Een hoek af, maar nog zo mooi!

     

Een hoek af, maar nog zo mooi!

Sinds enkele jaren ben ik meer dan een beetje in de ban van het beeldend oeuvre van Maen Florin. Ik herinner me vaag “klassieke” portretten van haar: grote koppen, bustes in klei. Vakkundig gemaakt, maar ogenschijnlijk doodgewoon. En toch. Het introverte karakter van haar protagonisten intrigeerde me. Ze werden gezien, want je kon er amper naast kijken. Maar wie keek met voldoende aandacht? Wie stond lang genoeg stil?

In 2008, onder impuls van wat Paul Mc Carthy toen in het Gentse S.M.A.K. had aangericht (zelfs muren moesten er aan geloven), is Florin losgebarsten. Zij het minder agressief en provocerend dan Mc Carthy, maar vormelijk en inhoudelijk leek ze bevrijd uit het “klassieke” keurslijf. In het Gentse Caermerklooster zag ik wat later haar eerste verrassende, bizarre figuren. Ik herinner me onder meer een immense kop die met opzet de weg zowat compleet versperde en ik zag bizarre kopjes aan … kapstokken hangen. Of waren het maskers?

Naar aanleiding van het feit dat Florin sinds enige tijd het hele Kunstenhuis in Harelbeke met haar bevreemdende wezens bevolkt, had collega Veerle Van Durme het over mensen “met een hoek af”. Dat net zij het zijn die de kunstenares mateloos intrigeren. Ik herinner me in dit verband de heerlijke laatste jaren van een idool van me: acteur Julien Schoenaerts, volgens velen Vlaanderens grootste acteur ooit en vader van Matthias die het nu waarmaakt op de internationale filmscène. Op het moment van de opnames was Julien “een vijs kwijt”. Of een paar zelfs, beweerde zijn zoon toen. Hij zei het in alle ernst, maar met natte ogen. En dat het de juiste vijzen waren die hij kwijt was geraakt, besloot Matthias. Een onvergetelijk vader-zoonportret.

Ik moest aan dit “gouden” Canvas-moment denken, toen ik het Kunstenhuis betrad. Een vijs kwijt of een hoek af. Ik voel ook wel wat voor mensen met een hoek af. Voor zij die uit de band durven springen, buiten de lijntjes kleuren: ongewild  heimelijk of (h)eerlijk open en zichtbaar. Uiteraard hebben de wezens die Florin creëert hier niet voor gekozen. Ze zijn in zekere zin “onvolmaakt” en alleen zij, Maen Florin, is daar verantwoordelijk voor. Zij schept ze.

In al die tijd is de kunstenares technisch zo bedreven geraakt en ze kan met zo veel verschillende materialen overweg dat het lijkt of ze neer kan zetten wat ze wil. Rubber, epoxy, klei, keramiek, polyurethaan… Het maakt haar niets meer uit.  Ze neemt weg, vult aan, rijt doormidden, zet aaneen… Ze zet de dingen en de wezens geheel naar haar hand. Ze verhult helemaal niets meer in iets wat uitmondt in een confrontatie met onszelf. Wat/wie vroeger door en voor de maatschappij werd weggestopt en liefst vergeten of opgesloten, geeft zij vandaag een (bescheiden) forum. Nu is ook een artistieke “geboorte” geen lachertje. Al zeker mentaal niet.

Bekend zijn haar grote creaturen: koppen met een verlengde varkensneus. Ik zie voorts wezens zonder handen, eenogen, hoofden die uitmonden in een soort bloempot, een wezentje dat een paradijsvogeltje achter de rug verstopt. Hij wil het lang gekoesterde kleinood geven aan de meid die het dichtst bij hem staat. Maar bij nader toezien heeft die geen armen… Ik had dit laatst in eerste instantie niet gezien. Bij wat Florin aan wezens creëert moet je goed kijken, maar het went verdomd snel. Bij een van haar figuren had ik niet gezien dat de ene hand groter was dan de andere. We kijken, maar zien we nog wel? En evenmin dat die relatief struise vrouw eigenlijk een mannenhoofd heeft. Maen Florin zal het ook wel een beetje leuk vinden de toeschouwer even op het verkeerde been te zetten.

De maatschappij zet zich door in het werk van Maen Florin. Ook de genderproblematiek. Geen opgestoken vingertje, maar ze houdt ons een spiegel voor. Een dikke dwerg heeft zich als ballerina verkleed. Compleet in het wit. Hij, het is een jongen, een man eigenlijk, houdt een dun wit koordje in de handen en draagt een al even wit masker.

We herkennen continu trekken van onszelf. Kleine kantjes. Vooral het introverte is heel opvallend. Zo aanwezig ook dat het eigenlijk gewoon is geworden. Alle communicatie is weggevallen. Heel herkenbaar en ook al niet verrassend. Tal van kleine en grote schermpjes brengen de wereld vandaag immers tot bij ons. Ook wij, “gewone” mensen, hebben elkaar nog nauwelijks nodig. We kennen elkaar niet meer, we zijn digitaal verslaafd en drie letters, G, P en S, leiden ons overal naartoe.

In de kelder van het Kunstenhuis in Harelbeke zit “Wrong Face” koning of keizer te wezen. In het halfduister heb ik het weer niet meteen in de mot: een best knap kereltje, onvolgroeid, behalve zijn hoofd. Maar de ene kant van zijn gezicht vertoont gezwellen die hem vroeg of laat zijn laatste beetje fierheid zullen ontnemen. Hier speelt zich eigenlijk een drama af. En toch, zijn aankleding, zijn fierheid en wilskracht zijn opvallend. Een verdieping hoger zit “Remade 2”. Een jongen uit tal van materialen samengesteld, maar zijn wat grote hoofd is van keramiek, nog eens grillig met pigmenten behandeld. Ik wil hem troosten en ga even bij hem zitten.

“Hug”, “Screem”, “Helmet”… je moet ze gezien hebben. Het zal allemaal kunnen op de volgende “Poëziezomer” van Watou, waar het werk van Florin nadrukkelijk in de kijker zal worden geplaatst.

Op zolder van het Kunstenhuis kom ik in mijn meer vertrouwde wereld. Op een grote tafel staan keramieken hoofden, ook deze zijn finaal met pigmenten bewerkt. Florin gaat uit van een krantenfoto of een gezicht dat ze op tv of nog ergens anders heeft gezien. Terwijl ze met klei geduldig de koppen, die ze graag karakters noemt, verder afwerkt, kruipen weer nieuwe eigenschappen in het hoofd dat langzaam vorm krijgt. Het levert soorten prototypes op. Ik herken ze bijna allemaal, terwijl ik ze nooit eerder zag. Al wie ik ’s zondags bij de bakker zie, heeft er wat van. Tot en met het introverte. Het is er – in de bakkerij – even stil als op die zolder van het Kunstenhuis. Een zomer lang, zoals ik eerder zei,   zullen de bizarre wezens, die mededogen opwekken, maar die je eigenlijk beter met rust kunt laten, hun verschijning maken in een huis op de Markt van Watou. Ze zullen nadrukkelijk aanwezig zijn op wat hopelijk dus niet de laatste Poëziezomer wordt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, mei 2016

 

 

 

Duimen?

Duimen?

Zaterdagochtend. Alweer. Dat de tijd vliegt is geen boutade meer. Ik haal voorzichtig twee volumineuze kranten uit de brievenbus en bevrijd ze van bijlagen en katernen. Het plukken begint al bij de voordeur en ik maak de klus bij de ontbijttafel af. Het is een routineus werkje en alle hebben ze een vaste stek. Ook de plannen om gelezen of bekeken te worden, of net niet, liggen min of meer vast. Ik heb wel lang niet altijd de fut om naast het zelf bezig zijn met van alles en nog wat ook nog eens alle weekendbijvoegsels te lezen. Een deel ervan is rotzooi en vliegt meteen een kartonnen doos in. Het is én koesteren én bevrijdend een doos in kieperen.

Het wordt stilaan wat warmer en de katers slapen weer buiten. Ook vannacht.  Zelfs gisteravond was er geen houden aan, ondanks vuurwerk op een plein niet ver bij ons vandaan. De feestelijke start van de meifoor, veronderstel ik. Het regende bovendien pijpenstelen. Behalve voor oliebollen of een puntzak friet van “De Gezondheidsapotheek”, zo heet het kraam, kom ik er niet. Ook buiten de meimaand frequenteer ik zelden dit grote plein. Het is een kille vlakte en ik verdraag maar moeilijk het artistieke brons dat er water staat te slurpen.

Poesjkin, onze oudste kater, zit op de tuintafel te wachten. Wieb zakt van het balkon af. Die heeft in zijn mand geslapen. Waar Poesjkin de hele nacht uithangt is ons al tijden een raadsel. Ik geef ze een best gevarieerd ontbijt, de verwende nesten. Na enige tijd staat Wieb geduldig aan de verkeerde kant van een deur te wachten. Hij weet dat er een butler komt, die Johan heet, en dat die de deur een wijle op een kier zal zetten. Dan kan hij de trappen op. Zoals gewoonlijk klimt hij langzaam en behoedzaam naar de logeerkamer. Alsof niemand het mag weten dat hij daar een vast, behoorlijk luxueus dagverblijf heeft. Poesjkin heeft de keuken dan voor zich alleen. Het ruzie maken en het schaduwboksen zit er op.

Radio 1 staat aan. Het gaat over de Koerden. Een reportage van 25 jaar geleden. “Het Haat goed in de wereld”, speelde beeldend kunstenaar Jeroen Daled niet zo lang geleden ondeugend met taal. Deze zin, rode letters op een zwart vlak, moet opnieuw aan het raam, denk ik.

Het radionieuws is – zoals elke ochtend – niet van aard om me vrolijk te stemmen. Integendeel.  Ik eet en zie hoe de luchten snel passeren. Ik hoor “Nathalie” van Gilbert Bécaud. Het lied bezorgt me kippenvel en vochtige ogen.

Wat later lees ik over het lied dat de Rode Duivels op het komende EK in Frankrijk vleugels moet geven. Er is kritiek. Elk zijn meug, natuurlijk, maar de spelers zelf zouden hiervoor geopteerd hebben. Volgens sommigen heeft het lied, een creatie van twee wereldvermaarde Belgische dj’s, een al te hoog “Tomorrowlandgehalte”. Ik had er gisteren toevallig een flard van opgevangen  en vond het best. Niet meteen mijn genre muziek, maar toch beter dan toen  op kampioenschappen beschamend onnozele liedjes van Will of Rocco met de Rode Duivels werden geassocieerd. Om nog maar te zwijgen van het vals geneuzel van ex-internationals. Boffin en Degryse. “Go West” moet het onding geheten hebben.

Na het ontbijt mag Poesjkin de eettafel op. Hij weet het. Van zodra ik in de woonkamer verdwijn, wipt hij de tafel op. Hij wordt een dagje ouder en ik nog wat milder ten opzichte van onze oudste viervoeter. Hij krabt zich, valt in slaap bij een rist pillendozen waarvoor geen plaats meer is in de apotheekkast en na zijn ochtendslaapje vind je overal plukken haar. Vlak voor het middageten moet ik dus even aan de slag met een paar vellen van de keukenrol. Gelukkig heeft de kleine leeuw een weelderige vacht.

Om de zoveel tijd kiest hij trouwens een nieuwe stek om zich enkele uren ongestoord te nestelen. Een tijd geleden liet ik hem weer de werkkamer binnen. Hij vlijde er zich vlak voor de printer en dus vlakbij het scherm en het klavier. Als ik dan aan de slag moet of wil, ben ik genoodzaakt het toetsenbord op te schuiven, begint het snoer van de computermuis vervelend te doen en bovendien gebeurt het wel eens dat hij zich lekker uitrekt en dat er stapels papier op de grond kletteren. Ik heb weinig orde. Mijn bureau is een zootje. Ik wil wel, maar ik kan niet ordenen. Het is een vijs die ik mankeer. De melancholie zit vandaag weer diep in mijn lijf.

Morgen, in de vroegte, denk ik, stap ik weer een eind op de lelijke trottoirs, op weg naar de dichtste bakker. Ik zie dan her en der dezelfde affiche hangen: “Duimen voor een warme samenleving”. Mooi kalligrafisch vorm gegeven. En voor het woord “samen” is meer zwart gebruikt. Elk jaar bezorgen Linda en Eddy, lieve, verre buren, me zo’n slogan met een groot BZN-gehalte. Ik spaar ze, maar afficheer ze niet. Te naïef, vind ik, al zeker in deze wereld, en in een laan, een soort snelweg, waar de meesten elkaar amper kennen en een “goeie morgen” bij velen wordt afgeremd door een soort verbale constipatie.

Ik lees en mijmer en vraag me af hoe lang er al te weinig controle op onze  luchthavens zou zijn. Een commissie gaat het uitvogelen.

De baas van minister Galants kabinet, de man die ogenschijnlijk genoegzaam  zijn minister in zijn aangekondigde val heeft meegesleurd, kwam in beeld. Aan de slag (nou ja) aan zijn bureau. Op een zitbal en op sokken. Een verstandige, maar best vervelende vent, naar verluidt. Na het plaatje kan ik er me iets bij voorstellen. Tiens, mijn schoenen uitdoen was iets dat ik voor de klas net niet durfde. Ik had er nochtans vaak zin in. Ik zou me voor de klas nog meer in mijn sas hebben gevoeld.

Op het moment dat ik vaststel dat de Erdogan-rel (omtrent een niet geapprecieerd gedicht dat een Duits komiek aan de Turkse Leider had opgedragen) al verwezen is naar een kaderstukje dat amper opvalt, denk ik aan vanmiddag. Ik hoop dat Honoré d’O me (in het Oostendse Mu.Zee) met zijn grenzeloze fantasie even alle rottigheid zal doen vergeten.

JOHAN DEBRUYNE, half april 2016

Avanti, Wies!

Avanti, Wies!

Sinds enige tijd zet ze geen stap meer buiten de deur. Niet eens een stap-je. Ze nam altijd al korte (vinnige) stapjes. Perfect synchroon, lichtjes naar links en dan meteen weer naar rechts nijgend, maar toch gedecideerd op haar doel af. Die stapjes namen in vaart – nooit in grootte of lengte – behoorlijk toe wanneer haar echtgenoot, mijn broer, nog maar eens was blijven hangen. Met grote regelmaat immers zocht hij het ouderlijke huis op en dan was er geen kruid tegen gewassen: de meest banale uitvluchten (alsof de aanwezigen half debiel waren) rolden schaamteloos van tussen zijn lippen om toch maar “even” langs te lopen in het gezellig café naast de deur. In Den Groten Hert, heette het etablissement toen nog. Omdat hij veel mensen kende en zelfs hondjes met een hoedje op zou hebben aangesproken, durfde deze “feinte”, om een basketbalterm te gebruiken, al eens behoorlijk lang uitpakken.

Wanneer het haar iets te gortig (te laat/lang, dus) werd en ze wellicht geen zin had om de avond met het doorgaans weliswaar weinig kwalijk gebral van een licht beschonken echtgenoot verder te zetten, greep ze resoluut in: zonder er een woord aan te verspillen veerde ze op en ging ze duidelijk maken dat het tijd was om op te stappen. Een vreemd beeld: grote straat, de Langestraat, een immens café, een klein gekweld dametje, met ogen die vuur schoten.

Niet dat ze bazig was, maar als kleuterleidster schiet je met zo’n blik al aardig op en op die momenten zag je een beetje de kleuterleidster in haar. Wie weet had ze nog voorbereidingen te maken? Hier werd nooit iets over gezegd. Alsof het niet belangrijk was. Wies cijferde zich dus weg, tot de maat vol was. Af en toe vroeg ze ons wel om pakweg lege kaasdoosjes te sparen. Of het binnenkarton van een rol toiletpapier.

Het was irriterend en eigenlijk best lachwekkend tegelijk. Je moet weten: mijn broer was koppen groter dan zij. Een beer van een vent, met een hart van koekebrood, met een strootje te verleiden. Maar als ze vond dat het tijd was, dan ging ze. En hij? Hij volgde gedwee.

Zijn hele, te korte (hij stierf op z’n 60ste) leven bestond uit onderhandelen, praten, tafelen en met grote regelmaat van zijn fiets springen en die ergens tegen een muur stallen. Evenveel “tussenstops” voor een babbel en een frisse pint. Hij was met mensen begaan. Nieuwsgierig ook. Hij bleek voorts aangenaam gezelschap en werd vaak getrakteerd. Op dit vlak mag ik nu ook niet klagen, maar ik hou het op een fractie van zijn aantal locaties en stops, en ik ben geen pintendrinker. Ik herinner me ook dat, wanneer hij iets dronk, hij meteen om een sigaret schooide. Het merk maakte op zo’n moment helemaal niet uit.

Ze hadden gebouwd in een randgemeente. Daar waar nog een overvloed aan  grond beschikbaar was om de huizen met stroken groen te omringen. Sinds zijn dood woont ze er alleen. Hij was vaak onderweg. Wat moet hij de stad en de mensen gemist hebben! Maar goed, in die tijd – de jaren 60 – begon men vroeg met bouwen, doorgaans in de rand, er werd amper gereisd en vaker bij moeder gegeten. Daar was het ook altijd gezellig en druk. De straat van zijn jeugd was leuk en volks en er was altijd wat te doen. Je kende er ook iedereen en was overal welkom. Vandaag zie ik nog zelden een open voordeur.

Toen ik zelf het ouderlijk huis had verlaten, kwam hij eens in een licht beschonken toestand langs. Mijn vrouw en ik waren bewust in de stad blijven wonen en aan het eind van onze straat was er een boogbrug. Na nog een laatste glas reed hij huiswaarts. Wellicht. We begrepen niet hoe hij heelhuids op z’n fiets was gesukkeld en het begin van zijn rit naar de rand van de stad  was niet om aan te zien. Het was dilettantisch surplacen. Maar eens zijn sterke lichaam de fiets op snelheid had gekregen, reed hij als bij wonder kaarsrecht. Toen hij aanstalten maakte om te vertrekken, vreesden we wel dat hij die brug nooit over zou geraken.

Ik moet aan ze denken – doe ik wel vaker -, omdat ik vanmorgen in de krant iets las over “Avanti Brugge”. We hadden in Brugge ooit een basketbalteam dat tot de absolute top van het land behoorde. Als puber volgde ik de steile opgang van het team. Ze speelden toen nog buiten, in Ter Groene Poorte. Ik herinner me de spannende wedstrijden tussen Ieper en Brugge. Tussen Avanti en Athlon, dus. Of nog: tussen Thom Duff en Terry Kunze. De eerste geïmporteerde Amerikaanse spelers waren toen allesbepalend voor de resultaten.

De Groene Poorte was zijn tweede thuis, zeg maar. Hij was graag onder mensen, had bij de Frères zelf basketbal gespeeld, dus was het niet onlogisch dat hij ook bestuurslid werd. Wat later werd in zaal gespeeld. Elke thuiswedstrijd werd een unieke beleving. En Wies ging mee. Een thuismatch van Avanti zou ze voor geen geld ter wereld hebben willen missen. Ik zie haar nog naar haar vaste (houten) tribunestek stappen. Rij één.

Jammer dat ze na zijn te vroege dood niet een beetje verder op dat elan is doorgegaan. Wat later is Avanti voor de bijl gegaan. De vereniging had bekwame voorzitters die er ooit de brui aan gaven. De voorzitter die de doodstrijd van het team probeerde af te wenden of te rekken, was helaas niet uit hetzelfde hout gesneden. Maar toch respect!

Het was de hele week uitkijken naar het sportieve weekend. Voor mij was er vooral Voetbal Club Brugge, maar in de basketbalhoogdagen zeker ook Avanti. Een paar duizend mensen in een zaal, dat resulteert in een onnavolgbare sfeer! Het waren ook economische groeitijden. Voor het team stond steevast de naam van de sponsor. Imperial Avanti Brugge, weet ik nog. Toen werd de club gesponsord door een fabrikant van… salami’s. Toen ik tijdens de weekends al eens op hun dochtertje paste, lag altijd een “imperiale” salami (koelkast) binnen handbereik. Het koelmeubel, dat de worst maar net kon bevatten, was een culinaire trekpleister waar ik met al te grote regelmaat op afstapte. Er werden ook eens met regelmaat groene plastic dinosauriërs in het publiek gegooid. Opblaasbare beesten. De meest royale geldschieter was op dat moment een petroleummagnaat. En toen Racing Mechelen, lang dé ploeg van het land, Maes Pils Mechelen werd, keek niemand verrast op.

Ik weet niet precies welke taak mijn broer er vervulde, maar ik herinner me dat hij met regelmaat naar de luchthaven van Zaventem moest om een Amerikaanse (mogelijke) aanwinst op te halen. Hij diste dan verhalen op over hoe ze zich in zijn auto wurmden en over de maat van hun baskets. Die passeerde altijd moeiteloos de 50. De bonken die hij naar Brugge bracht waren dan ook altijd minstens twee meter groot.

Ik herinner me zo veel mooie momenten, maar beperk me tot de super efficiënte bonenstaak Mark Brown, de haarzuivere shots (pas lang na hun carrière driepunters) van Thom Duff en Rick Katherman, de valse trage, rosse O’Brien, en de “kleinste” Amerikaan die ooit werd aangeworven en voor ongekende sensatie zorgde: Mark Sibley. Natuurlijk vergeet ik ook Ted Suski, Imre Nyitrai, Etienne Dermaut, Patrick Delvinqiuère en Fons De Clerck niet. Deze laatste hield er een heel bizarre, handige, effectvolle haakworp op na. Het waren reuzen naar wie je als jongetje ook figuurlijk opkeek. Spelers ook die jarenlang voor hetzelfde team uitkwamen. Basket was nog een beetje “familie”. Er waren voorts ondermeer nog het nationale fenomeen Steveniers, de ingebakken elegantie van spelmaker “Gibbe” Ibens (Pitzemburg) en de onderhands scorende Korac (Standard).

Maar goed, met Avanti verloor ze ook haar man. Ze bleef (te) vaak binnen, maar kon nog intens genieten van sport op televisie. Vandaag, vele jaren later, een paar zware ziektes en valpartijen verder, is dat allemaal behoorlijk minder geworden. In aanvang deed ze nog zelf haar boodschappen. Naar de overkant van de stille straat in die stille rand: naar “Marcel en Fabienne”, ooit vanuit de stad geëmigreerd. Ik dacht toen soms aan haar. Bezorgd. Van huis tot groente en ander lekkers: amper tweehonderd meter, maar toch.

Vandaag blijft haar deur doorgaans dicht. Alles wordt aan huis bezorgd. Alleen wie haar dierbaar is komt er in. Het is haar keuze om zo het leven te leiden. Geen vlieg doet ze kwaad. Hoe het met de familie gaat, dat vertelt vooral de telefoon. Aan Robert dacht en denk ik wel eens als Club Brugge zijn thuiswedstrijden speelt. Hij ligt begraven in de schaduw van het Jan Breydel stadion. In aanvang had ik moeite met het respectloos gedaver en het letterlijk gezeik en doorheen de haag die het stadion van de begraafplaats scheidt. Vandaag durf ik al hopen dat hij meegeniet wanneer Club scoort en wint. Hoe dicht kunnen vreugde en verdriet, leven en dood bij elkaar liggen?

JOHAN DEBRUYNE, half maart 2016

PIETRO

             

PIETRO

Zoals elke jonge jongen becommentarieerde hij

licht beschroomd, maar toch bevrijd zijn vrije trappen.

Zijn oogstrelende schoten op doel (krijtlijnen op de muur van de kazerne).

Met een bal kon hij aardig uit de voeten. Was alleen wat schriel.

Voorts herinner ik mij geen enkel vlot gesprek.

Horten en stoten. Geen franje. Spelen met woorden

werd nooit nog zijn ding. Heel uitzonderlijk eens een

vloeiende volzin. Sporadisch een rist haastig

uit de keel gestuwde monotone klanken.

Mondjesmaat maken die overduidelijk wat

gezegd moet worden. Geen nuance. Een enkele keer

ongewild kwetsend.

Denkt hij dan meer? Denk hij anders? Denkt hij dieper?

Wat knelt er in zijn hoofd? Of is het kwellen?

Al wat niet verwoord kan worden?

Waar slaat hij dat gepieker op?

Achter diepe groeven in zijn voorhoofd?

Het is een alfabet dat zich moeilijk laat lezen.

Het is zijn onnavolgbare schrift.

Denkstriemen van het routineuze leven,

van de kleine zorgen van elke dag, van het overbodig

lawaai, de regelmaat, de onnatuurlijke ruis.

Denk ik.

Hij koestert de stilte en

hunkert naar gesmoorde geluiden.

Denk ik.

Hoe zou hij de plotse dood

van zijn zuster ervaren, amper

ouder dan hijzelf?

Op het beduimelde fotootje – jaren’60 -

staat het straatje bij de kerk.

Daar waar toen nog alles wat

om uiterlijk vertoon vroeg zijn beloop

kreeg. Twee lange rijen wachtende

communicanten. Kleine argeloze marionetten

van het systeem. Te midden opwaaiende

flarden tule lacht hij heimelijk

naar een lotgenoot. Alle rakkers

voor even versteend in een pak.

Aan de overkant: ZIJ. In “paterskleed”.

Een bruin sober crucifix

aan een koordje om haar nek.

Een vinnige meid als engel vermomd.

J. D.

 

 

Een maand later al

Een maand later al

Naar waar moet ik kijken wanneer ik tegen je praat? Je bent er immers niet. Niet meer. En toch ben je er. Overal zo’n beetje. Heel dichtbij wanneer ik met de auto in de buurt van het Astridpark een parkeerplaats zoek. Je huis is daar in de buurt.

Een maand geleden leefde je nog even. Met buizen en draden aan machines. Maar je was mooi en je straalde warmte uit. Dat deed je doorgaans. Even later zou het kil worden. Jij al helemaal. Je dierbaren in het hart. Onder deze kleine tegel ligt je as. Ik zie wat mannen van de groendienst in de weer. Ze verzamelen verlepte bloemen bij nieuwe doden. Ontmantelen verlopen graven. Tegen een huisje zie ik roestige kruisbeelden. Maar ook jonge graven. Gave vierkante tegels. Pril en toch al zo vergeten, denk ik.

Het was vandaag hetzelfde weer als gisteren. Koud, droog en er was zon. Daar waar jij nu een beetje bent zag ik gisteren de jonge bomen niet. Een maand geleden stonden we rond die urne en zorgden zij voor enige afleiding. Net zoals de motregen. En al die handen rond de urne. Nu schijnt de zon. Laag. Ik zie wat gras voor anderen die ons nog zullen ontvallen. Een heel klein voetbalveldje. Veel plaats lijkt er niet meer over. We moeten stoppen met doodgaan. Neem jij daarom hier zo weinig plaats in? Op de tegel aan mijn voeten kleeft een blaadje met je naam: Marie Debruyne. Getypt kladwerk. Het is nog een wijle wachten eer het Marie-Ghislaine wordt. Tiens, op jouw tegel liggen alleen nog maar witte tulpen. Met nog wat ander wits ertussen. Ik ben niet zo’n bloemenkenner. Vrieskou, regen, wind, vier weken lang. En toch hielden net jouw lievelingsbloemen hun vorm. Zich sterk. Of wierp onlangs iemand je nog bloemen toe? Geen stilleven is mooier en pijnlijker tegelijk.

Je broer Johan, 17 februari 2016

 

De lege kamer als liefdesverklaring

DE LEGE KAMER ALS LIEFDESVERKLARING

Op de cover staat, onder de in witte, spichtige letters gedrukte titel ”De Stilte Van Het Licht”: “schoonheid en onbehagen in de kunst”. Het boek is geschreven door Joost Zwagerman (1963-2015), Nederlands romancier, essayist, columnist, dichter en begeester(en)d (beeldende) kunstliefhebber. Hij stapte vorig jaar uit het leven.

Zwagerman neemt je – geregeld een toepasselijke flard poëzie achter zich latend – op sleeptouw doorheen eeuwen beeldende kunst. Hij kiest, analyseert en legt overtuigd verbanden tussen kunstwerken en kunstenaars. Zijn keuzes noch links verrassen me, maar het lijkt me meesterlijk hoe hij het overzicht houdt. Zijn hoofd moet een soort encyclopedie zijn geweest. Zwagerman schrijft buitengewoon knap en ik krijg niet genoeg van zijn begeesterende stijl, zijn weetjes, zijn kennis. Toegegeven: ik ken nu ook niet àlle kunstenaars die hij sommeert.

Ik voel de duiding bij de titel van het boek ook niet aan zoals de auteur dat doet. Terwijl bij Zwagerman de gedreven, ogenschijnlijk nauwelijks genuanceerde zoektocht naar de absolute stilte en/of het absolute niets wellicht mede tot zijn dood heeft geleid, bleef ik in hoofdzaak genieten van de schoonheid en de stilte van en in de geciteerde werken. Met bewondering maakte ik kennis met de briljante wijze waarop de vaak afgebeelde werken worden beschreven en ontleed. Ik voelde doorgaans een mooie, rustgevende eenzaamheid, een vleugje droefheid ook wel. Maar onbehagen? Neen.

Zwagerman graaft moeiteloos diep in zijn royale kennis en analyseert scherp. Lang doorlezen werd al eens moeilijk, want hij zette me aan het denken en dromen. Zelf was de auteur – voor mij dan toch – ook nooit ver. Het doet me bijwijlen denken aan een oudere broer van me. De man schuifelt ondertussen naar de tachtig; ik ben de zestig een eindje voorbij. Allebei gingen we naar dezelfde school. Een katholieke instelling, waar in zijn tijd wel een veel groter conglomeraat geestelijken het voor het zeggen had. In dat instituut disten ze ons dus dezelfde leugens op. Beiden hebben we op latere leeftijd die paapse meute en machtskliek de rug nog stringenter toegekeerd, niet in het minst wanneer de talloze schandalen over ook fysiek misbruik aan het licht kwamen. Het verschil is blijkbaar dat mijn broer de dingen anders percipieert. Of gaat hij dieper op die dingen in? Zo wordt hij tot op vandaag fysiek onwel wanneer hij het heeft over de leugenachtigheid waarin we zijn opgegroeid. Ben ik oppervlakkiger? Of meer (dag)dromer? En dus milder? Hoewel de toenemende stroom oneerlijkheid, corruptie en machtsmisbruik absoluut niet aan me voorbij gaat, heb ik het gevoel dat ik het met regelmaat allemaal – voor een poos dan toch – naast me neer kan leggen. Dat ik deels in de marge van het aardse functioneer. Net zoals mijn broer steeds furieus reageert op datgene wat zich in zijn jeugd heeft afgespeeld, zo kijkt ook Zwagerman ongenuanceerd intens naar de beelden(de kunst).

Wie van literatuur en beeldende kunst houdt zal Zwagermans oeuvre kennen. Zo wist ik uiteraard dat het niet echt een vrolijk boek zou worden. Ik hoopte vooral van zijn pen en eruditie te smullen, wat grandioos is gelukt. Ook mede omdat de voorbije weken door dienaars van de geneeskunde bij te veel dierbaren beangstigende diagnoses werden gesteld (volkomen onverwacht werd onlangs een lieve zus uit mijn leven gerukt), heb ik Zwagermans zoektocht naar de stilte van het licht in flarden gelezen. Hoewel de auteur in regel kunstenaars en kunstwerken aanhaalt  die ik ken, moest ik bij tijd en wijle toch de trap op om in het bureau een en ander op te zoeken. Wat meer informatie bijvoorbeeld omtrent een of andere kunstenaar.

De superlatieven van Zwagerman-kenners en critici op de achterflap zijn terecht. David Van Reybrouck noemt Zwagerman een omnivoor, een multitalent, een van de grootste essayisten van ons taalgebied. Zwagerman sleurt je onvermoeibaar energiek mee in zijn queeste naar de stilte in de kunst. Een soort stilte waarvan je relatief snel door hebt dat ze iets is waarin je wel eens zou kunnen/willen verwijlen. Verdwijnen? Ook het verlangen om er niet te zijn komt al eens aan bod.

Alle kunstenaars opsommen aan de hand van wier werk hij conclusies trekt of overtuigende links legt, zou me te ver voeren. Rothko en Turner zijn vanzelfsprekend prominent aanwezig. En net zoals vorig jaar in Den Haag droomde ik heerlijk weg bij “’t Puttertje” van Fabricius. Er is het bijzondere verhaal van een compleet weggegomde Kees Van Dongen, terwijl Morandi Zwagerman doet besluiten dat stilte ook een ding kan zijn. Uit interesse ga ik me tussendoor nog eens verdiepen in het korte leven van  “valkunstenaar” Bas Jan Ader (1942-1975). Ik leer met plezier J.H. Weissenbruch (Haagse school/J.D.) kennen. Een kleine foto van diens werk “Te Noorden bij Nieuwkoop ( 1901)”, voert me binnenkort gegarandeerd naar het Museum van Dordrecht. Naar de stilte in een soort vaalwit brokje geometrie te midden de natuur. Verrassend is ook de kennismaking met “Het Friese Zwijgen” van Willem Van Althuis…

Maar het meest prangende werk waarover Zwagerman het in dit boek heeft is van de hand van Francisco de Zubaràn, niet lang geleden nog uitgebreid in BOZAR (Brussel) te bewonderen: “Het bezoek van de Heilige Bruno aan paus Urbanus II, (ca. 1635)”. Het werk bevindt zich in het Museo de Bellas Artes te Sevilla. Je voelt me komen? Als ik nog eens in Andalousië geraak… Zo begeesterend en overtuigend schrijft Zwagerman over kunst dat je je bij momenten afvraagt of de kunstenaars het zelf ook wel zo bedoeld zouden hebben.

Een onvergetelijke en cruciale passage is die over twee schilders en de vrouw die ze schilderen: Pierre Bonnards “Woman Bathing, Seen from the Back, (1919)” en “Interieur met Jonge vrouw, op de rug gezien (1903-1904)”van Vilhelm Hammershoi. De vrouw van Bonnard zie je naakt op de rug, staand in de badkuip. Ida staat, ook op de rug gezien, voor een dressoir, een ovalen schaal in de handen. Zij lijkt op het punt te staan het vertrek te verlaten.

De auteur heeft het over al die blikken die zich vasthaken aan Marthes rug, die ooit werd prijsgegeven aan die ene getuige tijdens het baden: Pierre Bonnard. Nu zijn het er duizenden. De dingen hebben ons nodig om gezien te kunnen worden, besluit hij, maar stelt zich tegelijk de vraag of een ding ook kan bezwijken aan een overdaad van oogopslagen, van in concentratie turende toeschouwers? Heb ik gedroomd of is dit toch een van de weinige keren dat Zwagerman zich in deze een vraag stelt?

Hammerhois (in de echtelijke woning in Kopenhagen, J.Z.) schilderde Ida vele keren op de rug gezien. Nooit naakt echter. Op het werk dat wordt afgebeeld staat ze op het punt de kamer te verlaten, maakt ze aanstalten om uit beeld te verdwijnen, om op te lossen. Een ogenblik later resteren alleen nog die lege vertrekken, eveneens door de schilder vereeuwigd. Van Ida’s huid zien we alleen de nek, zegt Zwagerman. Dit en de geklede rug beklemtonen haar onbenaderbaarheid, haar isolement. “De kunstenaar is getuige en toeschouwer, maar, anders dan bij Bonnard, geen deelnemer aan het tafereel. We worden onderdeel van het drama en de stille tragiek van het schilderij: met iedere blik die op het schilderij wordt geworpen, raakt Ida’s aanwezige afwezigheid alleen maar geïntensiveerd. Onze blik ondermijnt haar verlangen om er niet te zijn. Hammerhois lege vertrekken zijn dus een ode aan zijn muze. De lege kamer als liefdesverklaring, met de witte deuren die wijd open staan als de richtingaanwijzers voor de ontsnappingsroute die Ida verkiest.”

JOHAN DEBRUYNE, 14 februari 2016

 

Kwelkommer

 

 

 

 

 

 

 

Kwelkommer

Nadat ze zich in een veelkleurige collant heeft gewrongen

pluk ik de zwarte pantoffels van haar voeten.

Uiteindelijk help ik haar in groene laarzen. Ervaren en

dus voorzichtig daalt ze de wankele trap af en krijgt het

pompje aan de praat. Ze is net niet te groot

en waadt moeiteloos doorheen het plonsbad.

Bij extreem laag water beroept ze zich op de vloerwisser.

Van dan af is het waterwissen met de kraan open.

Telkens het beton quasi droog is geveegd, maakt de vloer

zichzelf weer nat: kwel. Een cynisch gewroet,

maar straks weer vers grondwater. Wonderlijk.

Aan de voordeur klemde ik een onwelriekende buis

onder een gehavend trottoirversiersel. Ik hou het debiet

in de gaten. Af en toe. En passant doen buren mij

hun verhaal van water, kelders, kwel en kommer.

Ik hunker naar droogte.

Het oude huis biedt onvoldoende weerstand

tegen buitensporig geweld van regen en wind.

Met huiver denk ik dan aan vroeger: aan een

kleine jongen, emmers her en der, onder gebroken glas.

Wat later tast ik mijn boekenplanken af en denk aan

mijn pas gestorven zus. Zij had net een nieuw

pompje besteld. Ik zie Bill voor me en de onredelijke

stofwolk die hij ooit creëerde bij het schijven van

het kleine keldervierkant. Zo’n waterpompje hoeft geen

piëdestal. Het ronkt vanuit de diepte.

Ons middagdutje zat er op.

Vreemd, sinds zus er niet meer is

zijn we nog maar met zijn tweeën moe.

 

JOHAN DEBRUYNE, begin februari 2016

 

 

Afscheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afscheid

De dood smoorde je stem

Versteende je lichaam

We waren er niet toen

Vuur je lijf verpulverde

Tot as. Wat tastbaar restte

moest in een urne passen

Bij het afscheid

legden velen er de handen

op. En om. Dagdromend

bij jonge bomen in een

miezerige regen. Ik zag hoe

iedereen dit anders deed.

 

Johan Debruyne, gedichtendag 2016

 

Bij de dood van een zus

 

 

Uit een rist van zeven kinderen ben ik de laatste. Het kakkernest. En kijk, vandaag sta ik weer helemaal onderaan het rouwbericht. Zo gaat dat. Alles wordt keurig opgelijst. We proberen, zeker in deze momenten van beproeving en verdriet, bijna krampachtig een foutloos parcours te rijden, niemand voor het hoofd te stoten.

Zeven. Ik was altijd fier op dat getal. Ik zal het blijven, denk ik. Hoewel Ghislaine nu volslagen onverwacht is weggerukt uit ons en mijn bestaan en we vandaag tot vier zijn uitgedund, blijf ik de jongste van… 7.

Ook 16 dicht ik een bijzondere betekenis toe. Mijn moeder en ik zijn op die dag geboren. Er zat wel ongeveer een halve eeuw tussen. Maar die 7. Het zal zowaar een heilig getal zijn. Een van de weinige zaken die ik nog geloof, dan. Bovendien moest ik willens nillens naar een katholieke school. Al mijn broers en zussen was trouwens het identieke lot beschoren. Een aantal onder ons zou er revolteren. Belangrijker dan de paapse volgzaamheid van mijn lieve moeder speelden mercantiele redenen een doorslaggevende rol. Vader zweeg doorgaans, spuwde en vloekte als een kermisattractie, maar bakte brood. En dat brood werd in grote mate aan die twee scholen geleverd. Twee katholieke instellingen. Zogenaamd “vrije scholen”. Ik heb dat lang niet begrepen, want bepaald vrij was je daar toch niet? Al zeker niet in wat je dacht.

Ach ja, behalve in brood, was vader ook heel goed in appelflappen. Als ’t braderie was kwamen ze die van heinde en verre kopen. Toen vader de lange lijdensweg tot zijn dood moest gaan, was Ghislaine er vaak om zijn leed te verzachten. En je gaat nooit raden wat ze me vorige week vroeg mee te brengen naar het ziekenhuis, net voor ze die twee fatale hartstilstanden kreeg? Een appelfap!De cirkel dus toch een beetje rond.

Soit. Vier jongens en drie meisjes. Voor de jongens was ik doorgaans een pestkop (7 kan veel zijn wanneer er te eten valt/ik had altijd trek), zodat er al eens wraak werd genomen zonder dat ik het meteen in de gaten had. Voor de zussen was ik het kleine broertje, met wie geparadeerd kon worden. Ik ben het gebleven.

Mijn tweede oudste broer, Robert, stierf op z’n 60ste. Zijn (groot) hart begaf het. Eensklaps. Tijdens een voetbalwedstrijd. Ik schreef op dat moment behoorlijk kritische recensies voor een regionaal blad en hij was in Brugge en omstreken bekend als een slechte kluute. Hij heeft eigenlijk nog geluk gehad, want had men toentertijd ook al dronken fietsers beboet… Hij was mijn grootste fan. Een enkele keer ben ik ook met hem op reis geweest. Tante Wies was mee. En hun dochter, Isabelle. Echt ver wilden we niet echt geraken, maar toch was het een onvergetelijke trip. We dolden vaak en het feit dat mijn broer erg economisch was ingesteld, leidde ertoe dat de maaltijden wel eens op zich lieten wachten: de menukaarten werden grondig geanalyseerd…

Mijn oudste zus, Thérèse,  stierf toen ze 62 was. Ontgoocheld in het leven was ze op de sukkel geraakt, maar ik was ervan overtuigd dat haar vier schitterende kinderen en haar al even aanstekelijke kleinkinderen, die zware dip ooit wel zouden keren. Helaas.

Met haar, haar man en de 4 kinderen ben ik behoorlijk vaak op vakantie geweest. Frankrijk en Spanje. In België leerde ik de glooiingen en de warmte van het Walenland appreciëren en in Spanje – Franco had net het onderspit gedolven -  leerde ik paella eten.

Vorige week heeft Ghislaine totaal onverwacht – ook voor de haar begeleidende dokter-specialist, het tijdelijke voor het eeuwige ingeruild. Van de eersten die ons  verweesd achterlieten had je er geen 13 in een dozijn. En Ghislaine was al helemaal een geval apart.

Over haar zou ik het hier moeten hebben. Wat herinner ik mij van haar? Flarden. Ze komen uit een hoofd dat nog in de war is. Uiteraard de talloze keren dat ze op kerstavond de perfecte gastvrouw was voor een deel van de familie. Ik herinner hoe ze gretig en graag de familie van haar zus uit Wallonië ontving. Maar laat me eens heel ver terugkeren. Kleine broer ving met regelmaat geruchten op. Ik weet dat vriendschap voor haar erg belangrijk was. Ik zie nog levendig het knappe buurmeisje Ann voor me. In een vouwzetel, dicht bij de serres van haar vader. Veel te jong gestorven. Geruchten deden de ronde dat mijn jongste zus flink kon uitgaan, zowaar uit de kluiten gewassen mannen onder tafel dronk, een gen dat ze blijkbaar aan haar twee kinderen heeft doorgegeven. Niet dat ze aan de drank zijn, maar af en toe eens loos gaan. En of ze dat kunnen! Een Bourgondisch gen zeg maar. Een gen van de goede smaak in tal van betekenissen. Ghislaine is koket gebleven tot de allerlaatste dag. Ook toen nog deelde ze bevelen uit en ging ze andere zieken een hart onder riem steken.  Ze was een fiere vrouw: zo koket en gulzig naar het leven, naar wat nieuw is, dat haar dood na drie jaar kanker toch nog een absolute verrassing was.

Dat ze uitmuntende kokkin was, een uitgelezen gastvrouw, met geduld en smaak gigantische kerststukken in mekaar toverde, dat ze tal van kwaliteiten had en dat niet altijd door iedereen werd geapprecieerd. Je kan zo goed zijn in bepaalde dingen dat je frustraties opwekt. De mortuis nil nisi bene. Voor mij geldt dit niet. We maken allemaal fouten. Laat me een keer klinken als een pastoor: we zijn allemaal zondaars.

Die kokette vrouw, toen nog met lang, sluik haar, lokte een Brasschaatse architect-urbanist via Finland en Breda naar Brugge. Ik zie Marc nog in zijn outfit van toen. Er is veel veranderd sindsdien. Luisteren naar de muziek van Cat Stevens doen we al lang niet meer. In Zwevegem zongen we zijn liedjes mee. Daar, te midden de velden, heb ik Antwerps geleerd. Een schitterende plaat van Wannes Van de Velde was daar uiteraard niet vreemd aan. Muziek en poëzie. Dit raapte ik zowat overal op. En dat deed zij ook. In Wallonië leerden we het chanson appreciëren. En toen ik voor het eerst serieus aan mijn Nederlands ging schaven leerde ik met plezier de platen van Wim Sonnevelt van buiten. Ghislaine deed mee. De laatste tijd was samen koffie drinken kijken hoe veel we nog van de teksten afwisten. Het waren leuke momenten. Hoewel het ook gebeurde dat je naast haar zat en dat ze eerst doodgemoedereerd de krant doorbladerde. En toen de kelner een glas cola bracht met te veel ijs, vroeg ze alsof het de gewoonste zaak van de wereld was ze om een… flesje. Zo zat ze in elkaar. Rechttoe rechtaan. Te nemen of te laten. En zo hield ik van haar.

Ik zie de kinderen, Bram en Charlotte, nog spelen, op den buiten in Desselgem, een talud, een koe voor het raam, een rode alaamkast en een Mariëtte op de loer. Ik zie Bram nog op de piano tokkelen, een jongen die je toch eerder in de nabijheid van andere instrumenten verwacht. Ook hij heeft vandaag eigenzinnig zijn weg gekozen. Ghislaine droomde nog van een paar verre reizen en geloofde dat haar ziel aan de vloedlijn van de Eufraat lag. Misschien was het wel de fantasie die ons bond. Ik kon er wel eens mee lachen. Hoe hadden ze mij niet uitgelachen toen ik niet op school was gearriveerd, omdat ik met een roodborstje aan de klap was geraakt? Ik vertelde het met volle overtuiging. En Zuid-Afrika? Daar wilde ze naar verluidt met Gilles en Julie nog naartoe.

Net nadat ze had vernomen dat ze kanker had, deden we samen een paar dagen Londen. Ze was ziek, je wordt niet voor de lol aan de afdeling oncologie afgezet, maar volgen kon ik haar niet. In Regent Street stapte ze doodgemoedereerd en vooral gedecideerd een kledingzaak binnen en paste er gedurende wel een halfuur van alles en nog wat. Ik stond bij een spiegel en speelde voor kapstok. Nummer 7… Nu, misschien was dit een wederdienst voor een lang vervlogen dagje Antwerpen waarin ze mij een dure sjerp van Walter Van Beirendonck cadeau had gedaan.

Laat me besluiten met het allerbelangrijkste: voor alles was Ghislaine een warme, bezorgde, uitstekende moeder en grootmoeder.

Johan Debruyne, midden januari 2016

 

 

 

 

Buitenbeelden…

Buitenbeelden…

Onlangs las ik in de krant een bijdrage over de “Rock Strangers”, de immense rode, soorten gedeukte (metalen) dozen van Arne Quinze op de dijk van Oostende, meer bepaald op het Zeeheldenplein. Het nieuws dat te rapen viel was dat er bij de rechtbank een klacht was ingediend tegen de stad Oostende, omdat die verantwoordelijk is voor het aankopen en inplanten van dit niet onbesproken kunstwerk.

De juridische stappen waren gezet door mensen die op de dijk een appartement bezitten en bewonen. Op de tweede verdieping weliswaar, maar zo hoog reiken de rode “dozen” wel. In het elftal “Rock Strangers” zit (ik heb nu even louter over het fysieke aspect) wel een enkele Lionel Messi, maar de groep amorfe blokken telt meerdere Piqués, om het maar eens in voetbaltermen uit te drukken.

De krantenfoto van een paar van Quinzes “Vreemdelingen” was hoogstwaarschijnlijk vanuit die mensen hun woonkamer genomen. De eigenaars zijn ervan overtuigd dat hun zicht op zee – ooit ongeremd – hun door deze “artistieke” inplanting brutaal is afgepakt. Mochten ze uiteindelijk het proces winnen, dan gaat het geld naar een nobel doel. Het bizarre aan het artikel was nu toch wel dat ik  Quinzes “Rock Strangers” (uiteraard) nog nooit vanuit dit oogpunt had gezien, maar vooral… dat ik ze nooit eerder mooier had gevonden!

Het artikel bracht me in gedachten terug naar de feestelijke inhuldiging ervan, een paar jaar geleden. Het kunstenmagazine waarvoor ik met regelmaat over beeldende kunst verslag uitbreng had me gevraagd een recensie te schrijven.

De officiële opening, hoewel er geen spatje vernis meer aan te pas komt (al zeker niet bij sculpturen) nog altijd “vernissage” genoemd in het wereldje van de beeldende kunst, vond plaats in de Koninklijke Gaanderijen. Zoals te verwachten (de onbescheiden artistieke ingreep van iemand die velen een zelfverklaard kunstenaar vinden, ging en gaat nogal over de tongen) barstte het er van het (schoon ) volk en ergens – een deel van de Gaanderijen was afgesloten – stonden tafels gedekt en een piano klaar. Het was koud, die vooravond. In 2011, denk ik. De wind ademde uitgelaten krachtig en gezien ik mijn huiswerk behoorlijk wilde maken, was ik meer dan tijdig op de afspraak.  De “Strangers” gaven geen krimp, maar mijn kleine blaas had het al snel begeven. Ik moest plassen. Voor het afgesloten deel van de Gaanderijen vroeg ik een bediende of naar het toilet mocht, waarna de deur probleemloos werd opengemaakt. Tussen rijen tafels en een glimmende piano-op-piëdestal baande ik me een weg naar het toilet. Een nerveuze Piet Godard, alias Ozark Henry, liep er blootsvoets te ijsberen. Hij lette niet op de indringer.

Na de verlossende plas liep ik door de tentoonstelling. Drie veel te smalle gangen en een enkele ruimte waar je toch enige afstand van het getoonde kon nemen. Ik vroeg me af waarom dit evenement niet in het Mu.Zee, het provinciaal museum, plaatsvond. Er waren vooral filmpjes, maquettes en portretten van de kunstenaar te zien. Quinzes ego was breed uitgesmeerd.  Toen ik het allemaal bekeken had, stapte ik maar eens op, honderden meter van de vernissageplek vandaan, naar de kunstwerken, want voor die Vreemde Rotsen was ik naar Oostende gekomen.

Het deel van de dijk dat ze inpalmden was nog een bouwwerf. Ik nam dus noodgedwongen foto’s tussen de rechthoekjes van de metalen afrastering die plooide, maar nog net aan de gure wind weerstond. Ik vond ze nu eens goed, gedurfd, dan weer minder. Ik vond ze eens mooi, maar dan weer niet. Toch moet zoiets kunnen, dacht ik. De plaats vanwaar je ze bekeek veranderde blijkbaar sterk je appreciatie. Samen met een Japanse toeriste zocht ik naar een plek voor de beste foto. Ondertussen ging de wind almaar meedogenlozer tekeer. Het was klote. Ik kon me ook niet echt een mening vormen, het werk was niet af en het weer was verschrikkelijk. Van het feest heb ik weinig gemerkt. Ik had alleen (te) veel bekende koppen de Gaanderijen zien binnenstappen. En allen feliciteerden ze de kunstenaar nog voor ze het werk hadden gezien.

Op weg naar huis vond ik dat het moest kunnen, dat het werk altijd fel besproken zou worden (ik had eerder termen als “hybris” en “protserig” opgevangen), maar dat de rode kanjers te respectloos dicht bij het herdenkingsmonument voor De Verdronken Zeelieden stonden. Voorts ook dat de rode binken wind, het zout van de zee, het zand, gocarts en speldende kinderen zouden moeten trotseren. Lang zullen ze er niet fraai uitzien. Is hieraan gedacht? Maar goed, toch beter dit de bronzen elftal dan de dilettantische krullen vlak voor het casino, naar verluidt een vergiftigd geschenk van een serviceclub aan de stad.

Terug naar Brugge. Op ‘t Zand rijd ik langsheen de beeldengroep van het duo Canestraro-Depuydt, die  straks – na 30 jaar – wordt ingepakt en wellicht voorgoed van het plein verdwijnt. Er komt meer groen, wat ik toejuich.

Ik word er vaak over aangesproken. De doorsnee-Bruggeling en de toerist smaken die beeldengroep wel. Pompeus en vakkundig. Maar origineel? Toch erg schatplichtig aan Zadkine. Ondermeer. Vreemd is dan weer dat ik gemakkelijk hun werk herken. Onlangs liep ik in gedachten verzonken langs een Kortrijks plantsoen. Er stonden twee bronzen beelden. Ik passeerde ze van langs achteren en had meteen door dat ze door het voormelde duo gecreëerd waren. Hoewel de titel van het werk aan “jeugd” appelleerde, vond ik het werk bombastisch. Absoluut niet jeugdig, dus.

Een Brugs kunstenaar heeft jaren de hel meegemaakt, omdat hij ooit eens rood-wit signalisatielint rond de Brugse beelden (en dat zijn er nogal wat) van het echtpaar had gespannen. Samen met de vzw “BruggePlus”, een en ander vond plaats in het kader van “Brugge, Europese cultuurstad 2002”, werd hij veroordeeld tot het betalen van een zware boete. Het proces genereerde lezingen, happenings en wat acties. Tot in Gent! Het haalde niets uit. De Brugse kunstenaar pleit al jaren voor een commissie voor wat betreft het plaatsen van kunst in de publieke ruimte. Dat mensen met kennis van zaken over deze dingen beslissen. Mensen die weten wat er wereldwijd bestaat op dat gebied.

Ik heb daar ook voor gepleit en besef nu pas hoe naïef ik was. Je blijft immers zitten met artistieke en politieke voorkeuren, met vriendjes, druk, macht en invloed. Met mensen, kortom. Het zal er altijd en overal zijn. Een zaak staat wel als een paal boven water: wil je (nog) meer mensen naar je stad lokken, dan kies je het best voor werk van iemand met naam en faam.

Met kennis van zaken, zei ik. Niet zo lang geleden kocht de stad Brugge, onder impuls van een ondertussen verkast conservator, een klassieke abstracte sculptuur van een Hongaars kunstenaar. De aankoop werd omschreven als “tuinversiersel” en staat vandaag eigenlijk behoorlijk in de weg wanneer je naar het Groeninge Museum wil. Met enige fantasie maak je de mensen wijs dat de vakkundig in plooien gekapte marmer een verwijzing is naar de kledij van de personages in de werken van de Vlaamse Primitieven.

Beelden voor buiten? Verwaarloosbare luxe in vergelijking met het vele leed in de wereld.

JOHAN DEBRUYNE, begin januari 2016