geweest. Ook het mijne niet. Bij ons was het een grote stoof. Met deurtjes. Maar goed, ik zou me meer dan een wijle in Kobe’s oeuvre verdiepen en ben er dus een paar keer op bezoek geweest. Men had me verwittigd: een eigenzinnig man, koppig, kort van stof.

Ik wilde vooral weten hoe hij tot zijn handelsmerk gekomen was: die brede en tegelijk smalle beelden, de oorzaak van de vaak vervelende en onheuse associatie met het oeuvre van Fernando Botero. Ooit zat hij, Kobe, – om medische redenen – een hele poos thuis en kwam er geen materiaal binnen. Uit verveling behielp hij zich op de duur dan maar met wat wél voorhanden was: een breed en smal stuk (hout, vermoed ik) waaruit hij een figuur zou halen. Een ander verhaal voert ons naar het kunstenaarsdorp Pietrasanta (Italië), en meer nog naar het nabijgelegen Carrara. In de buurt van de marmergroeven daar vallen naar verluidt al eens restanten te rapen. Breed en dun. Basiswerktuig waarmee de meeste kunstenaars niets konden noch wilden aanvangen. Al zeker de gevestigde waarden niet. De jonge,  koppige, eigenzinnige Jacques Saelens dus wel.

Een paar jaar later was ik onder meer bijzonder actief in wat socio-cultureel werk wordt genoemd. Naar aanleiding van “Brugge, Europese Culturele Hoofdstad 2002” had ik mij blindelings, mateloos enthousiast en dus compleet gesmeten in een project dat zich zou afspelen in de eerste Brugse sociale wijk.  Wekelijks had ik voor een krantenrecensie nog wel met kunstenaars en galerieën contact, maar Kobe verloor ik uit het oog. Zo gaat dat nu eenmaal. Af en toe zag ik nog eens een werk van hem, maar steeds dacht ik: ik heb het al gezien. Het is – hoewel super fijn, technisch outstanding en oogstrelend mooi – variëren op één thema. Op twee eigenlijk: het paard en de vrouw. En Kobe, die zat – werd me later duidelijk – ondertussen al lang waar hij wilde zijn: in Zuid-Europa. Dichter bij de zon en de blauwe luchten, een wereldvermaarde steengroeve en een culinaire traditie die zijn absolute voorkeur wegdroeg.

Het was zijn zoon, Albin, die in zijn huis in Pietrasanta teksten van mij had gevonden. En het was een uitgeverij van vooral kunstboeken die me contacteerde. Ik kwam te weten dat Kobe twee jaar geleden danig met zijn gezondheid op de sukkel was geraakt, hierdoor ternauwernood nog een tekening op papier kreeg en dat in dit geval het leven voor hem niet meer hoefde. 2014.

Op een zekere dag stond zijn zoon voor mijn deur. Meer zoon van je vader kan je uiterlijk amper zijn. Dat haar, die doordringende ogen, de zuiderse look. Albin, zesentwintig ondertussen. Hij had een bvba opgericht om het werk van zijn vader eer aan te doen. Ik vernam dat ook voor hem Pietrasanta en Carrara geen geheimen meer hebben. Het werk van zijn vader, bij wie hij geregeld op visite was, evenmin. Terwijl ik als criticus gewoon was geworden om me week na week in andere kunstwerken te verdiepen en erover te recenseren, kwam Kobe weer in mijn leven. In die tweeëntwintig jaar was zijn werk nog meer naar de technische perfectie toegegroeid en daarom – vóór nader toezien – misschien wat koel. Duidelijker werd het keurslijf waarin hij zijn oeuvre gemanoeuvreerd had: breed en dun en dan nog eens gevangen in een geometrisch karkas.

Kobe en een keurslijf… Onmogelijk, behalve wanneer het om zijn werk ging en hij zich gewild in dat lijf had gewrongen. Voorts had hij immers al zijn hele leven gecontesteerd tegen al wat gezag was en had hij de pest aan uiterlijk vertoon. Koppig, eigenzinnig en kort van stof. Ik was ooit opvallend vaak verwittigd.

Ik zag foto’s van werken die ik uiteraard niet kende, maar waarin ik meteen Kobe’s hand zag. Ik merkte hoe hij, die ooit zo’n afkeer had van abstractie, deze toch zijn artistieke territorium had binnengelaten. Ik denk dat er geen andere uitweg meer was. Als je binnen zo’n strak kader gaat creëren…  Meer en meer werd de essentie nagestreefd en af en toe eisten details een hoofdrol op. Het verwondert me geenszins dat Kobe er met zijn werk in geslaagd is heel wat mensen gelukkig te maken. Naar zijn publiek toe was dit zijn enige betrachting. Voor hem moest een werk dan weer puntgaaf zijn. Af.

Kobe is niet meer en toch lijkt hij meer dan ooit terug van weg geweest.

Johan DEBRUYNE, augustus 2016

 

Het nieuwe omgaan met de dood

 

 

 

 

 

 

Het nieuwe omgaan met de dood

 

Dat er aardig in gemaaid wordt tegenwoordig, schrijft

een oud-klasgenoot. Ook nu weer werden machines afgekoppeld.

Een hart viel stil. Warm werd koud. Geel werd wit. Lijf werd lijk.

De galeriehouder naar wie ik ooit opkeek was bij de tachtig.

Zestig of net wat meer daarentegen lijkt wat vroeg. In deze tijden.

Onlangs nog fietste een zestiger heen. En danseuse. In de Franse Alpen.

Voorts een zus, een even oude zielsgenoot en de vader van een

jonge vriend. Ook hun hart klopte niet langer.

Veel droefenis in korte tijd. En jij, jij wacht in het antichambre

van het crematorium. Je zit, want je hebt slechte voeten.

Vroeger rouwde je in een kerk. Daar kon je gaan zitten zonder

gêne. Een service die je met stoelgeld betaalde. Er waren

een kist, grote kaarsen en bloemen. Die zijn er nog.

Maar o zo nadrukkelijk vandaag is de aanwezigheid van

grote schermen. Bewegende beelden geven je de illusie dat

de overledene niet echt dood is.

Net als de al dan niet inspirerende muziek verdoezelen de plaatjes

de taal, die doorgaans geweld wordt aangedaan. Het bemoedigt

mij dat haar aandeel terecht is gedecimeerd. Je kijkt naar beelden

of je kijkt heel even weg om te slikken en te zien hoe anderen

meer geïnteresseerd lijken in wie wél nog leeft en hoe die zich

tot elkaar verhouden.

De ceremonie is veranderd, maar de leegte blijft.

Na de kussen, de knuffels en de babbels gaat het leven snel weer

zijn gang. Rouwen… Kunnen we dat nog?

 

Johan DEBRUYNE, juli 2016

 

Kunstwerk & copyright Karolien Soete

 

Watouweg?

Watouweg?

Weer ben ik op weg naar Watou. Ik vind het blindelings, het dorp nabij de Franse grens. In rijd alleen. Dit keer vrouw noch vriend(en) in de auto. Zoals tijdens de voorbije zesendertig (!) zomers sleep ik me straks opnieuw voort (ik heb de onuitwisbare indruk dat het altijd warm tot heet is wanneer ik er het Kunstenfestival bezoek) van zolders naar kelders, van een verlaten hoeve naar een vervallen woninkje of een in onbruik geraakte basisschool… Overal geurt het naar vochtige warmte. Tussen onbewoonde en des winters nimmer verwarmde muren nestelt zich gauw een kleffe geur. Nooit eerder aan gedacht: het “Kunstenfestival Watou” heeft zowaar zijn eigen geur.

Die hoort bij de festivallocaties, net als het zicht op de Mont Noir (en de gedachte aan Marguérite Yourcenar), de gammele trapjes, de verweerde muren en de nadrukkelijk aanwezige leegte tussen verre bomen en golvend groen. En ergens, net buiten de bewoonde kern: de as van een te jong gestorven dichter.

Op deze prille julidag kijk ik vooral uit naar een weerzien met aparte wezens. We gaan blikken ruilen in een volstrekte stilte. Het zijn de geesteskinderen van de Spanjaard Juan Munoz en van de Gentse kunstenares Maen Florin. Omdat Florins wezens op deze editie zo nadrukkelijk aanwezig zijn en zich naadloos inpassen in het thema “mededogen” van deze editie heb ik in <H>ART-magazine behoorlijk ongebreideld de lof gezongen. Niet het vele is goed, maar het goede is veel. Er zijn voldoende argumenten om nog eens een persconferentie bij te wonen, hoewel ik dit soort “officiële” aangelegenheden het liefst aan me voorbij laat gaan.

In de parochiezaal luister ik naar de zware, vermoeide en moedeloos klinkende stem van intendant Jan Moeyaert. Hij houdt een microfoon in de hand. Op de tafel voor hem staat een ongebruikte blauwe gieter. Klein formaat. Mooi ding. “Fier als een gieter” of “afgaan als een gieter”. Het kan met “Watou” beide kanten uit, alludeert hij op het object voor hem, maar ik vermoed dat hij op dit moment al meer weet. Een selectiecommissie is vastbesloten het festival in Watou te begraven. De moedeloosheid in zijn doorrookte stem neemt almaar toe. Hij spreekt lijzig. Ook zijn stem hoort bij “Watou”. Ze past bij de verslagenheid die zich ook van vele aanwezigen meester heeft gemaakt. Pas wanneer iets dreigt te verdwijnen beseffen we de waarde ervan.

Onderweg spookte nog van alles door mijn hoofd. Is dit mijn laatste rit op automatische piloot naar deze plek? Gaat dit unieke festival van beeldende kunst en poëzie nu werkelijk verdwijnen? Moet ik Moeyaert waarschuwen voor het avontuur dat hem straks in Damme wacht? Ik denk ook aan de jaren dat Jan Hoet voor het beeldende aanbod zorgde en aan de avond dat hij probleemloos met mijn vrouw op de foto ging. Aan een tafel, te groot voor een kamer, een gigantisch in elkaar gestuikt kruis, een paardenmolen die nooit meer zou draaien…

Na de woorden van Moeyaert eet ik een enkel exquise bordje “Hommelhof” en begin meteen aan mijn zoektocht naar schoonheid en zin in deze uithoek van West-Vlaanderen. Ik sta versteend te midden een invasie reuzenmieren: “Casa Tomada” van de Columbiaan Rafael Gomezbarros. Bij nader toezien bestaan de mieren uit twee mensenschedels, hun poten zijn takken en om hun lijf zit stof gewrongen van kapot gescheurde kleren. In het Festivalhuis kijk ik verrast hoe Florin haar introverte wezens heeft opgesteld, hoe ze zich samen wapenen tegen de toekomstige blikken van duizenden bezoekers en hoe een kleine meid de handen voor de ogen slaat. Ik aai de bolle kopjes van de Munoz-wezens.  Ze wiebelen op hun eigen kleine wereldbol. Ik lees Hertmans en schrik wanneer de Nederlandse kunstenaar Villevoye me in een gangetje confronteert met de jonge, haveloze Adolf Hitler. Ik zie een geschilderde, beklijvende Frankenstein én een imposant schilderij : “(KOCMOC) – we have never been modern”- van Luk Berghe. De kunstenaar is in de buurt. We maken kennis en op zijn aanraden zet ik een koptelefoon op, kijk ondertussen naar een Zeppelin boven moerassig oorlogsgebied, lees een flard tekst en luister naar marsmuziek. Wat haat ik dit soort gezang, maar nu geeft het me bijna een euforisch gevoel. Ik voel me wat schuldig. Is dit dan toch zingen om de angst te overwinnen? Iets zoals fluiten in het donker?

Ik lees de vergankelijkheid in een beschimmelde… broden kop. Giuseppe Licari. Lees teksten op spiegels. Over “ismen” en over hoe anderen wel zullen nadenken. Gedichten van de jarige Patti Smith. En duidelijker dan Eckart Hahn (“One World”) kan je het niet maken: de hele wereld staat in brand. Triest en enig mooi tegelijk.

Vloeken in de kerk mag niet, maar Samson Kambalu laat er me voetballen. Van op een miniveld trap ik ballen naar een heilig verklaarde doelman. Hij pareert moeiteloos. Op de ballen kleven uitgescheurde Bijbelbladen. Buiten, aan de muur van de dorpskerk, hangt een apothekerskruis. “Cross Reference”. Een doordenker van Peter de Meyer.

Deze “Watou” is straf! Ik krijg er niet genoeg van. Net zoals van de laatste Documenta. Niet omdat de kunst me vrolijk maakt – integendeel -, maar omdat ze zo vaak op een verrassende wijze de rotzooi in de wereld in beeld brengt.

Laten ze Watou straks helemaal inslapen? Op het marktplein laat ik me in het Wethuys verleiden door een bord zoetigheid met koffie. Op het kasticket staat € 13. Dit kan geen toeval zijn. In twee bekertjes naast gettoblasters laat ik een muntstuk vallen. Piketty. Waarom is dit zo anders dan iets voor de voeten van een bedelaar droppen?

Traditiegetrouw lees ik thuis pas de catalogus. Over “De kracht van Mededogen”. Poëzietijd. Geen medebezoeker die me afleiden kan. Er zitten parels tussen. Blij ben ik met dat ene woord van wijlen Jan (van der Hoeven): “AmerIKa”. Voorts al die “ik”-jes her en der.  Het betere werk van kleppers als Hertmans en Verhelst. Maar toch is het weer Wislawa Szymborska die met haar gedicht “Een bijdrage tot de statistiek” alles perfect weet samen te vatten. Daarom dat ik het hierna helemaal overneem. Bijna 90 jaar was Wislawa toen ze in 2012 stierf. Ze had heel veel gezien en met regelmaat een vlijmscherpe poëtische synthese afgeleverd. Er is niets veranderd, schreef ze ooit. Enfin, nauwelijks iets. Alleen de schone schijn is toegenomen, de leugen opgeblazen en “Watou” kwijnt weg in een diepe slaap.

EEN BIJDRAGE TOT DE STATISTIEK

Op elke honderd mensen

 

zijn er tweeënvijftig

die alles beter weten,

 

onzeker van elke stap –

bijna de hele rest,

 

bereid om te helpen,

als het niet te lang duurt

–         wel negenenveertig,

de goedheid zelve,

omdat ze niet anders kunnen

–         vier, nou, misschien vijf,

in staat tot bewondering zonder afgunst

–         achttien,

leven er in voortdurende angst,

voor iemand of iets

–         zevenenzeventig

hebben er talent om gelukkig te zijn

–         ruim twintig, hoogstens,

 

zijn als individu ongevaarlijk,

maar slaan los in de massa

–         in elk geval meer dan de helft

 

zijn wreed,

als de omstandigheden hen, dwingen,

–         hoeveel kun je beter niet weten,

ook niet bij benadering,

 

verstandig als het te laat is

–         niet veel meer

dan voor het te laat is,

 

willen er van het leven alleen dingen

–         veertig,

hoewel ik me hier liever vergis,

 

duiken, een en al pijn, in elkaar,

zonder lantaarn in het donker,

–         drieëntachtig,

vroeg of laat,

 

verdienen er medelijden

–         negenennegentig,

zijn sterfelijk

 

–         honderd op de honderd.

Een getal dat vooralsnog niet verandert.

Wislawa Szymborska

JOHAN DEBRUYNE, begin juli 2016

 

“Glasses”: banale brillen, maar nu geschilderd!

 

“Glasses”: banale brillen, maar nu geschilderd!

Meteen na mijn Plechtige Communie al, dan ben je zo’n dertien, was ik aan een bril toe. Zo’n halve eeuw later weet ik nog precies waar ik – samen met mijn moeder – het montuur ging halen. De naam van de zaak is me ontgaan. Ik mocht er dan wel een beetje kiezen, maar weet nog verdomd goed dat ik vond dat er amper keuze was. Dit laatste zou gelukkig snel veranderen. Op dat moment was een andere jonge Bruggeling, Patrick Hoet om hem bij naam te noemen, op zijn kamertje al volop bezig met het tekenen van… brillen en net zoals in andere sectoren stond ook in deze de tijd niet stil. Ik ben ijdel en was het toen nog meer. Ik had snel door dat je van een mankement je sterkte kon maken. Ik had geen oor naar gezag of gezeur en zou relatief snel kiezen voor een bril die me een zekere allure gaf. Bij het kiezen van een zogenaamd “gedurfd” montuur, waarmee je dan continu rondliep in een bijzonder bekrompen provinciestad, staken populaire figuren als een Michel Pollnareff, om er maar een te noemen, je meer dan een hart onder de riem.

Vervolgens kwam er ook snel de kunstmicrobe. Deze zou leiden naar een kleine, aparte wereld, waar men niet staarde naar een – toegegeven – bizar ding op je neus, waarin ik nu toch al zo’n 40 jaar meedraai. Dat het vandaag en de komende weken of maanden (de advertentie is hieromtrent niet erg duidelijk) in het MAS, het Museum Aan de Stroom op het Antwerps Eilandje om “Glasses” draait, kon me dus moeilijk ontgaan zijn. Om de vijfde verjaardag van die verrassende architectuur op dat heerlijke plekje te vieren toont men er schilderijen van Luc Tuymans, maar dan wel alleen schilderijen waarop de meester brildragers heeft afgebeeld!

Mijn al vroeg verzwakte zicht (ik ben bijziend) is ooit vastgesteld door een dokter van het PMS (het Psycho-Medisch-Sociaal centrum, vandaag CLB). Met jaarlijkse regelmaat moest je daar met de hele klas naar toe voor fysieke en andere proeven en metingen. Veel weet ik er niet meer van (ik zie nog een plein voor me, het bordes en de ramen), alleen dat ik er op zeker ogenblik helemaal naakt stond en heel hard op de rug van mijn hand moest blazen. Ondertussen zat de dienstdoende arts met zijn hand in de buurt van mijn jongeheer. Ik zou pas veel later vernemen dat dit voor mij toch wat vreemd gebeuren te maken had met de lies. En vanmorgen nog zei vriend Jan me dat de dokter alleen zodoende kon zien of mijn nog jonge teelballen zich al behoorlijk hadden genesteld.

Waarom werd daar toch geen woordje uitleg over verschaft? Misschien omdat in dat geval woorden als penis en/of scrotum zouden vallen en misschien lagen die termen de leerkrachten van toen eerder slecht in de mond. Ik kreeg zowaar ooit seksuele voorlichting (een enkel uur in het gehele schooljaar, geloof ik) van een leraar godsdienst. Nu zou ik normaliter voor een keer wel heel goed hebben opgelet, maar ik herinner me van die les helemaal niets meer. Er kwamen vast geen plaatjes bij kijken.

Voorts hadden ze in dat PMS toen ook al commentaar op mijn schouderbladen. Die zouden iets te veel naar buiten gekeerd staan. En ook op mijn “studiementaliteit” was de commentaar verre van (be)lovend: ik kon de aandacht moeilijk houden. Wisten ze op dat centrum veel dat er amper leraars waren die me ook maar enigszins wisten te boeien. Ik verlangde altijd naar de weg van school naar huis, naar de vrienden, naar een bal.

Nu, helemaal ongelijk hebben ze niet gehad: mijn rug is, na tientallen jaren van “zaalsporten” weliswaar, helemaal om zeep (mijn enkels zijn dat ook, maar dit was toen uiteraard nog niet te merken: ik zou pas tijdens mijn adolescentie platvoeten kweken) en mijn ogen zouden nooit een scherp wapen worden. Jaren geleden is het tot laseren gekomen, maar nog steeds draag ik een bril. Ik ben dit neusgarnituur onderhand zo gewend dat wanneer ik mijn bril niet aan heb het lijkt alsof ik geen kleren draag. Ik doe de bril alleen af om te slapen, te lezen, om te praten met mensen die ik vertrouw en wanneer ik – op zondagochtend bijvoorbeeld – de rotzooi om me heen nog niet in volle scherpte wil zien. De samenleving bijvoorbeeld. En sporten? Dit deed ik met lenzen.

Nu weet ik na al die jaren van recenseren en het lezen van recensies, teksten, essays en boeken omtrent beeldende kunst, hoe graag men in dat wereldje met moeilijke woorden strooit. Doorgaans, denk ik wel vaker, om dingen die men niet begrijpt toch maar in taal te vatten. Ook titels van tentoonstellingen bezorgen me vaak binnenpretjes. Zoiets als “This is not a landscape”, terwijl je niets anders ziet dan geschilderde landschappen. Enfin, een tentoonstelling moet een naam hebben.

Dezer dagen maakt De Standaard, de kwaliteitskrant, weet je wel, paginagroot reclame voor de tentoonstelling “Glasses” in het jarige MAS.  Ik moet lachen als ik de tekst lees onder een gebrilde, door Tuymans geschilderde gebrilde kop. De krant heeft het over een atypisch thema in de schilderkunst: de bril. En dan de meester zelf: “Een bril brengt een soort van distorsie van het gezicht, zorgt voor een identiteit en tegelijkertijd een maskering. De banaliteit van de bril krijgt door hem te schilderen een andere betekenis…” Het klopt allemaal als een bus en ik denk aan de lang overleden conferencier Wim Sonnevelt als “Frater Venantius”, maar nu weten ontwerpers als Patrick Hoet en Tim Vansteenbergen tenminste dat ze banale dingen creëren en dat die banaliteit pas verdwijnt wanneer ze geschilderd is…

Ik zag deze week trouwens een foto van mensen in het San Francisco Museum of Modern Art. Een grapjas had een bril op de grond gelegd en iedereen dacht meteen dat het een kunstwerk was. Als gekken begonnen de bezoekers het montuur te fotograferen. Ik begrijp vandaag beter dan ooit waarom mijn vrouw, als ik ze meekrijg naar een tentoonstelling van actuele kunst, al eens  vreemd en bevragend in mijn richting kijkt.

Deze week heb ik een sportieve vriend proberen uit te leggen waarom ik zo gek ben op de abstracte doekjes, een paar vlakken verf, van Raoul De Keyser. Ik heb gezweet…

Brillen… Uiteraard doet een bril iets met een persoon. Zelfs een bril zonder montuur doet dat. Maar daar zo’n poeha om maken. Kortelings zag ik een oud-leraar van me. De man was boodschappen aan het doen. Het was een totaal onverwacht weerzien. Hij moet zo stilaan naar de negentig toe gaan en ik had hem nooit anders dan keurig in het pak geweten. Nu droeg hij een jeans en sneakers. Broek en schoenen gaven de man een totaal andere uitstraling. Meer ga ik er niet over zeggen of ik verval zelf in woordenkraam. Maar goed nieuws dus voor het MAS. Een suggestie voor de tiende verjaardag: ouwe bokken in een jeans en op sneakers.

JOHAN DEBRUYNE, eind mei 2016