Almaar een beetje meer alleen

Almaar een beetje meer alleen

 

Ik heb me zelden zo ellendig gevoeld als gisteren. Zelfs het banale dagelijkse ritme leek tot stilstand gekomen. Ik had met moeë ogen wat krantenbijlagen gelezen, maar de paar boeken op ontdekking binnen handbereik bleven weer onaangeroerd. Ook “De Bekeerlinge” van Hertmans. Heerlijk boek, zei Maen net nog aan de telefoon. Het maakt me moedeloos dat het zorgvuldig en met mate aangevoerde boekenvoer me niet aanzet tot lezen. Vlucht ik dan weer naar het bureau om wat me dwars zit vorm te geven? Zelfs hiervoor ontbreken me moed en kracht. Mijn computer (een recent exemplaar), samen met de auto het enige technische ding waarop ik zorgeloos een beroep wens te doen, speelt me ook parten. De laatste dagen aanvaardt het ding zelfs lettergrootte “14” niet. Ik heb een relatief groot scherm en om zonder bril te werken gebruik ik dat cijfer al tijden! Kleiner gaat niet. Wanneer ik erin slaag de infobalk bovenaan toch voor even zichtbaar te maken, druk ik dan maar op zestien. En hier zit ik nu dus, joekels van letters te typen. Het stoort me, want zo belangrijk zijn de woorden niet.

Ik weet wel: ik hoor nu even niet te lezen, noch zelf dingen in taal om te zetten. Ondanks een meer dan tijdige vaccinatie tegen griep werden L. en ik geveld. Samen. Ik ben gedoemd tot dutten en slapen. Vanmorgen voerde Lotje een aantal broden aan – ik eet steevast speltbrood van een welbepaalde bakker – en een jonge oud-collega is in een warenhuis een winkelkar gaan vullen. Ik mag niet buiten. Het zou ook niet lukken. Ik heb alle afspraken afgemeld en hoop over een week weer wat aan de slag te kunnen. Ik heb wel leren nietsdoen, maar het mag niet te lang duren. Een stratenloper met huisarrest…

L. is ontieglijk harder geveld dan ik. Zij kan amper op haar benen staan, krijgt geen hap binnen, braakt meteen weer uit wat ze toch door haar keel probeert te krijgen en haar tanden klapperen als castagnetten. Van meters ver hoor ik haar nu naar me toe schuifelen. Haar hele lijf huivert in haar wollige kamerjas. Voor haar had ik de dokter gebeld. Correctie: dokteres. Wanneer het er op aankomt opteert L. toch nog altijd voor vrouwelijke kunde en kennis. Mij maakt dat niets uit. Het is zoals met beeldende kunst. Of het werk nu van een man of een vrouw is. Het speelt geen rol. Ik zie het doorgaans niet. Voel het niet.

Op een ochtend had ik met een paar jongere, sportieve en handige kerels nog een zwaar “familiestuk” vervoerd, maar ik voelde de bui al hangen. Ik had het zweten. Ook letterlijk. Ik heb dus goed naar de dokteres geluisterd. Zes weken zal het duren, zei ze. Bijna wanhopig keek ik de andere kant uit.

Voor L. zit er niets anders op dan het bed. Platte rust, wat medicijnen, een fles water op het nachtkastje, uitzieken zoals dat heet, en tegelijk zorgen voor voldoende vocht en suiker. Mijn bed en ik? Geen beste maatjes. Ik zal het bij de zetel houden. De kat op schoot.

Een paar weken geleden hebben we onze oudste kater laten inslapen. Poesjkin was deels zijn zicht kwijt en lang niet meer de jager die hij altijd was geweest. Omdat zijn eveneens geadopteerde broer de eerste weken zijn draai niet vond en leek te treuren en te zoeken, hadden we zowat overal kartonnen dozen en mandjes gezet. Overal handdoeken in. Het was wennen voor Wieb. Hij was dan wel fysiek veruit de sterkste, maar Poesjkin was sluwer. Onze zorg zou niet worden beloond. Niet dat Wieb nu niet relatief snel en met onloochenbare fierheid wél op tafel zat – wat voorheen Poesjkins (licht, vinnig en razendsnel) domein was -, maar omdat L. echt het bed nauwelijks uit raakte, nam ik het huishouden helemaal over, het ophalen van de rolluiken aan de straatkant incluis. Het feit dat een van de slaapplekjes net onder een rol was geplaatst waarmee je een luik op- en neerlaat, leidde tot een valpartij die ik zelfs niet meer kan navertellen. Al wat ik nog weet is dat ik tollend enkele keramieken sculpturen heb vermeden, dat ik uit mijn wenkbrauw bloedde als een rund en dat doodzieke L. plots naast me stond. Even werd overwogen om een zogenaamde wachtdokter op te bellen, maar daar heb ik niet zulke goeie herinneringen aan, en de moed om op een of andere manier op de spoedgevallen te geraken was er ook niet. Gelukkig duurde het felle bloeden niet zo erg lang.

Ondertussen zijn we enkele dagen verder en is mijn lijf her en der verkleurd. Mijn oog spant de kroon. Het is herfst op mijn lijf: de kleuren veranderen elke dag.

Gebroken en nog steeds slapjes lig ik in mijn zetel. Telefoonnummers die ik niet ken beantwoord ik niet. Nooit. Na de zoveelste slaapsessie zie ik dat mijn zus heeft gebeld. Mijn enige zus nog. Ik had er ooit drie die er altijd voor het kakkersnest waren. Meestal belt Roos wanneer ze iets kunstigs in de zin heeft of ergens wil geraken (ze rijdt geen auto) waar haar man absoluut geen zin in heeft. Ze heeft ze het over de familie. Onlangs was er in het ouderlijk huis, nu een restaurant, een reünie. Amper een jaar geleden ben ik een zus aan kanker verloren. Een diep gemis. We zagen mekaar geregeld en hadden veel gemeen. Het overvalt me de laatste tijd vaker, niet een vorm van eenzaamheid, maar een gevoel van tergend sluimerend alleen-zijn. Ooit waren we met zeven. Een warm nest. Vandaag nog met vier. De gedachte om er ooit helemaal in mijn eentje voor te staan, schrikt me wel eens af. Maakt me al eens neerslachtig.

Er zijn ook de werken aan het huis. Het is een al oude, gezellige stek, maar ze heeft klappen (lees: schokken) gekregen toen in de buurt grote infrastructuurwerken hun beloop kenden. Nogal wat zelfstandigen in de buurt werden wanhopig en hielden de zaken voor bekeken.

Ondertussen heeft vocht de rolluikkast van mijn werkkamer bereikt. De gordijnen zijn node weggenomen, mijn werktafel staat nu verder van het raam, het afdakje voor de katten werd uitgebroken en de foto’s van mijn vader en die van mijn twee neefjes staan tegen de muur. Te wachten. Net zoals wij op het nieuwe dak en de schilderwerken. De twee lege plekken doen pijn. Ik wacht ook op tekeningen van Sara. Ze tekent heel bijzonder. Ik wil er graag een paar voor bij mijn verhalen van dagelijks zeer. Ik denk dat ze voor een glimlach kunnen zorgen.

 

Johan DEBRUYNE, februari 2017

 

Spel(l)ing

Spel(l)ing

 

Na het leegmaken van de brievenbus, een oogopslag voor een schimmig contact met het leven buiten, het ten dele voorspelbare gedoe met kater Wieb, het ontbijt en het lezen van een enkele tastbare krant, slof ik richting slaapkamer. De tred waarmee ik de slaapruimte nader zegt wellicht alles over hoe ik me voel. Het wintert nog steeds, maar voor het eerst is het minder koud. Het vriest niet langer. De badkamerdeur blijft dicht. Ik wilde even “hermetisch dicht” schrijven, maar in ons gezellige oude huis, is dit adjectief niet op zijn plaats. Voor de douche is het nog zo’n kwartier te vroeg.

Omdat de kleerkast zo immens groot is (het enige meubel dat we in al die jaren zijn blijven gedogen), hebben we 20 jaar geleden – toen we hier onze intrek namen – van de oude slaapkamerdeur een schuifding gemaakt. Een handige schrijnwerker had dit bedacht. Als we niets om handen hebben geraken we comfortabel binnen. Met een stofzuiger in het kielzog wordt het al mikken. Ik vraag me af hoe L. dat met de wasmand doet.

Het is een winters ritueel: ik schuif het ding dicht (’s nachts blijft het open om de kamer te verluchten) en zet de verwarming aan. L. slaapt nog. Van bij de kast gooi ik – (vrijwel altijd) speels – een verse onderbroek op het bed, waarna ik op een opgerold rubberen matje af stap om het ding aan het voeteneinde te ontrollen. Het is frenetiek, maar bepaald kunstig gehavend: ooit zette Poesjkin er met regelmaat en nijd zijn scherpe nageltjes in (de gedachte aan Lucio Fontana is nooit ver). Onze sluwe, mooie kater ging onbewust artistiek te keer wanneer hij vond dat zijn baasje te lang zijn horizontale positie aanhield en geen aanstalten leek te maken om naar beneden te gaan…

Op het matje probeer ik mijn bekken zo soepel mogelijk houden. Het bovenste gedeelte van mijn rug is broos geworden. Een bron van continue kwelling. Lumbaal – dat lieten röntgenfoto’s al altijd constateren – zit er nog voldoende speling tussen de wervelschijven. Ik streef een status-quo na. Reumatologen, orthopedisten, kinesisten en sportfanaten hebben me de voorbijgaande jaren duidelijk gemaakt welke oefeningen ik nog wél kan doen. Ook wat ik in mijn fysieke toestand maar niét meer moet proberen. Mijn ochtendlijke gymnastieksessie duurt zo’n kwartier. Bewegen, tellen, naar het plafond staren, plannen maken, wegdromen en alweer vergeten wat ik had gepland. Vervelende, maar noodzakelijke routine.

Nadat de souplesse is gevoederd, ben ik klaar voor de dag. Wanneer ik even later uit de douchecel stap, besluit ik of ik die dag al of niet mijn bril opzet. Blijf ik de hele dag binnen of staan er “verre” boodschappen op het programma? Word ik ergens verwacht? Ga ik naar kunst kijken? Is er een opdracht? Thuis red ik het zonder bril, maar eens de voordeur achter me dicht – zeker als ik de auto vandoen heb – moet het zicht scherper. Ik vind het echter verleidelijk om de wereld enigszins omfloerst waar te nemen.

Ondertussen is ook L. het bed uit en in de krant wat opgeschoten. Het gebeurt zelden, maar plots schuift het slaapkamerhout zachtjes open. Ze steekt haar hoofd binnen, kijkt naar haar liggende echtgenoot in zijn nauwe fitnessstrook en vraagt met verontwaardiging in haar stem: “Ook gelezen? Spelling en luisteren zijn op school niet meer belangrijk!” “En of”, antwoordde ik. Maar ik was klaar met dit (nieuws)item. Over het onderwijs zijn al zo vaak ballonnetjes opgelaten en de bevoegde minister blijft er maar op los ratelen. Tettertrien. L., ooit wetenschappelijk opgeleid, weet dat spelling en zogenaamde “luisteroefeningen” indertijd tot mijn dada’s behoorden.

Na tal van onderwijsjaren wist ik hoe je een en ander aantrekkelijk, zinvol en nuttig kon maken. Ik had uiteindelijk ook wel een beetje toegegeven aan de druk tot opleuken. Dictees waren vervangen door korte artikels uit de krant. Een 5-tal zinnen. Meestal vond ik die al op de voorpagina. Ik las het stukje voor en we hadden een gesprek, de leerlingen en ik. Hun mening en hoe ze die verwoord kregen waren leerrijk. Op het einde van de les dicteerde ik de zinnen. Als toemaatje bleef dan nog het zoeken naar een taalfout. De kranten staat er bol van. De taalkennis kalft danig af en fouten zijn schering en inslag. Op wat “eindredactie” wordt genoemd werd bij de kranten het eerst bespaard.

Ook luisteren stond hoog op de agenda. Teksten van Boudewijn, van Zjef, de zingende architect, Herman Van Veen, Robert Long… Mocht ik vandaag nog voor de klas staan, dan zou ik ze zelfs met “Ploegsteert” en Frank Vandenbroucke hebben kunnen ontroeren… Het was telkens stil om zo veel (talige) schoonheid. Nadien werd gezongen. Ik denk nog vaak aan de video over het leven van Julien Schoenaerts, theaterlegende en vader van. Het sprak ze aan, van 13 tot 19. En ouder.

Maar spelling… Een paar jaar geleden werd ik met koorts het ziekenhuis in gereden. Ik gaf les in meerdere scholen, schreef voor diverse kranten en tijdschriften en was geobsedeerd-ambitieus bezig met socio-cultureel werk. Te veel van het goede. Ik was met mijn kop tegen de muur gelopen. Een paar maanden later en eindelijk aan de beterhand had iemand het over een “bore-out”. Ik wist er niet eens het bestaan van. “Je verveelde je”, zei hij. Ik herinner me dat ik tijdens de examens tussen de banken laveerde om te kijken of er niet werd gespiekt. Verplicht nummer. Bij een examen Nederlands was de spelling van de studenten verteerbaar. Maar soms moest ik “bijzitten” op een examen geschiedenis of aardrijkskunde. Wat er dan te lezen viel! Een paar keer wees ik een examinandus op het feit dat aan deze of gene werkwoordsvorm iets scheelde. De onverschillige blik in mijn richting deed me op de duur denken: wat doe ik hier al meer dan dertig jaar?

Ik zei L. nog dat het allemaal “naar de wuppe” is (“Het Zesde Metaal” is onmiskenbaar de eerste in het dialect zingende groep die mijn hart weet te veroveren) en dat ik niet meer dan een passant was geweest.

Enfin. Dinsdag komen ze aan ons huis werken. Het heeft water geslikt. Een van de gevolgen is dat de rolluiken van mijn bureau muurvast zitten. Ik maak me zorgen nu om het huis. Met het onderwijs ben ik klaar. Ik maal niet langer om het nieuws van de zoveelste directeur die alweer een politieke benoeming blijkt te zijn. Ik heb het meer dan dertig jaar meegemaakt. Beslissingen (al dan niet aanvaarden) en oekazes (liefst niet uitvoeren) van luitjes die al jaren niet meer voor de klas stonden, maar wel een partijkaart bezaten.

Terug in de woonkamer haalde ik de rolluiken omhoog, opdat Wieb vanop de vensterbank boven de radiator, opnieuw zijn domein de gaten kon houden.

 

Johan Debruyne, eind januari 2016

 

Blauwe Toren

Blauwe Toren 3

Blauwe Toren

Daar zaten we dan. Een paar minuten eerder hadden we een zogenaamde uitvaartaula verlaten. Daar waren foto’s geprojecteerd. Met betraande ogen hadden we een leven zien passeren. Een leven in momenten. Met verre sprongen die soms beangstigend dichtbij leken. Voor de kinderjaren, die van het puberen, de sinds lang verdwenen dancings en het verliefd worden hadden we mekaar te laat leren kennen. Deel één van haar bestaan was voor ons onbekend terrein. Nieuw, vermoed en enigszins verrassend, en tegelijk voorbij: bizar. Op de beelden getuigde M. van levensvreugde, eigenzinnigheid en zorgeloosheid. Een enkele keer poseerde ze gretig ondeugend. Deze eigenschappen verbaasden niet.

We hadden ook naar “passende” muziek geluisterd. En naar een synopsis van een meedogenloos abrupt gestopt leven. Een sterke vrouw van 65. De vrouw van een vriend. Een vriendin. In amper een jaar tijd helemaal door kanker leeg gevreten.

Ik ben behoorlijk “afwezig”. Altijd op dit soort momenten. In mezelf gekeerd mijd ik de meeste ons bekende aanwezigen. Mijn hoofd zit in een wolk. Mist. De dood went nooit. Af en toe kijk ik weg. Naar het groen buiten. Naar een waterplas. M. was almaar lichter en brozer geworden. Op het laatst leek ze breekbaar als porselein. Haar hoofdje kleiner. Naar wat zich daarbinnen afspeelde was ik benieuwd, maar durfde niets te vragen. Het korte grijze haar stond haar goed.

Amper een jaar geleden werd mijn jongste zus uit mijn dagelijks bestaan weggerukt. Eerst langzaam (een lijdensweg waarlangs ze vaak stil en eenzaam kreunde), maar uiteindelijk onverwacht abrupt. Een oncoloog had ook haar een grotere kans op genezing beloofd. Nog een portie gerekt leven voorgespiegeld. Noppes.

Het is niet de eerste keer dat ik op deze plek kom. Met het ouder worden, het afkalven van het traditionele “afscheid” in kerken of kapellen, en het drastisch toenemen van het aantal crematies, kom je hier vanzelf almaar vaker dan je lief is.

De Blauwe Toren. Zo heet deze site aan de rand van de stad. Een blauwe toren. Heb ik die blikvanger dan telkens gemist? Het dierenasiel, waar naar verluidt relatief snel naar een “verlossende” injectie wordt gegrepen, ook een locatie waar leven en dood tegen elkaar aan schurken, bevindt zich op wandelafstand en draagt ook het woord blauw in zijn naam. Daarna komt “kruis”… Hier komt het leed thuis.

Ik erger me niet meer aan de “kunstwerken” die het gebouw een meerwaarde zouden kunnen geven. Wat er hangt is een dilettantisch allegaartje. Je kan er van uitgaan dat mensen in deze omstandigheden geen boodschap aan kunst hebben. Toch weet ik van aanverwante, grotere en meer eigentijdse locaties, elders in Vlaanderen, dat er kunstenaars zijn die zo’n ruimte wél meer betekenis kunnen geven. Vertroosting. Schoonheid en creativiteit die het verdriet temperen.

Als een van de eersten stappen mijn vrouw en ik traag en nog enigszins verdwaasd naar de nabije, tot restauratie omgebouwde hoeve. Achter het alles insluitende glas staat een tweetal kitscherige clowns. Als die bedoeld zijn om passanten aan het lachen te brengen… Beschamend! Maar ik erger me nauwelijks. Het verdriet is te groot. Waar de rouwmaaltijd – gespreid over een lange tafel – wacht, wordt allengs al eens gelachen. Het leven gaat verder. Het was een ongewoon late dienst. Pal op de middag. De jaarwisseling is duidelijk ongenadig geweest.

Wordt M. straks uitgestrooid? Een half uur geleden hebben we nog rozenblaadjes op haar kist gelegd. Of neemt haar man de as in een urne mee naar huis? Er worden vragen gesteld. En we praten met de tafelgenoten die we kennen, en met vreemden. We ontwaken langzaam uit een soort verdoving. De jassen hangen in een kast. Familie, wat vrienden en buren. “Intieme kring” moet zoiets heten. L. wil niet verast worden. Een andere vriendin wil dat haar as op zee wordt uitgestrooid. En wanneer ze lang genoeg met een vragende blik naar mij kijken, uit ik de wens dat wat van mij over blijft in de Franse Alpen wordt uitgestrooid. Ik was er meermaals. Maar die ene keer, in volle zomer, in dat dorpje… Guillèstre. In mijn eentje zou ik er in de omgeving op zoek gaan naar marmotten. De natuur maakte toen een diepe indruk op me. Zou doodgaan daar dan minder ingrijpend zijn? Of is het andersom? Heeft daar, in het aanschijn van die imposante bergen met besneeuwde toppen, daar waar je je nietigheid zo sterk aanvoelt, het wegvallen van (menselijk) leven minder impact? Of net niet?

Nee, ik zal vermoedelijk niet verast worden. Ik blijf bij L. Nu al bijna 40 jaar. En ook nog na mijn dood. Begraven moeten ze ons – dit hebben we afgesproken – op het mooie Stedelijke Kerkhof. Onder een knap stuk natuursteen. En waarom niet uit de Alpen?

Er wordt gegeten en gedronken. Naarmate de middag vordert worden sommigen wat cynisch, ondeugend zoals M. kon zijn, en gauw gaat het over koetjes en kalfjes. Af en toe ook nog over M. Drie uur later vertrekken we – doodmoe – terug naar huis. We zullen uren slapen.

Tegen de volgende middag smeekt mijn hoofd om een portie verse lucht. Ik stap de Ezelpoort door, een enkele lange straat en twee bochten. Voor ik aan de Grote Markt kom, sla ik links af. Daar kan ik naar boeken en brillen kijken. Er is lekkere koffie in de buurt.

Wat gewoon is, komt me vreemd voor. Ik heb rotdagen achter de rug. Toen M. stierf, hadden we net onze oudste kater laten inslapen. En ook in Wallonië keek een jong familielid de dood in de ogen.

Plots komt mijn vechtlust terug. Ik word nog maar eens geconfronteerd met de wansmaak van onze lokale overheid. Waar ooit een schreeuwlelijke bushalte en bronzen beelden me irriteerden, staat nu iets wat een modern openbaar toilet moet voorstellen. Ik heb helemaal niets tegen het stevige lapidaire groene straatmeubilair vlak bij de bieb, maar mag het voor een gewezen Europese Culturele Hoofdstad een tikkeltje meer zijn? Vooral de kant met de drie urinoirs achter een doorschijnend stuk polyester. Terwijl je plast (je moet je plas nog even ophouden, want het ding is nog niet gebruiksklaar) kijk je op een witte strook. Kon daar nu niet iets artistieks op worden aangebracht? Iets ludieks eventueel? Desnoods een met het hoekige karakter van het ding confronterende poppenkastzicht van een flard Brugge. Zo van: zelfs als je in deze stad gaat plassen blijf je naar schoons kijken. Zelfs plassen in Brugge die Scone: een beleving!

Ik denk onwillekeurig aan Münster, waar ze (tijdens een 10-jaarlijks kunstenfestival) ooit eens hebben laten zien hoe sfeervol en mooi een openbaar toilet kan zijn, en aan creaties van kunstenaars als Matthieu Lobelle en Jonas Vansteenkiste. Onder anderen. Kon de verantwoordelijke schepen die “toiletspecialisten” niet samen aan tafel brengen met enkele kunstenaars? Zou dit geen natuurlijke reflex moeten zijn in een stad die zich een cultuurstad noemt?

Hoewel zelf gekroonde fietsstad, lijkt Brugge de pedalen kwijt. Er wordt uitzinnig gedaan wanneer bier ondergronds naar de tap stroomt en gepocht dat je in luttele minuten de geschiedenis van de stad beleeft wanneer je het “Historium” binnen stapt. Dat de rode gloed van een Kruidvat de Grote Markt bezoedelt lijkt de beleidsdames en -heren niet te deren. We heffen het glas op een Chocolade-, Friet-, Lampen- en Foltermuseum…

Ooit was ik zo naïef te pleiten voor een kwalitatieve invulling van “eerbiedwaardige” locaties…

JOHAN DEBRUYNE, januari 2017

 

 

Wensen

WENSEN

 

“Wensen zijn alleen maar mooi wanneer ze onvervulbaar zijn.” Het zou ooit door Herman Van Veen geciteerd zijn.

Het was Sabine die me dit schreef. Als een soort reactie op mijn wenskaart voor 2017. Veel te wensen had ik overigens niet. Hopend dat het nog niet allemaal naar de wup(pe) is, had ik voor een indringend beeld van de hand van Maen Florin gekozen met daarrond een citaat van Epicurus. Een vingerwijzing voor zij die nooit genoeg hebben of schandalig veel verdienen, terwijl ik voor de buis zit te janken wanneer twee broers, fans van “mijn” Club Brugge, tijdens “De Warmste Week” met een slordige 2000 euro (opgehaald tijdens de begrafenis) naar De Schorre in Boom trekken, nadat hun oudste broer zich van het leven had beroofd. Ik slaag er almaar moeilijker in de vrolijke Jan uit te hangen. Ik woon nochtans heel dicht bij een kleine stede die ze wel eens een pretpark noemen…

Ik heb enige tijd met de idee gespeeld om voor het eerst in jaren geen wenskaart in mekaar te (laten) knutselen. Ik doe mijn stinkende best om er elk jaar opnieuw iets bijzonders van te maken. Ik veranderde pas van gedacht toen ik het dunne boekje van de Franse schrijver Daniel Klein las: “De wijsheid van een tandeloze glimlach”. Het komt er op neer dat de auteur op zijn 72ste te horen krijgt dat zijn niet meer zo frisse gebit aan een implantaat toe is. Dit “bijschaven” van lijf en leden wordt van dan af een gespreksthema onder vrienden en vriendinnen, waarbij het Klein opvalt dat nogal wat vrienden en vriendinnen al (veel) eerder hun lichaam hebben laten verbouwen en dit bovendien de normaalste zaak van de wereld vinden. Klein verwijlt op zeker ogenblik op het Griekse eiland Hydra, waar zeventigers samen linzen eten, het leven onnoemlijk eenvoudiger lijkt, niet van implantaten wordt gesproken en monden waarin nogal wat tanden ontbreken heel wijze dingen zeggen.

Sinds nieuwsberichten en journaals me meer dan ooit deprimeren, volg ik ze minder rigoureus. Eufemismen zijn leugens geworden. Ik lees nog wat kranten, blijf me vermeien in beeldende kunst en literatuur, maar vooral ’s avonds prefereer ik de absolute stilte. Ik wil niet langer ononderbroken naar mensen kijken die lijden, gebombardeerd worden, verdrinken, achter hekkens worden gedreven en als beesten behandeld. Ik wil geen liegende politici meer horen. En ik voel – mede door de toenemende artrose waaraan ik onderhevig ben – niet veel zin meer om (al was het maar) even het hele zootje te ontvluchten. Om op een trein of in een vliegtuig te gaan zitten. Ik heb de moed niet.

Er is almaar minder comfort en alles om je heen wordt hectischer. Ik zie opnieuw beelden van vliegtuigen die neerstorten, van drukke Japanse straten die bezwijken onder het gewicht van overhand toenemend verkeer, ik ben op mijn hoede voor zogenaamde “lone wolves” die niet in hun dooie eentje naar het Paradijs willen, nooit zie ik nog het eindeloos perspectief van treinsporen waar géén mensen op lopen, en zelfs wanneer ik de trein naar pakweg een stad als Antwerpen neem, twijfel ik continu of het ding er ooit wel zal arriveren. De auto, dat gaat nog, maar je staat vaker stil dan je rijdt.

Hoe kommerloos anders was het niet toen ik op de trein naar Marseille zat? In 2003. Mijn weinig ontwikkeld oriënteringsvermogen had me nog maar eens in de steek gelaten, net als de nonchalante Fransen achter hun balies, want ik moest eigenlijk talloze kilometers noordoostwaarts terugkeren om marmotten te gaan spotten. Die rakkers vind je trouwens niet beneden de 1500 meter. Maar ik was niet nerveus, hoewel ik er pas tegen middernacht zou aankomen. Ik had me gezellig geïnstalleerd, schreef af en toe wat en genoot van het landschap.

Spelen mijn 63 lentes en het feit dat ik in de vroege ochtend amper op een aanvaardbare manier in mijn kleren geraak een rol? Deels wellicht. Voorts – dit heb ik leren aanvaarden – neemt de routine het stilaan over, net zoals de ongemakken. En bovendien gaat de tijd almaar sneller. Zo lijkt het toch.

Dus, wat kan ik mijn schaarse vrienden en talloze kennissen nog wensen? Iets van Epicurus. Een soort late journalistieke reflex. Ik geef toe: dat belerende krijg ik er moeilijk uit. En nu schrijft Sabine dit. Dus toch maar weer wensen volgend jaar. Bij leven en welzijn. En het liefst zo onhaalbaar mogelijk!

Over mijn lang geleden overleden vader schrijf ik aan een wat langer verhaal. Een soort novelle. In brokken en stukken, met horten en stoten. Een beetje gelijkend op de Langestraat, waar ik ben opgegroeid en bijna alles van het leven heb geleerd. Ook die is met horten en stoten verrassend indringend veranderd. Alleen de structuur is gebleven. De ruime bochten. Ook nog wat gevels. Sterrenrestaurants hebben zich naast volkse kroegen geïnstalleerd. Polarisering is men zoiets geen noemen. Een mooi, wreed woord.

JOHAN DEBRUYNE, eind december 2016

 

 

Omtrent kaasschaven, bijlen, Brugs Verdriet en bedrieglijk mooie schilderijen

 

 

 

 

 

 

 

Naar aanleiding van tentoonstelling en monografie oeuvre Mieke Teirlinck (Galerie Pinsart/Brugge)

Omtrent kaasschaven, bijlen, Brugs Verdriet en bedrieglijke mooie schilderijen

Het is bizar en het stimuleert de twijfel; het maakt me bijwijlen moedeloos en  stemt me hoopvol: de Staat der Kunsten. Laat ik het sportief houden : de culturele sector bevindt zich in een pecuniaire houdgreep. Ze wordt nog net niet gewurgd, maar ze hapt naar adem en heel wat organisaties kloppen af. Het is in dit kleine Vlaamse land niet goed gesteld met de kunsten. Al zeker niet met de beeldende, een weliswaar zeer eigengereid segment dat al lang het vaakst ongenadig tegen de tatami is gesmakt. Meer dan ooit zullen ook in deze diegenen die over centen beschikken bepalen wat goede kunst is. Kennis van zaken wordt meer dan ooit overbodig. Ballast.

Aanvankelijk hanteerden de media nog terminologie uit de zo populaire culinaire wereld, een verbale tsunami afkomstig uit de boekenwereld. Ze schreven, wanneer het met name over de besparingen in de kunstwereld ging, met regelmaat over de “kaasschaaf”. Een relatief geslaagde metafoor, een pijnlijk eufemisme. Bij de meest recente subsidieronde werd dan de bijl bovengehaald. Hakken. Weg. Niet zoals op de snijplank van Jeroen Meus. Maar zoals het gaat met onze bossen. Wég.

Het maakt je niet vrolijk, maar het bevreemdt dat ik meer dan ooit voorheen activiteiten binnen de sector moet laten vallen. Dat ik ze niet zie en dus niet kan beleven. Niet omwille van een gebrek aan kwaliteit, maar omdat het aanbod amper te volgen is en mijn actieradius eerder beperkt. Ik absorbeer traagzaam. Misschien is die drukte een tijdelijk fenomeen. Of stimuleert de dramatische situatie de vindingrijkheid?

MONOGRAFIE

Het hoeft uiteraard niet te verwonderen dat net deze kleine wereld zo creatief met deze precaire situatie omspringt. Wanneer een galerie, een uitgever, tal van kunstliefhebbers en een kunstenaar de handen in elkaar slaan is er nog wel wat mogelijk. Op deze manier is de knappe monografie van schilderes Mieke Teirlinck er gekomen.

Net op tijd, dit boek. Nooit immers heeft deze kunstenares werk gemaakt dat meer aanspreekt, een grotere eenheid uitstraalt en steviger de actualiteit aan de geschiedenis linkt. Op een geheel eigen, welhaast elegante manier onthult het oeuvre mondjesmaat dingen die tergend lang onder de mat zijn geveegd. Teirlinck bewijst dat je de maatschappij wel degelijk kritisch kan benaderen, terwijl je toch zogenaamd esthetisch werk levert.

De kunstenares heeft een groot deel van de lange weg in volslagen eenzaamheid afgelegd. Met vallen en opstaan en vaak letterlijk en figuurlijk tegen de wind in. En ook zij was daarenboven geen sant in eigen land. Eerst moet je omwegen maken, al zeker in deze fraaie, kleine stad, hoofdstad van een provincie, gewezen culturele hoofdstad van Europa, stad met opnieuw een grootse Triënnale, maar nog steeds een provinciehoofdstad zonder behoorlijk onderkomen voor actuele beeldend kunst. Een euvel, mijn en andermans groot verdriet, dat ik al decennia lang aankaart.

Mieke Teirlinck. We hebben elkaar zo’n 20 jaar geleden ontmoet. Zij had er – door familiale omstandigheden – een Surinaams avontuur opzitten, en ging alsnog opnieuw naar de academie. Een ontembare drang om te creëren. Ze was een kind geweest dat graag tekende en creatief was, een meid die liever in de buurt van vaders werkbank toefde dan in moeders keuken stond. Ze rondde deze academiejaren als primus af. Haar briljante rapport werd beloond met een solotentoonstelling.

SOCIAAL BEWOGEN

Er zijn in de 300 jaar dat de Brugse academie dit jaar bestaat vanzelfsprekend al heel wat laureaten de revue gepasseerd, maar niet iedereen staat na 20 jaar onverdroten zoeken en werken zo ver als Teirlinck vandaag. Zo komen we haast vanzelfsprekend bij een aantal van haar specifieke eigenschappen die hebben bijgedragen tot de kwaliteit van haar oeuvre.

Talent uiteraard, een doorzettingsvermogen dat je amper voor mogelijk houdt, de wil om te excelleren, een niet te omschrijven innerlijke kracht. Als stadsgenoot heb ik alle stappen die ze sindsdien heeft gezet van behoorlijk nabij gevolgd. We hebben samen zelfs artistieke evenementen op het getouw gezet. Er was en is geregeld contact. Ik weet van mezelf dat melancholie het doorgaans wint van beate gelukzaligheid. Ik kan dus een aardig potje kniezen. Teirlinck daarentegen is een rots. En wanneer zij meer dan terecht ook eens het hart luchtte, besloot en besluit ik steevast met een twee woorden en twee leestekens: schilderen en Mieke, een komma en een uitroepteken.

Ik had iemand leren kennen met een immense veerkracht, een schijnbaar grenzeloos optimisme, een diepgewortelde sociale bewogenheid en empathie, en de onwrikbare wil om datgene te doen waarvan ze voelde dat ze het almaar beter kon: schilderen. Het leidde ertoe dat ze obese mensen en mensen met het syndroom van down een forum gaf dat niemand ze ooit geschonken had. En zelfs voor dat forum heeft ze bij betrokkenen heel wat vooroordelen moeten bestrijden.

Ze verlangde naar een atelier achterin de tuin en ik stelde vast hoe haar werk gestaag evolueerde. Hoe haar palet dat ooit de beeldhouwster in haar verried, egaler en donkerder werd – zoals de wereld rondom haar en ons heen – , hoe ze alles durfde en wilde schilderen, stillevens, landschappen, marines en mensen. Aanvankelijk eerder als alibi om te kunnen schilderen. Het heeft geleid tot de grote eenheid die haar oeuvre vandaag kenmerkt. Een soort ongewilde herkenbaarheid ook. Haar nauwelijks te behappen gedrevenheid heeft geleid tot een verrassend grote productie zonder dat de kwaliteit eronder lijdt.

Haar werk toont doorgaans wat niemand wil of durft laten zien. Vaak mengt ze ongemerkt fotomateriaal en stills met beelden uit de realiteit en met haar fantasie.

BEDRIEGLIJK MOOI

Wat ze schildert is zo vaak bedrieglijk mooi. Het is pure schoonheid, tot je langer kijkt en merkt hoe ze rotzooi en smeerlapperij aan de kaak stelt. Ik heb net de roman “Het Hout” van Brouwers uit. Wat hij beschrijft hou je niet voor mogelijk. Soms is het walgen en het dichtklappen, dat boek. Tijdens het lezen heb ik vaak aan Teirlincks oeuvre gedacht.

Een ander facet van haar werk is hoe ze middels het ensceneren van prullaria die aan haar kinderjaren refereren en een bepaalde symboolwaarde hebben in grote eenvoud en met bravoure taferelen schildert die voor ieder van ons herinneringen oproepen. Middels de monografie “Humanity” en grotendeels ook via de vele kamers van Galerie Pinsart, kun je in grote trekken de evolutie in haar werk volgen.

Weet je, onlangs vroeg een passant of het werk dat zich achter het raam van het vernieuwde gedeelte van de galerie bevindt van de hand van Gerard Richter was!

JOHAN DEBRUYNE, november 2016

 

Het vruchteloze streven naar afwezigheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“Emergent” (Veurne): “Uitblinkend door afwezigheid (2)”

Het vruchteloze streven naar afwezigheid

Toen ik student was aan de Hogeschool zei een niet van enig cynisme vrij te pleiten docent Engels dat ik ook opviel als ik er niet was. Ik geef toe dat ik in aanvang van mijn opleiding tot leraar mijn middelbare schoolgewoonte om met regelmaat de lessen en het schools gedoe aan me voorbij te laten voorbijgaan, voort had gezet. De kunst, het dromen, de speelzaal, de verhalen, de bal, de vrienden… Het trok me allemaal veel meer aan dan de nochtans best stijlvolle klasklokalen en de imposante gangen die de “speelplaats” (nu met wereldkaart Jef Geys) omarmden van het architecturale meesterwerk van Louis Delacenserie (1838-1909). Ik liet het niet merken, maar beschouwde de uiteraard waarschuwende commentaar als een compliment.  Toch zou de boodschap haar effect niet missen, want vanaf dat moment zou ik minder gaan brossen. Ik werd zowaar een voorbeeldig student. Eindelijk.

Het kwam me allemaal opnieuw voor de geest, terwijl ik me op een zondagmiddag naar Veurne begaf, meer bepaald voor een tentoonstelling in Galerie “Emergent”. De titel alleen al hield me al een wijle in de ban: “Uitblinkend door afwezigheid (2)”. Enfin, ik was bijzonder benieuwd.

Het is wonderlijk hoe ik me aan beelden(de kunst) kan laven. Hoe artistieke ingrepen mijn doorgaans verstrooide hoofd helemaal vullen en nauwelijks nog ruimte laten voor andere zaken. Ik ben dan bijwijlen alleen nog tot wat huishoudelijk werk in staat, tot het doen van simpele boodschappen die voor mijn eega te zwaar zijn om het huis binnen te sjouwen, het af en toe houden van een vrijblijvende babbel en achter de computer kan ik proberen een en ander in woorden te vatten. Ik ben al vaak niet bij de les, maar na het bezoek aan deze tentoonstelling leefde ik nog maar eens op een wolk.

“Emergent” (de naam komt van het Latijnse “emergens”, dat te maken heeft met eigenschappen als onverwacht, spontaan optredend en het samenbrengen van veel gelijkaardige dingen waardoor zich nieuw eigenschappen ontwikkelen) is een verrassend lapidaire galerie (door recente uitbouwen achteraan het pand) met nogal wat kamers en verdiepingen, verborgen achter een gotische trapgevel op de Grote Markt van Veurne. Het pand heet “Huis De Valk” (1624), naar de immense vogel op de top van de trapgevel.

Er was danig veel te zien en te fantaseren dat ik tussendoor een pauze inlaste om met mijn zwager uit het Letse Riga iets te gaan nuttigen bij “Verdonck”, een bekende tearoom op de Grote Markt, waar je telkens weer tot mijn grote verrassing je auto nog kan stallen en waar de mensen het niet over “De Valk” maar over “Het Belfort” hebben. Een bizarre plek die me aan Brugge (waar ik geboren en getogen ben en het centrum mijd als de pest) doet denken, maar waar als bij wonder alles op een enkele plek werd verzameld: bijna niets dan horeca, een enkele goede bakker en een slager, en her en der een historisch gebouw.

De laatste keer dat ik er (in ”Emergent”) was hadden een aantal kunstenaars de vraag gekregen om alvorens ze beeldend aan de slag gingen de roman “De burgemeester van Veurne” te lezen. Ik heb toen zelf uiteraard meteen het boek gekocht. Mijn allereerste Simenon, trouwens. Wat een bevreemdend verhaal! En verbluffend hoe de kunstenaars op hun manier hadden bijgedragen om nadien, bij lezing, mijn fantasie mede vorm te geven. Me ook even weg te halen van het vlot geschreven, maar bijwijlen pijnlijke verhaal van een plichtsbewuste, ongemeen koppige en eigengereide, maar ambitieuze eenzame burgervader met een gehandicapte dochter die hij voor de wereld verborgen hield. Maar tegen kwatongen was geen kruid gewassen.

Opbeurende lectuur was het niet. Het beeldend werk was “lichter”, verfijnd en bracht soms soelaas. Ik zie nog een bizarre reeks sigaren tegen de muur en die kleine flarden hout waarop met wat verfstrepen marines werden gesuggereerd. Ze herinnerden aan de tocht die Veurne’s eerste burger telkens weer ondernam, van Veurne tot in Oostende, denk ik, waar zijn moeder woonde. Het was voor mij een tentoonstelling die voor altijd Veurne en dit huis hebben getekend!

De drie kunstenaars die er nu exposeren versterken geen verhaal. Integendeel: ze willen uitblinken door afwezigheid. Wat naar het narratieve neigt werd gebannen. Wat uiteraard niet lukt, al zeker met een dromer als ondergetekende. Wat ze ook neerzetten, ophangen of achterlaten, het zet mijn fantasie aan het werk. En hoe harder ze zich proberen weg te cijferen hoe nadrukkelijker ze aanwezig zijn.

Lukas Vandenabeele bijvoorbeeld, opgeleid in de kunstgeschiedenis, bekend met de architectuur, de wereld van het (dans)theater en van de plastische kunst. Vooral zijn verscheiden en verrassend oeuvre laat me niet los. De ondertussen wat oudere, kale man,  komt een paar keer zelf in beeld, terwijl hij dingen doet waarbij je je afvraagt wat hij nu eigenlijk aan het uitvreten is. Energie! Maar geen brede gebaren. Het lijkt eenvoudig en zelfs logisch, maar toch ongewoon wat hij doet. Het lijkt me ernstig en geestig tegelijk. Het doet er eigenlijk niet toe, denk ik. Zoals zijn zwarte gekraste bomen die op onschuldige orkanen lijken. Zijn eclectisch aanbod boeit me van begin tot einde en ik onthoud vooral zijn niet ingelijste zwarte volumes die lijken te verpulveren, te krimpen, te imploderen. De woorden aan de rand worden meegesleurd. Weg woorden. Weg taal. Geen geleuter. Laat ons wachten op de stilte. Wat overblijft is een gebaar. En de woorden? Die klampen zich nog een wijle vast, maar zijn gedoemd te verdwijnen.

Grandioos – ik vergaap me – vind ik zijn “Verrijzenis van de regen”. Ik benijd zijn weinig geconditioneerd denken en omgaan met de dingen. Niet protserig. Gecomprimeerde intense kracht.

Ik ben niet ingehuurd om reclame te maken voor de tentoonstelling. Maar ook deze blijft in al haar verscheidenheid sterk hangen. Eric Colpaert (die na 20 jaar een soort comeback maakt in het wereldje van de beeldende kunst) laat onder meer een heel verrassend glimmend zwart en spiegelend volume op een glazen sokkel/tafel achter. Onder de sokkel: wat witte tekenbladen met uitsnijdingen. Sjablonen? Tegen de muur onder meer vederlichte, zwevende tekeningen. Dartele, maar toch gecontroleerde soorten ellipsen. Ze appelleren aan even tot stollen gebrachte nog in te vullen dromen van ideële interieurs. Hier lijkt weinig het afwezige goed te benaderen. Altijd op weg? Blijvend zoeken? Knap is ook een hele ruimte met verfijnde Louis XV-kastjes waarin niets dan telkens twee gebogen drumstokjes. Wat elementaire vormen tegen de muur. Schijnbaar achteloos allemaal, maar uitgekiend en gekoesterd als kleinoden.

En voor, tussen en achter heb je de werken van Jean-Marie Bytebier, maar doet de plek er toe? Bytebier, bekend als een van onze sterkste schilders. Van landschappen. Zegt iedereen. En dit denken we met z’n allen. Maar hij ontkent. Verknippen dan maar? Een open gespreid boek met de afbeelding van een landschap (of is het toch geen landschap?) ingelijst op de grond. Flarden van de drager afknippen. Of de drager in compartimenten opdelen. Het helpt geen ene moer, Bytebier! Dicht schilderen maar dat raam? “Mons Mirabilis”. Heerlijk, zo’n raam zonder uitzicht. En toch appellerend aan niets dan boomschors. Te wijten aan de aard van het hout en het gebruiken van verf en kleur. En welllicht nog (veel) meer. Vluchten kan niet meer. “Emergent” (curator Frank Maes) en de drie genodigde kunstenaars doen hun stinkende best om ons op het verkeerde been te zetten.

Voorts gaat het er op het begeleidend foldertje althans, wat intellectualistisch toe. Geen verhaal met zo’n titel, flarden dus, maar, en voorts over kopieën en het origineel. Maar ik begrijp het best. Alvast een beetje. Ik kan alleen maar besluiten dat Bytebier, Colpaert en Vandenabeele heerlijk werk maken dat vooral van eigenzinnigheid en een absolute verfijning getuigt.

JOHAN DEBRUYNE, november 2016

 

 

ZES EN EEN HALF

 

 

 

 

 

 

 

Verjaren…

ZES EN EEN HALF

 

Rond elven ben ik gisterenavond mijn bed in gerold. Ik was toen nog 62. Op zo’n leeftijd rol je je bed in. Te veel, te lang en te laat gesport, zeggen de orthopedisten van Sint-Lucas. In koor bijna. En met enig cynisme. Ook niet goed genoeg, denk ik er wel eens bij. Ik was een amper begeleide en nauwelijks onderlegde balverliefde allrounder die zich in geen enkele sport echt kon vastbijten. Keuzes maken…

Rollen, dus. Kruipen is voor nog later. Ik zie het soms voor me. Geen hoopgevend beeld.

Zoals de meeste nachten, de laatste jaren, heb ik behoorlijk slecht geslapen. Kop. Schouders. Nek. Benen… Ik was al altijd vroeg uit de veren. Ook toen ik nog niet kreupelde en mijn botten soepeler en met zin voor spontaniteit hun opdrachten uitvoerden. Tegenwoordig is 7 uur vaste prik. Dan heb ik al twee keer het radionieuws gehoord en slof ik naar beneden. Ik geniet er dan nog een wijle van de stilte. Van de dag die samen met mij ontwaakt. Nog voor Jefs Zotte Morgen en verbouwingswerken in de buurt.

Tot voor een paar jaar sliep ik als een roos. Van middernacht of later nog, tot na zessen. Die zalige luxe is me sluipenderwijs ontnomen.

Omdat ik tijdens de dag nog steevast ongewild in droommomenten verwijl, verzink ik ’s nachts zelden – ook deze nacht niet – in diepe dromen. Gelukkig maar voor het gehavende lijf, want als ik al in nachtelijke nevelen verdwaal, dan gebeurt dit buikliggelings. En dit kan mijn rug absoluut niet hebben.

Tijdens een van de stonden waarop slapen maar niet lukte, draaide ik me weinig elegant op mijn rug. Ik oefende de krampen uit mijn benen. Maakte er driehoeken mee. Twee dagen geleden – kunst in mijn hoofd – nog door het hobbelige Mons geslenterd. Mijn kunstige tochtjes moet ik altijd een beetje bekopen.

Ik was aan de school aan het denken, iets wat zelden voorkomt. Ik piekerde. Omtrent de 63 die ik ondertussen min of meer geruisloos was geworden. Op school, toen ik les gaf, moest het cijfer na de komma tot een halve punt worden afgerond. Rapporttijd. Alweer. Tweeënzestig (ik rekende altijd op honderd) werd dan een zes, terwijl drieënzestig naar 6,5 werd opgetrokken. Dat afronden naar boven deed me plezier. Ik heb altijd lak gehad aan cijfers, maar hierin was ik – gemakshalve ongetwijfeld – heel strikt. Ik ben vandaag dus eigenlijk 65, dacht ik. Het afronden gaf me voor de eerste keer een rotgevoel.

Rond achten, bij de bakker, liet ik dit niet blijken. Ik verbeet de vele pijntjes. Mijn hoofd zat nog altijd in een wolk, maar toch:  Hey, Nancy! Lang geleden. Een oud-collega uit de journalistieke wereld.

Koffiekoeken. Onze jongste kater zat als een hondje naast mijn stoel te wachten. Geduldig. Nu het wat kouder wordt (hij slaapt al eens buiten, in zijn balkonmandje), neemt hij meteen nadat ik ben opgestaan, mijn zitplaats in.

Na het ontbijt barstte het sms- en e-verkeer los. Voor Facebook was ik nog helemaal niet klaar. Ik las eerst nog het zondagse bakkerskrantje en een dubbelinterview met auteur Bernard Dewulf en psychiater Douwe Draaisma. Ook deze laatste is 63. Dewulf nog een jonkie van 56. Zo begin je blijkbaar te denken als je 63 bent.

Ik zag de dag en het leven al wat meer zitten. Ook de meeste berichtjes trokken me er door. Wensen vergezeld van een citaat van Aldous Huxley, een oud-collega die me steevast “preute” noemt en dat opnieuw deed, twee handgeschreven (jawel!) kaarten in de brievenbus, een kunstenaar die me vraagt om kritisch te blijven, maar tegelijk ook mijn optimisme te bewaren, op de mail het kaft van een mooie monografie waarin een tekst van mij is opgenomen en berichtjes van gewezen leerlingen van me (bedankt voor het respect, Pascal!) kikkerden me op.

Maar toch: drieënzestig?! Ik “boek” maar best een bezoekje aan de huisarts voor mijn jaarlijkse griepvaccin. Dokter Jan. Half november. 10u.45. Done!

 

Ondertussen al een glimp van Facebookberichten opgevangen. Ik bedank iedereen van harte voor de wensen, de kaarten, de zinnen, de fantasie, de knuffels en de kussen voor mijn zes en een half. ‘k Zien eigenlijk ol stief oed. Zal ik proberen om wat minder te zeuren?

Johan Debruyne, 16 oktober 2016

 

 

Deze stad is dezelfde niet meer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DEZE STAD IS DEZELFDE NIET MEER

 

Sinds jij er niet meer bent is onze

kleine stad dezelfde niet meer.

 

Sorry. Bezet. Ja, ook deze.

Ik hou twee stoelen klaar:

een voor mijn zus en een voor haar schwung.

Alleen ik weet dat haar lef en weidse

gebaren pose zijn. Haar gratie is authentiek.

Haar fiets stalt ze bij het postgebouw,

dan steekt ze het marktplein over.

Ik verwacht een kus.

Ergens ver achter mijn oor of een vochtig

exemplaar dicht bij mijn mond.

Haar onvoorspelbaarheid is haar pittigste eigenschap.

Dan komen gulheid, liefde, knuffelen, koesteren…

Hier, op het terras, geven we commentaar.

Voorts kookt ze verfijnd en werkt ze als

een paard. Haar gratie en goede smaak flirten

met een overdosis.

Een vod wordt een kleinood wanneer

zij het ding rond haar hals drapeert.

Ze verbijt de pijn. Vandaag is haar maag er erg

aan toe. Al die rotmedicijnen! Geen koffie met veel melk

deze keer, maar cola. Geen gekleurd water met ijsblokken.

Het flesje, meneer! Kelner terug naar af. Ik amuseer

me heimelijk. Zonnebril in het haar, leesbril

dansend op haar grote borsten. Ze leest even de krant.

We hebben weinig woorden nodig.

Ik denk aan stille, nog net niet koude Antwerpse straten,

de zottigheid van W. Die warme wintersjaal.

Van mij. Voor jou, zei ze. Ik koester hem.

Onverwacht plots lag ze volslagen ongewoon

roerloos in een doorschijnend cocon op Intensive.

Buizen hielden haar nog even in leven.

Toen zag ik weer hoe mooi ze was. Die soms bittere

trek om haar mond was weg, het leed geleden.

 

Wat zegt me dit donkere kunstwerk op het

kerkhof?

Ik ontwar een krachtige kern. Dan gaat het

gracieus de hoogte in. Een sterke, maar tere bloem

*(“De tederste van alle tederheden”)

die nooit voldoende aandacht heeft gekregen.

 

Johan Debruyne, september 2016

*citaat dichter Walter Haesaerts (°Merendree 1935) over mijn zus

 

 

Muizenissen

n.a.v. de toelichting van de fotografische oeuvres (tentoonstellingen “A matter of light”/”Makulatur Art”) van de heren Einfinger en Kriegelstein in Galerie Pinsart (Brugge)

MUIZENISSEN

Tussen het vaak vele en andere heb ik me onlangs op digitale wijze over het fenomeen “Berlijn” gebogen. Met de toetsenspeeltjes die vandaag talloze levens tot in het idiote beheersen, kan ik amper uit de voeten. Hetzelfde geldt voor cijfermateriaal en al wat maar enige technische vaardigheid vereist. Ik voel me dan zo hulpeloos als de nochtans niet van talent gespeende spelers van het Belgisch nationaal voetbalteam wanneer voor de wedstrijd van ze wordt verwacht dat ze de  hymne (toegegeven: een allerminst begeesterend lied) meezingen.

De computer? Dat lukt nog een beetje. Met een voorzichtige, soms beverige klik op de linkerkant van de muis kom ik doorgaans goed terecht. Maar heb ik iets in de geest met de rechterkant van het ding, dan werk ik me gegarandeerd meteen in de nesten. Met die rechterkant kan ik helemaal niet overweg. Maar links… In mijn eentje geraak ik dus wel bij iets wat “Google” heet. Waarom zeg ik dit? Wel, ik vermoed omdat me is gevraagd hier werk toe te lichten van twee bijzonder intelligente mannen die ook nog eens technisch heel bedreven zijn, en ook omdat Berlijn in hun leven een belangrijke plaats inneemt. Ik heb dus gegoogeld en het item “Berlijn” ingetikt. Begrijpelijk dat deze locatie een erg bepalende plaats in je leven of je hart inneemt. Ikzelf ben er een enkele keer geweest en heb er een week lang mijn ogen de kost gegeven. Een intrigerende stad!

Ik las nog maar eens over de geschiedenis van de stad en kwam relatief snel terecht bij de fameuze “luchtbrug” en de vierendeling van de huidige Duitse hoofdstad in een Franse, Engelse, Amerikaanse en Russische sector, wat ik ook al nooit goed heb begrepen, maar dit ligt zonder enige twijfel aan het gebrek aan enthousiasme van mijn oud-leraars geschiedenis. Ik verzeilde in een keizerrijk en in iets wat ooit Pruisen heette. Toen hield ik het voor bekeken. Te complex. Ik dacht bovendien ook weer aan de school, wat voor mij een eerder ziek makende gedachte. Ik had bovendien nog behoorlijk wat schrijfwerk voor de boeg en hoorde met de muis nog tot bij ene Manfred Kriegelstein te geraken.

Ik hoef u niet te vertellen hoe de geschiedenis en de calamiteiten van politici zich helaas voortdurend herhalen. Om aan al de kommer en kwel te ontsnappen loop ik wel eens te zingen. Banale deuntjes. Laatst in Parijs was het er eentje van Bourvil dat in mijn hoofd was blijven hangen. Het had met sla, fruit en liefde te maken. Nu het googelen zo veel verhalen en beelden over Berlijn had opgeroepen was daar plots Toon Hermans-zaliger. Vreemd, want die had het over de Middellandse Zee. Dat die zo blauw was. Zo onbekommerd blauw, blauw, blauw. Ondertussen wordt ons netvlies gebombardeerd met vluchtelingen die er verzuipen.

Ten tijde dat de Nederlandse conferencier het deuntje neerpende was WOII  uitgevochten en was de Koude Oorlog serieus aan het ontdooien. Maar kan je vandaag nog zorgeloos zo’n liedje zingen? Is die Middellandse Zee vandaag niet eerder een massagraf?

Genoeg gemijmerd. Ik had het al over kleur en geschiedenis en dan zitten we heel dicht bij de foto’s van Manfred Kriegelstein en Horst Einfinger. De eerste werd tandarts en bleef in Berlijn. De tweede verzeilde lang geleden in onze kontreien. Einfinger was ingenieur en moest Berlijn verlaten om voor Siemens in Oostkamp iets uit de grond te stampen. Het toeval bepaalde dat hij hier zou blijven hangen. Kriegelstein bleef in Berlijn, maar reisde behoorlijk wat af.

Beiden zijn lid van het gerenommeerde “Deutsche Gesellschaft für Photographie” (“Photographie steeds met 2 “ph’s” geschreven, maar toch niet oubollig. Zelf opgezocht! Die linkermuisklik, weet je wel). Beide heren zaten in tal van jury’s, hebben veel prestigieuze prijzen gewonnen en hun werk is zowat over de hele wereld te zien geweest, niet alleen aan de muren, maar ook in tijdschriften en publicaties, op kalenders. Of dit allemaal zo belangrijk is, weet ik niet en eigenlijk kan het me ook niet zo veel schelen, maar ik zie wat ik zie: fotografie die verbluft en intrigeert!

Wat ik u misschien niet mag onthouden is dat Kriegelstein ook met regelmaat publiceert en zijn kritiek niet spaart. Op zijn site, ook daar geraakte ik dus op halve muizenkracht op, heb ik heel wat hoogtechnologische spielereien gezien, met een enkele keer een duidelijke verwijzing naar het surrealisme en het oeuvre van Dali. Maar wat me hardnekkiger bleef achtervolgen zijn de verpauperde interieurs en zijn sobere, herfstige stillevens. Die verwijzen dan weer eerder naar het sobere en naar de pure eenvoud van Morandi.

Doorgaans word je van Kriegelstein’s werk niet vrolijk. Zoals wanneer hij Havanna laat zien, het Berlijnse Kreuzberg zoals het lang geleden was, verloederde interieurs… Maar steeds weet hij een vorm van diepe zielsschoonheid der dingen met verval te linken en altijd spelen licht, kleur en weerspiegeling een bepalende rol.  

Fotografie heeft vooral met “zien” te maken. En ook met licht en zo veel meer. Ik kan het amper behappen. De resultaten waarop we hier vandaag de ogen uit kunnen kijken, koppelen een immense ervaring aan een open geest voor wat nieuw is, aan geduld, aan metier, aan concept. De fotografie heeft zich in de loop der vele jaren een plaats veroverd in het kunstenlandschap.

Ikzelf heb me een paar keer door Einfinger (wiens oeuvre ik al jaren volg) laten verrassen. Een enkele keer – in Brussel was het – ging ik voelen aan een van zijn foto’s . Een andere keer was het ruiken, omdat ik dacht dat het om een schilderij ging.

Er is geen commotie wanneer wordt bekend gemaakt dat het een fotograaf is die volgende jaar België zal vertegenwoordigen op de Biënnale van Venetië. De stelling dat de schilderkunst omwille van de tijd die verstrijkt tussen het opnemen van een beeld en de weergave ervan de dingen soms of doorgaans zo anders en bijzonder maakt – ik blijf ze trouw, hoor, de schilderkunst – houdt nog maar weinig steek als je weet dat gerenommeerde schilders hun doek vaak eerder af hebben dan fotografen hun foto. En toch blijft zien het allerbelangrijkste. Analoog of digitaal? Hier zullen we het niet over hebben. De mengvormen zijn legio.

Wat we hier vandaag aanschouwen bevat drie thema’s. De galerie wordt in grote mate ingepalmd door Einfinger, die op het gelijkvloers op sublieme wijze met licht speelt: “A Matter of Light”. Het heeft met zien te maken (alweer), met weten waar je moet zijn op welk moment, met geduld, maar deels toch ook met ’s mans positieve karakter en oeverloze energie. Ook mentaal, denk ik, ziet hij – ook al kreunen en kraken zijn botten wel eens – altijd op zijn minst een beetje licht. Een positieve, niets ontziende mens en fotograaf. Het is wonderlijk bijna hoe hij met licht speelt.

In een van de kamers op de verdieping is de naakte vrouw zijn thema. “Body & Soul”. Kriegelstein kreeg dan weer een onderkomen in de met een klein huis uitgebreide galerie. Vanaf nu zal de benedenruimte ervan de kunst van dienst zijn.

Met “Makulatur Art” toont hij een fragment van zijn reeks “Relics of the Russians”. Makulatur betekent onder meer afvallend oud behang papier. Wel, op het juiste moment is de fotograaf in Berlijn binnengedrongen in gebouwen waarin gedurende lange tijd de Russische bezettingsmacht resideerde. De schitterende foto’s getuigen van een belangrijke brok geschiedenis. Vreemd, die Russen deden ook wel eens wat wij deden en wat ik en vele anderen ooit nog hebben gedaan: als er nieuw behang nodig was, dan gingen ook zij eerst krantenpapier aan de muur hangen om de oneffenheden enigszins te camoufleren. Kriegelstein heeft in moeilijke omstandigheden kunnen vastleggen wat er zich onder de vele lagen papier en behang bevond. Flarden van Russische kranten verhullen tal van zaken. Tekens en aantekeningen doen dit evenzeer en dan is er nog de pittige confrontatie met protest: graffiti en kleur. Diepte, kleur, onthulde geheimen… Kriegelstein heeft de realiteit heel vakkundig een beetje naar zijn hand gezet. U heeft gemerkt dat er nooit glas voor de foto’s zit? Dit heeft te maken met het befaamde Hahnemülle-papier waarop de foto’s worden afgedrukt en voorts komen de vele nuances beter tot hun recht.

Wat beide fotografen betreft: kleur of zwart-wit, het maakt amper verschil, altijd is er licht, altijd is er nuance en nooit weet je meteen wat je ziet. Goed kijken, dus, of als het kan: luisteren met je ogen, zoals Maurizio Nannuci in 1939 al suggereerde. Misschien nog een zetje voor u straks nog eens gaat kijken: bij Einfinger dacht ik een enkele keer aan Rothko en Newman.

Johan DEBRUYNE, 11 september 2016

 

 

 

Omran

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Omran

 

Gisteren was de pijn tussen mijn schouderbladen draaglijk. Ik kon dus weer wat langer achter de computer zitten. Tegen de middag reed ik met de auto zowaar naar de fitness om met wat vederlichte oefeningen het lijf enigszins soepel te houden. Hoewel ik onderweg de autoradio niet had aangezet en over hét item van de dag – de schandelijke onderbezetting in rusthuizen of zorghotels – dus niet opnieuw berichten hoorde, werd ik onwillekeurig naar de jaren ’90 terug gekatapulteerd.

Als nakomer en jongste van 7 heb ik mijn moeder 5 jaar (!) lang in een rusthuis bezocht. Elke dag was ik op het appel (er waren er die me hierom gek verklaarden). Ik had van het bestuur van de instelling (een non) kunnen bekomen dat de deur van de kamer (aan het eind van een gang) zowat altijd open mocht blijven, opdat mijn moeder nog een beetje voeling met het “gewone” leven zou hebben. Ze had haar hele leven immers een groot gezin én een bakkerij in een volkse buurt gerund. Nu zat ze gevangen in een kleine kamer. Ze had een kamergenote die alleen nog in staat was om af en toe enig geluid voort te brengen. Fysiek voorts even hulpbehoevend als zij.

Die open deur was voor moeder ontzettend belangrijk. Ik nam mijn werk voor school, krant en tijdschriften en wat ik nog allemaal bekokstoofde gewoon mee. Ach, als kind had ik ook altijd  het liefst aan een met toile cirée bedekte keukentafel gezeten. Wanneer de glanzende tafelbescherming ten onzent er door overvloedig gebruik te “artistiek” begon uit te zien werd hij vervangen door een nieuwe lap uit de Franco-Belge.

Bij een tafel aan het raam keek moeder vanuit haar rolwagen uit op de gang en op de tuin. Af en toe zei ze wat over de vogels. Ik (het kan ook een zus van me zijn geweest) had ook voor een koffiezet gezorgd. Het met regelmaat zetten van koffie gaf de kamer een huiselijke geur. Heel af en toe kraaide de kamergenote wat. Moeders gezondheid was heel precair na een operatie aan de rand van de hersenen, niet uitgevoerd door de chirurg van wie ze gezegd hadden dat hij de ingreep zou uitoefenen, maar door een assistent. Eenmaal verdoofd en in het O.K. van een ziekenhuis ben je nog slechts een ding. Ik heb toen, als veertigjarige, het woord “oedeem” goed leren kennen. En tegelijk ervaren hoe ingrijpend het is in een rusthuis terecht te komen. Ik heb het nu over meer dan 20 jaar geleden en toen was de situatie er al schrijnend. Ik had ook snel in de gaten dat wanneer een van de meest corpulente zusters met regelmaat langs wiegelde, er in de onmiddellijke omgeving dra een dode te betreuren zou vallen. Elk (rust)huis heeft zo zijn gewoontes…

Ik denk er aan, nu die jonge verpleegster uit de biecht heeft geklapt en haar terechte aanklacht zowat alle dagbladen heeft gehaald, en ik zopas het vers gebouwde zorghuis “Ter Potterie” (Brugge) voorbij ben gereden.

In de fitnessruimte ben ik zwijgzamer dan gewoonlijk. Het is bijna middag, het zomert volop en er is amper volk. Aanvankelijk zit ik nog wel met het ochtendnieuws in mijn kop. We worden dan ook dagelijks meermaals om de oren geslagen met steekpartijen in allerhande variaties, met dreigingsniveaus, bommengordels waarmee nu ook kinderen doden maken, met onschuldige mensen die met machetes of messen worden aangevallen, met flikken die zelfs thuis niet meer veilig zijn, met ziekenhuizen die gebombardeerd worden en met presidenten en andere gezagsdragers die liegen dat ze zwart zien. Niemand – al zeker in Syrië niet – weet soms nog wie met wie in oorlog is. Hoe houden al die milities in die puinhopen van wat ooit prachtige steden waren het overzicht? Intussen lijkt het allemaal te wennen. Je wordt er niet gelukkig van, maar je doet voort.

Af en toe slaagt een beeld, doorgaans van een kind dat werd gedood of net van de dood gered, er in om toch wat langer op het netvlies te kleven. Zoals van de week: het iconische beeld van een jongetje dat tijdens luchtaanvallen in de Syrische stad Aleppo aan het eten was en daardoor gered kon worden. Zijn oudere broer Ali, die op dat ogenblik op straat aan het spelen was (gelukkig spelen kinderen nog tijdens de oorlog) kwam om, samen met nog 141 andere kinderen. Niet echt “nieuws” meer, maar de kleine Omran maakte een diepe indruk. In de armen van een volwassen man werd het kind naar een soort ambulance gebracht en helemaal versuft, het gezichtje deels onder het bloed,  op een oranje stoel geplaatst. Het leek beschroomd om het stuitend wangedrag van volwassenen die bommen gooien alsof het niets is. Het wreef na enige tijd behoedzaam aan zijn slapen om te voelen hoe erg het was geraakt en het schaamde zich wellicht ook voor de fotografen die op zulke momenten hun werk blijven doen (fotograferen, dus) en veegde voorzichtig het bloed aan het oranje stoeltje waarop het was achtergelaten.

Levend van onder het puin gehaald! Het leek om een feestelijke gebeurtenis te gaan. En nu? En straks? En morgen? En dan? Ik vroeg het me af. Al enkele dagen laat Omran me niet los. Er was blijkbaar nog een reden waarom het beeld van dit kind in mijn hoofd bleef hangen. De Belgische kunstenares Maen Florin heeft de laatste maanden en jaren een meute mensjes/wezens gemaakt die totaal in zichzelf zijn gekeerd. Intens en blijkbaar onherroepelijk getroffen als ze zijn door een of ander trauma. Momenteel is Florin’s werk nog heel even uitgebreid te bezichtigen in het Kunstenhuis van Watou, maar het kan geen toeval zijn dat ik, toen ze haar sculpturen van volslagen introverte en/of getraumatiseerde wezens in het kunstenhuis van Harelbeke tentoon stelde, het langst bleef hangen bij een jongen die me nu voortdurend aan de kleine Omran doet denken. Het zou een veel oudere broer van hem kunnen zijn. Ouder nog dan Ali. Die was amper 10.  Het beeld van die kerel moet me heel erg hebben geïntrigeerd toen, want ik had iemand gevraagd om een foto te nemen, terwijl ik hem voorzichtig koesterde. Met koesteren moet je in deze context opletten. Het was eigenlijk amper aanraken. Meer niet. In de hoop wat troost te bieden. Aan een beeld! Hoe kan je zo in kunst opgaan? Hoe kan een kunstenaar je zo diep raken?

Kijk, Omran, er is nog een broer van je. Maar wat heeft Omran aan een beeld?

Ik heb de foto’s naast elkaar gelegd. Vooral hun haartooi vertoont veel gelijkenis, maar voorts hun hele houding waarmee ze zich ogenschijnlijk pantseren tegen een wereld vol fysiek en/of mentaal geweld.

Ik wilde Florin’s beeld, dat laat zien hoe – in zijn ruimste betekenis – lelijk ook mooi kan zijn, graag in huis, maar mijn vrouw, mentaal nog veel brozer dan  ondergetekende, zou de dagelijkse confrontatie niet aan kunnen. Kunst stemt me wel vaker melancholisch. Ik kan er tegen. Denk ik. Een beetje ongelukkig zijn, zoals de TV-psychiater beweert. Ik lijk het aan te kunnen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, eind augustus 2016