Omran

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Omran

 

Gisteren was de pijn tussen mijn schouderbladen draaglijk. Ik kon dus weer wat langer achter de computer zitten. Tegen de middag reed ik met de auto zowaar naar de fitness om met wat vederlichte oefeningen het lijf enigszins soepel te houden. Hoewel ik onderweg de autoradio niet had aangezet en over hét item van de dag – de schandelijke onderbezetting in rusthuizen of zorghotels – dus niet opnieuw berichten hoorde, werd ik onwillekeurig naar de jaren ’90 terug gekatapulteerd.

Als nakomer en jongste van 7 heb ik mijn moeder 5 jaar (!) lang in een rusthuis bezocht. Elke dag was ik op het appel (er waren er die me hierom gek verklaarden). Ik had van het bestuur van de instelling (een non) kunnen bekomen dat de deur van de kamer (aan het eind van een gang) zowat altijd open mocht blijven, opdat mijn moeder nog een beetje voeling met het “gewone” leven zou hebben. Ze had haar hele leven immers een groot gezin én een bakkerij in een volkse buurt gerund. Nu zat ze gevangen in een kleine kamer. Ze had een kamergenote die alleen nog in staat was om af en toe enig geluid voort te brengen. Fysiek voorts even hulpbehoevend als zij.

Die open deur was voor moeder ontzettend belangrijk. Ik nam mijn werk voor school, krant en tijdschriften en wat ik nog allemaal bekokstoofde gewoon mee. Ach, als kind had ik ook altijd  het liefst aan een met toile cirée bedekte keukentafel gezeten. Wanneer de glanzende tafelbescherming ten onzent er door overvloedig gebruik te “artistiek” begon uit te zien werd hij vervangen door een nieuwe lap uit de Franco-Belge.

Bij een tafel aan het raam keek moeder vanuit haar rolwagen uit op de gang en op de tuin. Af en toe zei ze wat over de vogels. Ik (het kan ook een zus van me zijn geweest) had ook voor een koffiezet gezorgd. Het met regelmaat zetten van koffie gaf de kamer een huiselijke geur. Heel af en toe kraaide de kamergenote wat. Moeders gezondheid was heel precair na een operatie aan de rand van de hersenen, niet uitgevoerd door de chirurg van wie ze gezegd hadden dat hij de ingreep zou uitoefenen, maar door een assistent. Eenmaal verdoofd en in het O.K. van een ziekenhuis ben je nog slechts een ding. Ik heb toen, als veertigjarige, het woord “oedeem” goed leren kennen. En tegelijk ervaren hoe ingrijpend het is in een rusthuis terecht te komen. Ik heb het nu over meer dan 20 jaar geleden en toen was de situatie er al schrijnend. Ik had ook snel in de gaten dat wanneer een van de meest corpulente zusters met regelmaat langs wiegelde, er in de onmiddellijke omgeving dra een dode te betreuren zou vallen. Elk (rust)huis heeft zo zijn gewoontes…

Ik denk er aan, nu die jonge verpleegster uit de biecht heeft geklapt en haar terechte aanklacht zowat alle dagbladen heeft gehaald, en ik zopas het vers gebouwde zorghuis “Ter Potterie” (Brugge) voorbij ben gereden.

In de fitnessruimte ben ik zwijgzamer dan gewoonlijk. Het is bijna middag, het zomert volop en er is amper volk. Aanvankelijk zit ik nog wel met het ochtendnieuws in mijn kop. We worden dan ook dagelijks meermaals om de oren geslagen met steekpartijen in allerhande variaties, met dreigingsniveaus, bommengordels waarmee nu ook kinderen doden maken, met onschuldige mensen die met machetes of messen worden aangevallen, met flikken die zelfs thuis niet meer veilig zijn, met ziekenhuizen die gebombardeerd worden en met presidenten en andere gezagsdragers die liegen dat ze zwart zien. Niemand – al zeker in Syrië niet – weet soms nog wie met wie in oorlog is. Hoe houden al die milities in die puinhopen van wat ooit prachtige steden waren het overzicht? Intussen lijkt het allemaal te wennen. Je wordt er niet gelukkig van, maar je doet voort.

Af en toe slaagt een beeld, doorgaans van een kind dat werd gedood of net van de dood gered, er in om toch wat langer op het netvlies te kleven. Zoals van de week: het iconische beeld van een jongetje dat tijdens luchtaanvallen in de Syrische stad Aleppo aan het eten was en daardoor gered kon worden. Zijn oudere broer Ali, die op dat ogenblik op straat aan het spelen was (gelukkig spelen kinderen nog tijdens de oorlog) kwam om, samen met nog 141 andere kinderen. Niet echt “nieuws” meer, maar de kleine Omran maakte een diepe indruk. In de armen van een volwassen man werd het kind naar een soort ambulance gebracht en helemaal versuft, het gezichtje deels onder het bloed,  op een oranje stoel geplaatst. Het leek beschroomd om het stuitend wangedrag van volwassenen die bommen gooien alsof het niets is. Het wreef na enige tijd behoedzaam aan zijn slapen om te voelen hoe erg het was geraakt en het schaamde zich wellicht ook voor de fotografen die op zulke momenten hun werk blijven doen (fotograferen, dus) en veegde voorzichtig het bloed aan het oranje stoeltje waarop het was achtergelaten.

Levend van onder het puin gehaald! Het leek om een feestelijke gebeurtenis te gaan. En nu? En straks? En morgen? En dan? Ik vroeg het me af. Al enkele dagen laat Omran me niet los. Er was blijkbaar nog een reden waarom het beeld van dit kind in mijn hoofd bleef hangen. De Belgische kunstenares Maen Florin heeft de laatste maanden en jaren een meute mensjes/wezens gemaakt die totaal in zichzelf zijn gekeerd. Intens en blijkbaar onherroepelijk getroffen als ze zijn door een of ander trauma. Momenteel is Florin’s werk nog heel even uitgebreid te bezichtigen in het Kunstenhuis van Watou, maar het kan geen toeval zijn dat ik, toen ze haar sculpturen van volslagen introverte en/of getraumatiseerde wezens in het kunstenhuis van Harelbeke tentoon stelde, het langst bleef hangen bij een jongen die me nu voortdurend aan de kleine Omran doet denken. Het zou een veel oudere broer van hem kunnen zijn. Ouder nog dan Ali. Die was amper 10.  Het beeld van die kerel moet me heel erg hebben geïntrigeerd toen, want ik had iemand gevraagd om een foto te nemen, terwijl ik hem voorzichtig koesterde. Met koesteren moet je in deze context opletten. Het was eigenlijk amper aanraken. Meer niet. In de hoop wat troost te bieden. Aan een beeld! Hoe kan je zo in kunst opgaan? Hoe kan een kunstenaar je zo diep raken?

Kijk, Omran, er is nog een broer van je. Maar wat heeft Omran aan een beeld?

Ik heb de foto’s naast elkaar gelegd. Vooral hun haartooi vertoont veel gelijkenis, maar voorts hun hele houding waarmee ze zich ogenschijnlijk pantseren tegen een wereld vol fysiek en/of mentaal geweld.

Ik wilde Florin’s beeld, dat laat zien hoe – in zijn ruimste betekenis – lelijk ook mooi kan zijn, graag in huis, maar mijn vrouw, mentaal nog veel brozer dan  ondergetekende, zou de dagelijkse confrontatie niet aan kunnen. Kunst stemt me wel vaker melancholisch. Ik kan er tegen. Denk ik. Een beetje ongelukkig zijn, zoals de TV-psychiater beweert. Ik lijk het aan te kunnen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, eind augustus 2016

 

 

 

 

 

 

 

 

Tweeëntwintig jaar later

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Omtrent Kobe en zijn sculpturen)

Tweeëntwintig jaar later

Onlangs werd het me duidelijk wanneer het allemaal had plaats gevonden. Het was even schrikken. De laatste jaren heeft mijn toenemende graad van nostalgie me al met grote regelmaat duidelijk gemaakt hoe snel de tijd gaat. Ze vliegt voorbij. Het leven glijdt als zeezand door je vingers. Ik merk het onder meer aan ouderen naar wie ik in de fleur van hun leven heb opgekeken, aan idolen die verdwenen of nog maar uiterst zelden in het publiek verschijnen, en ik merk het aan zij die ik als kind heb gekend en die nu de kaap van de veertig en zelfs die van de vijftig hebben gerond of zelfs niet eens hebben gehaald. Ik trek maar een streep onder de clichés. Hoewel. “Je bent sneller moe, pa.” Die zin, dat liedje, weet je wel. Maar “pa”? Nee. Dat ben ik niet. Ik hou vooral van katten, dus hoef ik dit zelfs stil niet te horen. Twee katers heb ik. Hebben wij. Ik ben hun almaar krakkemikkiger en strammer wordende butler. Moeizaam volg ik hun onvermoeibaar ritme van binnen-buiten-binnen-buiten. Ik schrijf – dit mag ik hopen – nog behoorlijke zinnen neer. In de vroege ochtend en laat in de avond. En ik oefen ononderbroken in het aanvaarden van de slome fysieke teloorgang. Als het hoofd nog maar een wijle intact blijft!

Het was maar liefst tweeëntwintig jaar geleden dat ik in Zwevegem te gast was, in het atelier van beeldhouwer Kobe. De koffietijd brachten we in een kleine overvolle keuken door. Dit, onder andere, herinner ik me nog behoorlijk levendig. Voorts sculpturen in de tuin die niets gemeen hadden met de gezellige kommerloosheid waarmee hij toen al heel bewust beeldend was begaan. Het afwerken van de lange weg naar plastische eigen(gereid)heid, naar een handelsmerk. De tuin liet voornamelijk oud werk zien, buitenbeentjes, studietijdwerk…

Kobe was zijn artiestennaam. Op de dijk van Knokke-Heist stond voor een van de vele galeries een imposante, immense sculptuur van zijn hand. Een paard. Groenig brons. Het dier stond dwars. Een positie die bij zijn “meester” paste, maar gezien de aard van de sculptuur ook logisch omwille van de zichtbaarheid. Er was ook een ruiter. Of was het een amazone? Ik kwam geregeld in deze mondaine badstad, maar zelden op deze locatie en in de kunstgaleries in de omgeving, dus weet ik het allemaal niet zo precies meer. Er waren nogal wat galerieën met naar mijn gevoel een overdaad aan Cobra-kunst en oogstrelende dingen om het interieur op te smukken. Voor al diegenen die niet bereid zijn om voor pakweg een knap schilderij een meubel de deur te wijzen. Ik weet het: zo werkt het. Of net niet. Omheen een tekening of schilderij of een multiple die men via technische hoogstandjes tot een schilderij had gemanipuleerd of gemetamorfoseerd (van kwatongen kun je veel verwachten) zit het liefst nog een joekel van een lijst. Een “kader” in het West-Vlaams. Ik erger me, maar “mooi ingekaderd staat netjes”, nee? Kunst om te verfraaien. Zo luidt de titel van een monografie, geschreven door een gerespecteerd collega, over kunst in de Brusselse metro. In “Maalbeek” zal men hier nu wel anders over denken. Ook Benoît, de geestelijke vader van de tegelwerken in “Maalbeek”.

Wat ik van tweeëntwintig jaar geleden wel nog met zekerheid weet is dat ik getroffen was door het grote vakmanschap van de kunstenaar. Noem het metier. In de galerie stond kleiner werk. Paarden en vrouwen. Die immense formaten hoefden niet, vond ik. Te protserig. De essentie die Kobe in zijn werk bereikte droeg immers een zekere monumentaliteit in zich. Vooral de marmeren beelden charmeerden. De adering in de steen. Hoe de kunstenaar hier attent en vaak met lef mee om was gegaan.

 

Kobe was het pseudoniem voor Jacques Saelens (°1950). Drie jaar ouder dan ik. Hij de oudste van zeven; ik de jongste van een even uitgebreid nest. Gezellig praten bij het haardvuur was wellicht nooit zijn deel geweest. Ook het mijne niet. Bij ons was het een grote stoof. Met deurtjes. Maar goed, ik zou me meer dan een wijle in Kobe’s oeuvre verdiepen en ben er dus een paar keer op bezoek geweest. Men had me verwittigd: een eigenzinnig man, koppig, kort van stof.

Ik wilde vooral weten hoe hij tot zijn handelsmerk gekomen was: die brede en tegelijk smalle beelden, de oorzaak van de vaak vervelende en onheuse associatie met het oeuvre van Fernando Botero. Ooit zat hij, Kobe, – om medische redenen – een hele poos thuis en kwam er geen materiaal binnen. Uit verveling behielp hij zich op de duur dan maar met wat wél voorhanden was: een breed en smal stuk (hout, vermoed ik) waaruit hij een figuur zou halen. Een ander verhaal voert ons naar het kunstenaarsdorp Pietrasanta (Italië), en meer nog naar het nabijgelegen Carrara. In de buurt van de marmergroeven daar vallen naar verluidt al eens restanten te rapen. Breed en dun. Basiswerktuig waarmee de meeste kunstenaars niets konden noch wilden aanvangen. Al zeker de gevestigde waarden niet. De jonge,  koppige, eigenzinnige Jacques Saelens dus wel.

Een paar jaar later was ik onder meer bijzonder actief in wat socio-cultureel werk wordt genoemd. Naar aanleiding van “Brugge, Europese Culturele Hoofdstad 2002” had ik mij blindelings, mateloos enthousiast en dus compleet gesmeten in een project dat zich zou afspelen in de eerste Brugse sociale wijk.  Wekelijks had ik voor een krantenrecensie nog wel met kunstenaars en galerieën contact, maar Kobe verloor ik uit het oog. Zo gaat dat nu eenmaal. Af en toe zag ik nog eens een werk van hem, maar steeds dacht ik: ik heb het al gezien. Het is – hoewel super fijn, technisch outstanding en oogstrelend mooi – variëren op één thema. Op twee eigenlijk: het paard en de vrouw. En Kobe, die zat – werd me later duidelijk – ondertussen al lang waar hij wilde zijn: in Zuid-Europa. Dichter bij de zon en de blauwe luchten, een wereldvermaarde steengroeve en een culinaire traditie die zijn absolute voorkeur wegdroeg.

Het was zijn zoon, Albin, die in zijn huis in Pietrasanta teksten van mij had gevonden. En het was een uitgeverij van vooral kunstboeken die me contacteerde. Ik kwam te weten dat Kobe twee jaar geleden danig met zijn gezondheid op de sukkel was geraakt, hierdoor ternauwernood nog een tekening op papier kreeg en dat in dit geval het leven voor hem niet meer hoefde. 2014.

Op een zekere dag stond zijn zoon voor mijn deur. Meer zoon van je vader kan je uiterlijk amper zijn. Dat haar, die doordringende ogen, de zuiderse look. Albin, zesentwintig ondertussen. Hij had een bvba opgericht om het werk van zijn vader eer aan te doen. Ik vernam dat ook voor hem Pietrasanta en Carrara geen geheimen meer hebben. Het werk van zijn vader, bij wie hij geregeld op visite was, evenmin. Terwijl ik als criticus gewoon was geworden om me week na week in andere kunstwerken te verdiepen en erover te recenseren, kwam Kobe weer in mijn leven. In die tweeëntwintig jaar was zijn werk nog meer naar de technische perfectie toegegroeid en daarom – vóór nader toezien – misschien wat koel. Duidelijker werd het keurslijf waarin hij zijn oeuvre gemanoeuvreerd had: breed en dun en dan nog eens gevangen in een geometrisch karkas.

Kobe en een keurslijf… Onmogelijk, behalve wanneer het om zijn werk ging en hij zich gewild in dat lijf had gewrongen. Voorts had hij immers al zijn hele leven gecontesteerd tegen al wat gezag was en had hij de pest aan uiterlijk vertoon. Koppig, eigenzinnig en kort van stof. Ik was ooit opvallend vaak verwittigd.

Ik zag foto’s van werken die ik uiteraard niet kende, maar waarin ik meteen Kobe’s hand zag. Ik merkte hoe hij, die ooit zo’n afkeer had van abstractie, deze toch zijn artistieke territorium had binnengelaten. Ik denk dat er geen andere uitweg meer was. Als je binnen zo’n strak kader gaat creëren…  Meer en meer werd de essentie nagestreefd en af en toe eisten details een hoofdrol op. Het verwondert me geenszins dat Kobe er met zijn werk in geslaagd is heel wat mensen gelukkig te maken. Naar zijn publiek toe was dit zijn enige betrachting. Voor hem moest een werk dan weer puntgaaf zijn. Af.

Kobe is niet meer en toch lijkt hij meer dan ooit terug van weg geweest.

Johan DEBRUYNE, augustus 2016

 

Het nieuwe omgaan met de dood

 

 

 

 

 

 

Het nieuwe omgaan met de dood

 

Dat er aardig in gemaaid wordt tegenwoordig, schrijft

een oud-klasgenoot. Ook nu weer werden machines afgekoppeld.

Een hart viel stil. Warm werd koud. Geel werd wit. Lijf werd lijk.

De galeriehouder naar wie ik ooit opkeek was bij de tachtig.

Zestig of net wat meer daarentegen lijkt wat vroeg. In deze tijden.

Onlangs nog fietste een zestiger heen. En danseuse. In de Franse Alpen.

Voorts een zus, een even oude zielsgenoot en de vader van een

jonge vriend. Ook hun hart klopte niet langer.

Veel droefenis in korte tijd. En jij, jij wacht in het antichambre

van het crematorium. Je zit, want je hebt slechte voeten.

Vroeger rouwde je in een kerk. Daar kon je gaan zitten zonder

gêne. Een service die je met stoelgeld betaalde. Er waren

een kist, grote kaarsen en bloemen. Die zijn er nog.

Maar o zo nadrukkelijk vandaag is de aanwezigheid van

grote schermen. Bewegende beelden geven je de illusie dat

de overledene niet echt dood is.

Net als de al dan niet inspirerende muziek verdoezelen de plaatjes

de taal, die doorgaans geweld wordt aangedaan. Het bemoedigt

mij dat haar aandeel terecht is gedecimeerd. Je kijkt naar beelden

of je kijkt heel even weg om te slikken en te zien hoe anderen

meer geïnteresseerd lijken in wie wél nog leeft en hoe die zich

tot elkaar verhouden.

De ceremonie is veranderd, maar de leegte blijft.

Na de kussen, de knuffels en de babbels gaat het leven snel weer

zijn gang. Rouwen… Kunnen we dat nog?

 

Johan DEBRUYNE, juli 2016

 

Kunstwerk & copyright Karolien Soete

 

Watouweg?

Watouweg?

Weer ben ik op weg naar Watou. Ik vind het blindelings, het dorp nabij de Franse grens. In rijd alleen. Dit keer vrouw noch vriend(en) in de auto. Zoals tijdens de voorbije zesendertig (!) zomers sleep ik me straks opnieuw voort (ik heb de onuitwisbare indruk dat het altijd warm tot heet is wanneer ik er het Kunstenfestival bezoek) van zolders naar kelders, van een verlaten hoeve naar een vervallen woninkje of een in onbruik geraakte basisschool… Overal geurt het naar vochtige warmte. Tussen onbewoonde en des winters nimmer verwarmde muren nestelt zich gauw een kleffe geur. Nooit eerder aan gedacht: het “Kunstenfestival Watou” heeft zowaar zijn eigen geur.

Die hoort bij de festivallocaties, net als het zicht op de Mont Noir (en de gedachte aan Marguérite Yourcenar), de gammele trapjes, de verweerde muren en de nadrukkelijk aanwezige leegte tussen verre bomen en golvend groen. En ergens, net buiten de bewoonde kern: de as van een te jong gestorven dichter.

Op deze prille julidag kijk ik vooral uit naar een weerzien met aparte wezens. We gaan blikken ruilen in een volstrekte stilte. Het zijn de geesteskinderen van de Spanjaard Juan Munoz en van de Gentse kunstenares Maen Florin. Omdat Florins wezens op deze editie zo nadrukkelijk aanwezig zijn en zich naadloos inpassen in het thema “mededogen” van deze editie heb ik in <H>ART-magazine behoorlijk ongebreideld de lof gezongen. Niet het vele is goed, maar het goede is veel. Er zijn voldoende argumenten om nog eens een persconferentie bij te wonen, hoewel ik dit soort “officiële” aangelegenheden het liefst aan me voorbij laat gaan.

In de parochiezaal luister ik naar de zware, vermoeide en moedeloos klinkende stem van intendant Jan Moeyaert. Hij houdt een microfoon in de hand. Op de tafel voor hem staat een ongebruikte blauwe gieter. Klein formaat. Mooi ding. “Fier als een gieter” of “afgaan als een gieter”. Het kan met “Watou” beide kanten uit, alludeert hij op het object voor hem, maar ik vermoed dat hij op dit moment al meer weet. Een selectiecommissie is vastbesloten het festival in Watou te begraven. De moedeloosheid in zijn doorrookte stem neemt almaar toe. Hij spreekt lijzig. Ook zijn stem hoort bij “Watou”. Ze past bij de verslagenheid die zich ook van vele aanwezigen meester heeft gemaakt. Pas wanneer iets dreigt te verdwijnen beseffen we de waarde ervan.

Onderweg spookte nog van alles door mijn hoofd. Is dit mijn laatste rit op automatische piloot naar deze plek? Gaat dit unieke festival van beeldende kunst en poëzie nu werkelijk verdwijnen? Moet ik Moeyaert waarschuwen voor het avontuur dat hem straks in Damme wacht? Ik denk ook aan de jaren dat Jan Hoet voor het beeldende aanbod zorgde en aan de avond dat hij probleemloos met mijn vrouw op de foto ging. Aan een tafel, te groot voor een kamer, een gigantisch in elkaar gestuikt kruis, een paardenmolen die nooit meer zou draaien…

Na de woorden van Moeyaert eet ik een enkel exquise bordje “Hommelhof” en begin meteen aan mijn zoektocht naar schoonheid en zin in deze uithoek van West-Vlaanderen. Ik sta versteend te midden een invasie reuzenmieren: “Casa Tomada” van de Columbiaan Rafael Gomezbarros. Bij nader toezien bestaan de mieren uit twee mensenschedels, hun poten zijn takken en om hun lijf zit stof gewrongen van kapot gescheurde kleren. In het Festivalhuis kijk ik verrast hoe Florin haar introverte wezens heeft opgesteld, hoe ze zich samen wapenen tegen de toekomstige blikken van duizenden bezoekers en hoe een kleine meid de handen voor de ogen slaat. Ik aai de bolle kopjes van de Munoz-wezens.  Ze wiebelen op hun eigen kleine wereldbol. Ik lees Hertmans en schrik wanneer de Nederlandse kunstenaar Villevoye me in een gangetje confronteert met de jonge, haveloze Adolf Hitler. Ik zie een geschilderde, beklijvende Frankenstein én een imposant schilderij : “(KOCMOC) – we have never been modern”- van Luk Berghe. De kunstenaar is in de buurt. We maken kennis en op zijn aanraden zet ik een koptelefoon op, kijk ondertussen naar een Zeppelin boven moerassig oorlogsgebied, lees een flard tekst en luister naar marsmuziek. Wat haat ik dit soort gezang, maar nu geeft het me bijna een euforisch gevoel. Ik voel me wat schuldig. Is dit dan toch zingen om de angst te overwinnen? Iets zoals fluiten in het donker?

Ik lees de vergankelijkheid in een beschimmelde… broden kop. Giuseppe Licari. Lees teksten op spiegels. Over “ismen” en over hoe anderen wel zullen nadenken. Gedichten van de jarige Patti Smith. En duidelijker dan Eckart Hahn (“One World”) kan je het niet maken: de hele wereld staat in brand. Triest en enig mooi tegelijk.

Vloeken in de kerk mag niet, maar Samson Kambalu laat er me voetballen. Van op een miniveld trap ik ballen naar een heilig verklaarde doelman. Hij pareert moeiteloos. Op de ballen kleven uitgescheurde Bijbelbladen. Buiten, aan de muur van de dorpskerk, hangt een apothekerskruis. “Cross Reference”. Een doordenker van Peter de Meyer.

Deze “Watou” is straf! Ik krijg er niet genoeg van. Net zoals van de laatste Documenta. Niet omdat de kunst me vrolijk maakt – integendeel -, maar omdat ze zo vaak op een verrassende wijze de rotzooi in de wereld in beeld brengt.

Laten ze Watou straks helemaal inslapen? Op het marktplein laat ik me in het Wethuys verleiden door een bord zoetigheid met koffie. Op het kasticket staat € 13. Dit kan geen toeval zijn. In twee bekertjes naast gettoblasters laat ik een muntstuk vallen. Piketty. Waarom is dit zo anders dan iets voor de voeten van een bedelaar droppen?

Traditiegetrouw lees ik thuis pas de catalogus. Over “De kracht van Mededogen”. Poëzietijd. Geen medebezoeker die me afleiden kan. Er zitten parels tussen. Blij ben ik met dat ene woord van wijlen Jan (van der Hoeven): “AmerIKa”. Voorts al die “ik”-jes her en der.  Het betere werk van kleppers als Hertmans en Verhelst. Maar toch is het weer Wislawa Szymborska die met haar gedicht “Een bijdrage tot de statistiek” alles perfect weet samen te vatten. Daarom dat ik het hierna helemaal overneem. Bijna 90 jaar was Wislawa toen ze in 2012 stierf. Ze had heel veel gezien en met regelmaat een vlijmscherpe poëtische synthese afgeleverd. Er is niets veranderd, schreef ze ooit. Enfin, nauwelijks iets. Alleen de schone schijn is toegenomen, de leugen opgeblazen en “Watou” kwijnt weg in een diepe slaap.

EEN BIJDRAGE TOT DE STATISTIEK

Op elke honderd mensen

 

zijn er tweeënvijftig

die alles beter weten,

 

onzeker van elke stap -

bijna de hele rest,

 

bereid om te helpen,

als het niet te lang duurt

-         wel negenenveertig,

de goedheid zelve,

omdat ze niet anders kunnen

-         vier, nou, misschien vijf,

in staat tot bewondering zonder afgunst

-         achttien,

leven er in voortdurende angst,

voor iemand of iets

-         zevenenzeventig

hebben er talent om gelukkig te zijn

-         ruim twintig, hoogstens,

 

zijn als individu ongevaarlijk,

maar slaan los in de massa

-         in elk geval meer dan de helft

 

zijn wreed,

als de omstandigheden hen, dwingen,

-         hoeveel kun je beter niet weten,

ook niet bij benadering,

 

verstandig als het te laat is

-         niet veel meer

dan voor het te laat is,

 

willen er van het leven alleen dingen

-         veertig,

hoewel ik me hier liever vergis,

 

duiken, een en al pijn, in elkaar,

zonder lantaarn in het donker,

-         drieëntachtig,

vroeg of laat,

 

verdienen er medelijden

-         negenennegentig,

zijn sterfelijk

 

-         honderd op de honderd.

Een getal dat vooralsnog niet verandert.

Wislawa Szymborska

JOHAN DEBRUYNE, begin juli 2016

 

-

“Glasses”: banale brillen, maar nu geschilderd!

 

“Glasses”: banale brillen, maar nu geschilderd!

Meteen na mijn Plechtige Communie al, dan ben je zo’n dertien, was ik aan een bril toe. Zo’n halve eeuw later weet ik nog precies waar ik – samen met mijn moeder – het montuur ging halen. De naam van de zaak is me ontgaan. Ik mocht er dan wel een beetje kiezen, maar weet nog verdomd goed dat ik vond dat er amper keuze was. Dit laatste zou gelukkig snel veranderen. Op dat moment was een andere jonge Bruggeling, Patrick Hoet om hem bij naam te noemen, op zijn kamertje al volop bezig met het tekenen van… brillen en net zoals in andere sectoren stond ook in deze de tijd niet stil. Ik ben ijdel en was het toen nog meer. Ik had snel door dat je van een mankement je sterkte kon maken. Ik had geen oor naar gezag of gezeur en zou relatief snel kiezen voor een bril die me een zekere allure gaf. Bij het kiezen van een zogenaamd “gedurfd” montuur, waarmee je dan continu rondliep in een bijzonder bekrompen provinciestad, staken populaire figuren als een Michel Pollnareff, om er maar een te noemen, je meer dan een hart onder de riem.

Vervolgens kwam er ook snel de kunstmicrobe. Deze zou leiden naar een kleine, aparte wereld, waar men niet staarde naar een – toegegeven – bizar ding op je neus, waarin ik nu toch al zo’n 40 jaar meedraai. Dat het vandaag en de komende weken of maanden (de advertentie is hieromtrent niet erg duidelijk) in het MAS, het Museum Aan de Stroom op het Antwerps Eilandje om “Glasses” draait, kon me dus moeilijk ontgaan zijn. Om de vijfde verjaardag van die verrassende architectuur op dat heerlijke plekje te vieren toont men er schilderijen van Luc Tuymans, maar dan wel alleen schilderijen waarop de meester brildragers heeft afgebeeld!

Mijn al vroeg verzwakte zicht (ik ben bijziend) is ooit vastgesteld door een dokter van het PMS (het Psycho-Medisch-Sociaal centrum, vandaag CLB). Met jaarlijkse regelmaat moest je daar met de hele klas naar toe voor fysieke en andere proeven en metingen. Veel weet ik er niet meer van (ik zie nog een plein voor me, het bordes en de ramen), alleen dat ik er op zeker ogenblik helemaal naakt stond en heel hard op de rug van mijn hand moest blazen. Ondertussen zat de dienstdoende arts met zijn hand in de buurt van mijn jongeheer. Ik zou pas veel later vernemen dat dit voor mij toch wat vreemd gebeuren te maken had met de lies. En vanmorgen nog zei vriend Jan me dat de dokter alleen zodoende kon zien of mijn nog jonge teelballen zich al behoorlijk hadden genesteld.

Waarom werd daar toch geen woordje uitleg over verschaft? Misschien omdat in dat geval woorden als penis en/of scrotum zouden vallen en misschien lagen die termen de leerkrachten van toen eerder slecht in de mond. Ik kreeg zowaar ooit seksuele voorlichting (een enkel uur in het gehele schooljaar, geloof ik) van een leraar godsdienst. Nu zou ik normaliter voor een keer wel heel goed hebben opgelet, maar ik herinner me van die les helemaal niets meer. Er kwamen vast geen plaatjes bij kijken.

Voorts hadden ze in dat PMS toen ook al commentaar op mijn schouderbladen. Die zouden iets te veel naar buiten gekeerd staan. En ook op mijn “studiementaliteit” was de commentaar verre van (be)lovend: ik kon de aandacht moeilijk houden. Wisten ze op dat centrum veel dat er amper leraars waren die me ook maar enigszins wisten te boeien. Ik verlangde altijd naar de weg van school naar huis, naar de vrienden, naar een bal.

Nu, helemaal ongelijk hebben ze niet gehad: mijn rug is, na tientallen jaren van “zaalsporten” weliswaar, helemaal om zeep (mijn enkels zijn dat ook, maar dit was toen uiteraard nog niet te merken: ik zou pas tijdens mijn adolescentie platvoeten kweken) en mijn ogen zouden nooit een scherp wapen worden. Jaren geleden is het tot laseren gekomen, maar nog steeds draag ik een bril. Ik ben dit neusgarnituur onderhand zo gewend dat wanneer ik mijn bril niet aan heb het lijkt alsof ik geen kleren draag. Ik doe de bril alleen af om te slapen, te lezen, om te praten met mensen die ik vertrouw en wanneer ik – op zondagochtend bijvoorbeeld – de rotzooi om me heen nog niet in volle scherpte wil zien. De samenleving bijvoorbeeld. En sporten? Dit deed ik met lenzen.

Nu weet ik na al die jaren van recenseren en het lezen van recensies, teksten, essays en boeken omtrent beeldende kunst, hoe graag men in dat wereldje met moeilijke woorden strooit. Doorgaans, denk ik wel vaker, om dingen die men niet begrijpt toch maar in taal te vatten. Ook titels van tentoonstellingen bezorgen me vaak binnenpretjes. Zoiets als “This is not a landscape”, terwijl je niets anders ziet dan geschilderde landschappen. Enfin, een tentoonstelling moet een naam hebben.

Dezer dagen maakt De Standaard, de kwaliteitskrant, weet je wel, paginagroot reclame voor de tentoonstelling “Glasses” in het jarige MAS.  Ik moet lachen als ik de tekst lees onder een gebrilde, door Tuymans geschilderde gebrilde kop. De krant heeft het over een atypisch thema in de schilderkunst: de bril. En dan de meester zelf: “Een bril brengt een soort van distorsie van het gezicht, zorgt voor een identiteit en tegelijkertijd een maskering. De banaliteit van de bril krijgt door hem te schilderen een andere betekenis…” Het klopt allemaal als een bus en ik denk aan de lang overleden conferencier Wim Sonnevelt als “Frater Venantius”, maar nu weten ontwerpers als Patrick Hoet en Tim Vansteenbergen tenminste dat ze banale dingen creëren en dat die banaliteit pas verdwijnt wanneer ze geschilderd is…

Ik zag deze week trouwens een foto van mensen in het San Francisco Museum of Modern Art. Een grapjas had een bril op de grond gelegd en iedereen dacht meteen dat het een kunstwerk was. Als gekken begonnen de bezoekers het montuur te fotograferen. Ik begrijp vandaag beter dan ooit waarom mijn vrouw, als ik ze meekrijg naar een tentoonstelling van actuele kunst, al eens  vreemd en bevragend in mijn richting kijkt.

Deze week heb ik een sportieve vriend proberen uit te leggen waarom ik zo gek ben op de abstracte doekjes, een paar vlakken verf, van Raoul De Keyser. Ik heb gezweet…

Brillen… Uiteraard doet een bril iets met een persoon. Zelfs een bril zonder montuur doet dat. Maar daar zo’n poeha om maken. Kortelings zag ik een oud-leraar van me. De man was boodschappen aan het doen. Het was een totaal onverwacht weerzien. Hij moet zo stilaan naar de negentig toe gaan en ik had hem nooit anders dan keurig in het pak geweten. Nu droeg hij een jeans en sneakers. Broek en schoenen gaven de man een totaal andere uitstraling. Meer ga ik er niet over zeggen of ik verval zelf in woordenkraam. Maar goed nieuws dus voor het MAS. Een suggestie voor de tiende verjaardag: ouwe bokken in een jeans en op sneakers.

JOHAN DEBRUYNE, eind mei 2016

Een hoek af, maar nog zo mooi!

     

Een hoek af, maar nog zo mooi!

Sinds enkele jaren ben ik meer dan een beetje in de ban van het beeldend oeuvre van Maen Florin. Ik herinner me vaag “klassieke” portretten van haar: grote koppen, bustes in klei. Vakkundig gemaakt, maar ogenschijnlijk doodgewoon. En toch. Het introverte karakter van haar protagonisten intrigeerde me. Ze werden gezien, want je kon er amper naast kijken. Maar wie keek met voldoende aandacht? Wie stond lang genoeg stil?

In 2008, onder impuls van wat Paul Mc Carthy toen in het Gentse S.M.A.K. had aangericht (zelfs muren moesten er aan geloven), is Florin losgebarsten. Zij het minder agressief en provocerend dan Mc Carthy, maar vormelijk en inhoudelijk leek ze bevrijd uit het “klassieke” keurslijf. In het Gentse Caermerklooster zag ik wat later haar eerste verrassende, bizarre figuren. Ik herinner me onder meer een immense kop die met opzet de weg zowat compleet versperde en ik zag bizarre kopjes aan … kapstokken hangen. Of waren het maskers?

Naar aanleiding van het feit dat Florin sinds enige tijd het hele Kunstenhuis in Harelbeke met haar bevreemdende wezens bevolkt, had collega Veerle Van Durme het over mensen “met een hoek af”. Dat net zij het zijn die de kunstenares mateloos intrigeren. Ik herinner me in dit verband de heerlijke laatste jaren van een idool van me: acteur Julien Schoenaerts, volgens velen Vlaanderens grootste acteur ooit en vader van Matthias die het nu waarmaakt op de internationale filmscène. Op het moment van de opnames was Julien “een vijs kwijt”. Of een paar zelfs, beweerde zijn zoon toen. Hij zei het in alle ernst, maar met natte ogen. En dat het de juiste vijzen waren die hij kwijt was geraakt, besloot Matthias. Een onvergetelijk vader-zoonportret.

Ik moest aan dit “gouden” Canvas-moment denken, toen ik het Kunstenhuis betrad. Een vijs kwijt of een hoek af. Ik voel ook wel wat voor mensen met een hoek af. Voor zij die uit de band durven springen, buiten de lijntjes kleuren: ongewild  heimelijk of (h)eerlijk open en zichtbaar. Uiteraard hebben de wezens die Florin creëert hier niet voor gekozen. Ze zijn in zekere zin “onvolmaakt” en alleen zij, Maen Florin, is daar verantwoordelijk voor. Zij schept ze.

In al die tijd is de kunstenares technisch zo bedreven geraakt en ze kan met zo veel verschillende materialen overweg dat het lijkt of ze neer kan zetten wat ze wil. Rubber, epoxy, klei, keramiek, polyurethaan… Het maakt haar niets meer uit.  Ze neemt weg, vult aan, rijt doormidden, zet aaneen… Ze zet de dingen en de wezens geheel naar haar hand. Ze verhult helemaal niets meer in iets wat uitmondt in een confrontatie met onszelf. Wat/wie vroeger door en voor de maatschappij werd weggestopt en liefst vergeten of opgesloten, geeft zij vandaag een (bescheiden) forum. Nu is ook een artistieke “geboorte” geen lachertje. Al zeker mentaal niet.

Bekend zijn haar grote creaturen: koppen met een verlengde varkensneus. Ik zie voorts wezens zonder handen, eenogen, hoofden die uitmonden in een soort bloempot, een wezentje dat een paradijsvogeltje achter de rug verstopt. Hij wil het lang gekoesterde kleinood geven aan de meid die het dichtst bij hem staat. Maar bij nader toezien heeft die geen armen… Ik had dit laatst in eerste instantie niet gezien. Bij wat Florin aan wezens creëert moet je goed kijken, maar het went verdomd snel. Bij een van haar figuren had ik niet gezien dat de ene hand groter was dan de andere. We kijken, maar zien we nog wel? En evenmin dat die relatief struise vrouw eigenlijk een mannenhoofd heeft. Maen Florin zal het ook wel een beetje leuk vinden de toeschouwer even op het verkeerde been te zetten.

De maatschappij zet zich door in het werk van Maen Florin. Ook de genderproblematiek. Geen opgestoken vingertje, maar ze houdt ons een spiegel voor. Een dikke dwerg heeft zich als ballerina verkleed. Compleet in het wit. Hij, het is een jongen, een man eigenlijk, houdt een dun wit koordje in de handen en draagt een al even wit masker.

We herkennen continu trekken van onszelf. Kleine kantjes. Vooral het introverte is heel opvallend. Zo aanwezig ook dat het eigenlijk gewoon is geworden. Alle communicatie is weggevallen. Heel herkenbaar en ook al niet verrassend. Tal van kleine en grote schermpjes brengen de wereld vandaag immers tot bij ons. Ook wij, “gewone” mensen, hebben elkaar nog nauwelijks nodig. We kennen elkaar niet meer, we zijn digitaal verslaafd en drie letters, G, P en S, leiden ons overal naartoe.

In de kelder van het Kunstenhuis in Harelbeke zit “Wrong Face” koning of keizer te wezen. In het halfduister heb ik het weer niet meteen in de mot: een best knap kereltje, onvolgroeid, behalve zijn hoofd. Maar de ene kant van zijn gezicht vertoont gezwellen die hem vroeg of laat zijn laatste beetje fierheid zullen ontnemen. Hier speelt zich eigenlijk een drama af. En toch, zijn aankleding, zijn fierheid en wilskracht zijn opvallend. Een verdieping hoger zit “Remade 2”. Een jongen uit tal van materialen samengesteld, maar zijn wat grote hoofd is van keramiek, nog eens grillig met pigmenten behandeld. Ik wil hem troosten en ga even bij hem zitten.

“Hug”, “Screem”, “Helmet”… je moet ze gezien hebben. Het zal allemaal kunnen op de volgende “Poëziezomer” van Watou, waar het werk van Florin nadrukkelijk in de kijker zal worden geplaatst.

Op zolder van het Kunstenhuis kom ik in mijn meer vertrouwde wereld. Op een grote tafel staan keramieken hoofden, ook deze zijn finaal met pigmenten bewerkt. Florin gaat uit van een krantenfoto of een gezicht dat ze op tv of nog ergens anders heeft gezien. Terwijl ze met klei geduldig de koppen, die ze graag karakters noemt, verder afwerkt, kruipen weer nieuwe eigenschappen in het hoofd dat langzaam vorm krijgt. Het levert soorten prototypes op. Ik herken ze bijna allemaal, terwijl ik ze nooit eerder zag. Al wie ik ’s zondags bij de bakker zie, heeft er wat van. Tot en met het introverte. Het is er – in de bakkerij – even stil als op die zolder van het Kunstenhuis. Een zomer lang, zoals ik eerder zei,   zullen de bizarre wezens, die mededogen opwekken, maar die je eigenlijk beter met rust kunt laten, hun verschijning maken in een huis op de Markt van Watou. Ze zullen nadrukkelijk aanwezig zijn op wat hopelijk dus niet de laatste Poëziezomer wordt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, mei 2016

 

 

 

Duimen?

Duimen?

Zaterdagochtend. Alweer. Dat de tijd vliegt is geen boutade meer. Ik haal voorzichtig twee volumineuze kranten uit de brievenbus en bevrijd ze van bijlagen en katernen. Het plukken begint al bij de voordeur en ik maak de klus bij de ontbijttafel af. Het is een routineus werkje en alle hebben ze een vaste stek. Ook de plannen om gelezen of bekeken te worden, of net niet, liggen min of meer vast. Ik heb wel lang niet altijd de fut om naast het zelf bezig zijn met van alles en nog wat ook nog eens alle weekendbijvoegsels te lezen. Een deel ervan is rotzooi en vliegt meteen een kartonnen doos in. Het is én koesteren én bevrijdend een doos in kieperen.

Het wordt stilaan wat warmer en de katers slapen weer buiten. Ook vannacht.  Zelfs gisteravond was er geen houden aan, ondanks vuurwerk op een plein niet ver bij ons vandaan. De feestelijke start van de meifoor, veronderstel ik. Het regende bovendien pijpenstelen. Behalve voor oliebollen of een puntzak friet van “De Gezondheidsapotheek”, zo heet het kraam, kom ik er niet. Ook buiten de meimaand frequenteer ik zelden dit grote plein. Het is een kille vlakte en ik verdraag maar moeilijk het artistieke brons dat er water staat te slurpen.

Poesjkin, onze oudste kater, zit op de tuintafel te wachten. Wieb zakt van het balkon af. Die heeft in zijn mand geslapen. Waar Poesjkin de hele nacht uithangt is ons al tijden een raadsel. Ik geef ze een best gevarieerd ontbijt, de verwende nesten. Na enige tijd staat Wieb geduldig aan de verkeerde kant van een deur te wachten. Hij weet dat er een butler komt, die Johan heet, en dat die de deur een wijle op een kier zal zetten. Dan kan hij de trappen op. Zoals gewoonlijk klimt hij langzaam en behoedzaam naar de logeerkamer. Alsof niemand het mag weten dat hij daar een vast, behoorlijk luxueus dagverblijf heeft. Poesjkin heeft de keuken dan voor zich alleen. Het ruzie maken en het schaduwboksen zit er op.

Radio 1 staat aan. Het gaat over de Koerden. Een reportage van 25 jaar geleden. “Het Haat goed in de wereld”, speelde beeldend kunstenaar Jeroen Daled niet zo lang geleden ondeugend met taal. Deze zin, rode letters op een zwart vlak, moet opnieuw aan het raam, denk ik.

Het radionieuws is – zoals elke ochtend – niet van aard om me vrolijk te stemmen. Integendeel.  Ik eet en zie hoe de luchten snel passeren. Ik hoor “Nathalie” van Gilbert Bécaud. Het lied bezorgt me kippenvel en vochtige ogen.

Wat later lees ik over het lied dat de Rode Duivels op het komende EK in Frankrijk vleugels moet geven. Er is kritiek. Elk zijn meug, natuurlijk, maar de spelers zelf zouden hiervoor geopteerd hebben. Volgens sommigen heeft het lied, een creatie van twee wereldvermaarde Belgische dj’s, een al te hoog “Tomorrowlandgehalte”. Ik had er gisteren toevallig een flard van opgevangen  en vond het best. Niet meteen mijn genre muziek, maar toch beter dan toen  op kampioenschappen beschamend onnozele liedjes van Will of Rocco met de Rode Duivels werden geassocieerd. Om nog maar te zwijgen van het vals geneuzel van ex-internationals. Boffin en Degryse. “Go West” moet het onding geheten hebben.

Na het ontbijt mag Poesjkin de eettafel op. Hij weet het. Van zodra ik in de woonkamer verdwijn, wipt hij de tafel op. Hij wordt een dagje ouder en ik nog wat milder ten opzichte van onze oudste viervoeter. Hij krabt zich, valt in slaap bij een rist pillendozen waarvoor geen plaats meer is in de apotheekkast en na zijn ochtendslaapje vind je overal plukken haar. Vlak voor het middageten moet ik dus even aan de slag met een paar vellen van de keukenrol. Gelukkig heeft de kleine leeuw een weelderige vacht.

Om de zoveel tijd kiest hij trouwens een nieuwe stek om zich enkele uren ongestoord te nestelen. Een tijd geleden liet ik hem weer de werkkamer binnen. Hij vlijde er zich vlak voor de printer en dus vlakbij het scherm en het klavier. Als ik dan aan de slag moet of wil, ben ik genoodzaakt het toetsenbord op te schuiven, begint het snoer van de computermuis vervelend te doen en bovendien gebeurt het wel eens dat hij zich lekker uitrekt en dat er stapels papier op de grond kletteren. Ik heb weinig orde. Mijn bureau is een zootje. Ik wil wel, maar ik kan niet ordenen. Het is een vijs die ik mankeer. De melancholie zit vandaag weer diep in mijn lijf.

Morgen, in de vroegte, denk ik, stap ik weer een eind op de lelijke trottoirs, op weg naar de dichtste bakker. Ik zie dan her en der dezelfde affiche hangen: “Duimen voor een warme samenleving”. Mooi kalligrafisch vorm gegeven. En voor het woord “samen” is meer zwart gebruikt. Elk jaar bezorgen Linda en Eddy, lieve, verre buren, me zo’n slogan met een groot BZN-gehalte. Ik spaar ze, maar afficheer ze niet. Te naïef, vind ik, al zeker in deze wereld, en in een laan, een soort snelweg, waar de meesten elkaar amper kennen en een “goeie morgen” bij velen wordt afgeremd door een soort verbale constipatie.

Ik lees en mijmer en vraag me af hoe lang er al te weinig controle op onze  luchthavens zou zijn. Een commissie gaat het uitvogelen.

De baas van minister Galants kabinet, de man die ogenschijnlijk genoegzaam  zijn minister in zijn aangekondigde val heeft meegesleurd, kwam in beeld. Aan de slag (nou ja) aan zijn bureau. Op een zitbal en op sokken. Een verstandige, maar best vervelende vent, naar verluidt. Na het plaatje kan ik er me iets bij voorstellen. Tiens, mijn schoenen uitdoen was iets dat ik voor de klas net niet durfde. Ik had er nochtans vaak zin in. Ik zou me voor de klas nog meer in mijn sas hebben gevoeld.

Op het moment dat ik vaststel dat de Erdogan-rel (omtrent een niet geapprecieerd gedicht dat een Duits komiek aan de Turkse Leider had opgedragen) al verwezen is naar een kaderstukje dat amper opvalt, denk ik aan vanmiddag. Ik hoop dat Honoré d’O me (in het Oostendse Mu.Zee) met zijn grenzeloze fantasie even alle rottigheid zal doen vergeten.

JOHAN DEBRUYNE, half april 2016

Avanti, Wies!

Avanti, Wies!

Sinds enige tijd zet ze geen stap meer buiten de deur. Niet eens een stap-je. Ze nam altijd al korte (vinnige) stapjes. Perfect synchroon, lichtjes naar links en dan meteen weer naar rechts nijgend, maar toch gedecideerd op haar doel af. Die stapjes namen in vaart – nooit in grootte of lengte – behoorlijk toe wanneer haar echtgenoot, mijn broer, nog maar eens was blijven hangen. Met grote regelmaat immers zocht hij het ouderlijke huis op en dan was er geen kruid tegen gewassen: de meest banale uitvluchten (alsof de aanwezigen half debiel waren) rolden schaamteloos van tussen zijn lippen om toch maar “even” langs te lopen in het gezellig café naast de deur. In Den Groten Hert, heette het etablissement toen nog. Omdat hij veel mensen kende en zelfs hondjes met een hoedje op zou hebben aangesproken, durfde deze “feinte”, om een basketbalterm te gebruiken, al eens behoorlijk lang uitpakken.

Wanneer het haar iets te gortig (te laat/lang, dus) werd en ze wellicht geen zin had om de avond met het doorgaans weliswaar weinig kwalijk gebral van een licht beschonken echtgenoot verder te zetten, greep ze resoluut in: zonder er een woord aan te verspillen veerde ze op en ging ze duidelijk maken dat het tijd was om op te stappen. Een vreemd beeld: grote straat, de Langestraat, een immens café, een klein gekweld dametje, met ogen die vuur schoten.

Niet dat ze bazig was, maar als kleuterleidster schiet je met zo’n blik al aardig op en op die momenten zag je een beetje de kleuterleidster in haar. Wie weet had ze nog voorbereidingen te maken? Hier werd nooit iets over gezegd. Alsof het niet belangrijk was. Wies cijferde zich dus weg, tot de maat vol was. Af en toe vroeg ze ons wel om pakweg lege kaasdoosjes te sparen. Of het binnenkarton van een rol toiletpapier.

Het was irriterend en eigenlijk best lachwekkend tegelijk. Je moet weten: mijn broer was koppen groter dan zij. Een beer van een vent, met een hart van koekebrood, met een strootje te verleiden. Maar als ze vond dat het tijd was, dan ging ze. En hij? Hij volgde gedwee.

Zijn hele, te korte (hij stierf op z’n 60ste) leven bestond uit onderhandelen, praten, tafelen en met grote regelmaat van zijn fiets springen en die ergens tegen een muur stallen. Evenveel “tussenstops” voor een babbel en een frisse pint. Hij was met mensen begaan. Nieuwsgierig ook. Hij bleek voorts aangenaam gezelschap en werd vaak getrakteerd. Op dit vlak mag ik nu ook niet klagen, maar ik hou het op een fractie van zijn aantal locaties en stops, en ik ben geen pintendrinker. Ik herinner me ook dat, wanneer hij iets dronk, hij meteen om een sigaret schooide. Het merk maakte op zo’n moment helemaal niet uit.

Ze hadden gebouwd in een randgemeente. Daar waar nog een overvloed aan  grond beschikbaar was om de huizen met stroken groen te omringen. Sinds zijn dood woont ze er alleen. Hij was vaak onderweg. Wat moet hij de stad en de mensen gemist hebben! Maar goed, in die tijd – de jaren 60 – begon men vroeg met bouwen, doorgaans in de rand, er werd amper gereisd en vaker bij moeder gegeten. Daar was het ook altijd gezellig en druk. De straat van zijn jeugd was leuk en volks en er was altijd wat te doen. Je kende er ook iedereen en was overal welkom. Vandaag zie ik nog zelden een open voordeur.

Toen ik zelf het ouderlijk huis had verlaten, kwam hij eens in een licht beschonken toestand langs. Mijn vrouw en ik waren bewust in de stad blijven wonen en aan het eind van onze straat was er een boogbrug. Na nog een laatste glas reed hij huiswaarts. Wellicht. We begrepen niet hoe hij heelhuids op z’n fiets was gesukkeld en het begin van zijn rit naar de rand van de stad  was niet om aan te zien. Het was dilettantisch surplacen. Maar eens zijn sterke lichaam de fiets op snelheid had gekregen, reed hij als bij wonder kaarsrecht. Toen hij aanstalten maakte om te vertrekken, vreesden we wel dat hij die brug nooit over zou geraken.

Ik moet aan ze denken – doe ik wel vaker -, omdat ik vanmorgen in de krant iets las over “Avanti Brugge”. We hadden in Brugge ooit een basketbalteam dat tot de absolute top van het land behoorde. Als puber volgde ik de steile opgang van het team. Ze speelden toen nog buiten, in Ter Groene Poorte. Ik herinner me de spannende wedstrijden tussen Ieper en Brugge. Tussen Avanti en Athlon, dus. Of nog: tussen Thom Duff en Terry Kunze. De eerste geïmporteerde Amerikaanse spelers waren toen allesbepalend voor de resultaten.

De Groene Poorte was zijn tweede thuis, zeg maar. Hij was graag onder mensen, had bij de Frères zelf basketbal gespeeld, dus was het niet onlogisch dat hij ook bestuurslid werd. Wat later werd in zaal gespeeld. Elke thuiswedstrijd werd een unieke beleving. En Wies ging mee. Een thuismatch van Avanti zou ze voor geen geld ter wereld hebben willen missen. Ik zie haar nog naar haar vaste (houten) tribunestek stappen. Rij één.

Jammer dat ze na zijn te vroege dood niet een beetje verder op dat elan is doorgegaan. Wat later is Avanti voor de bijl gegaan. De vereniging had bekwame voorzitters die er ooit de brui aan gaven. De voorzitter die de doodstrijd van het team probeerde af te wenden of te rekken, was helaas niet uit hetzelfde hout gesneden. Maar toch respect!

Het was de hele week uitkijken naar het sportieve weekend. Voor mij was er vooral Voetbal Club Brugge, maar in de basketbalhoogdagen zeker ook Avanti. Een paar duizend mensen in een zaal, dat resulteert in een onnavolgbare sfeer! Het waren ook economische groeitijden. Voor het team stond steevast de naam van de sponsor. Imperial Avanti Brugge, weet ik nog. Toen werd de club gesponsord door een fabrikant van… salami’s. Toen ik tijdens de weekends al eens op hun dochtertje paste, lag altijd een “imperiale” salami (koelkast) binnen handbereik. Het koelmeubel, dat de worst maar net kon bevatten, was een culinaire trekpleister waar ik met al te grote regelmaat op afstapte. Er werden ook eens met regelmaat groene plastic dinosauriërs in het publiek gegooid. Opblaasbare beesten. De meest royale geldschieter was op dat moment een petroleummagnaat. En toen Racing Mechelen, lang dé ploeg van het land, Maes Pils Mechelen werd, keek niemand verrast op.

Ik weet niet precies welke taak mijn broer er vervulde, maar ik herinner me dat hij met regelmaat naar de luchthaven van Zaventem moest om een Amerikaanse (mogelijke) aanwinst op te halen. Hij diste dan verhalen op over hoe ze zich in zijn auto wurmden en over de maat van hun baskets. Die passeerde altijd moeiteloos de 50. De bonken die hij naar Brugge bracht waren dan ook altijd minstens twee meter groot.

Ik herinner me zo veel mooie momenten, maar beperk me tot de super efficiënte bonenstaak Mark Brown, de haarzuivere shots (pas lang na hun carrière driepunters) van Thom Duff en Rick Katherman, de valse trage, rosse O’Brien, en de “kleinste” Amerikaan die ooit werd aangeworven en voor ongekende sensatie zorgde: Mark Sibley. Natuurlijk vergeet ik ook Ted Suski, Imre Nyitrai, Etienne Dermaut, Patrick Delvinqiuère en Fons De Clerck niet. Deze laatste hield er een heel bizarre, handige, effectvolle haakworp op na. Het waren reuzen naar wie je als jongetje ook figuurlijk opkeek. Spelers ook die jarenlang voor hetzelfde team uitkwamen. Basket was nog een beetje “familie”. Er waren voorts ondermeer nog het nationale fenomeen Steveniers, de ingebakken elegantie van spelmaker “Gibbe” Ibens (Pitzemburg) en de onderhands scorende Korac (Standard).

Maar goed, met Avanti verloor ze ook haar man. Ze bleef (te) vaak binnen, maar kon nog intens genieten van sport op televisie. Vandaag, vele jaren later, een paar zware ziektes en valpartijen verder, is dat allemaal behoorlijk minder geworden. In aanvang deed ze nog zelf haar boodschappen. Naar de overkant van de stille straat in die stille rand: naar “Marcel en Fabienne”, ooit vanuit de stad geëmigreerd. Ik dacht toen soms aan haar. Bezorgd. Van huis tot groente en ander lekkers: amper tweehonderd meter, maar toch.

Vandaag blijft haar deur doorgaans dicht. Alles wordt aan huis bezorgd. Alleen wie haar dierbaar is komt er in. Het is haar keuze om zo het leven te leiden. Geen vlieg doet ze kwaad. Hoe het met de familie gaat, dat vertelt vooral de telefoon. Aan Robert dacht en denk ik wel eens als Club Brugge zijn thuiswedstrijden speelt. Hij ligt begraven in de schaduw van het Jan Breydel stadion. In aanvang had ik moeite met het respectloos gedaver en het letterlijk gezeik en doorheen de haag die het stadion van de begraafplaats scheidt. Vandaag durf ik al hopen dat hij meegeniet wanneer Club scoort en wint. Hoe dicht kunnen vreugde en verdriet, leven en dood bij elkaar liggen?

JOHAN DEBRUYNE, half maart 2016

PIETRO

             

PIETRO

Zoals elke jonge jongen becommentarieerde hij

licht beschroomd, maar toch bevrijd zijn vrije trappen.

Zijn oogstrelende schoten op doel (krijtlijnen op de muur van de kazerne).

Met een bal kon hij aardig uit de voeten. Was alleen wat schriel.

Voorts herinner ik mij geen enkel vlot gesprek.

Horten en stoten. Geen franje. Spelen met woorden

werd nooit nog zijn ding. Heel uitzonderlijk eens een

vloeiende volzin. Sporadisch een rist haastig

uit de keel gestuwde monotone klanken.

Mondjesmaat maken die overduidelijk wat

gezegd moet worden. Geen nuance. Een enkele keer

ongewild kwetsend.

Denkt hij dan meer? Denk hij anders? Denkt hij dieper?

Wat knelt er in zijn hoofd? Of is het kwellen?

Al wat niet verwoord kan worden?

Waar slaat hij dat gepieker op?

Achter diepe groeven in zijn voorhoofd?

Het is een alfabet dat zich moeilijk laat lezen.

Het is zijn onnavolgbare schrift.

Denkstriemen van het routineuze leven,

van de kleine zorgen van elke dag, van het overbodig

lawaai, de regelmaat, de onnatuurlijke ruis.

Denk ik.

Hij koestert de stilte en

hunkert naar gesmoorde geluiden.

Denk ik.

Hoe zou hij de plotse dood

van zijn zuster ervaren, amper

ouder dan hijzelf?

Op het beduimelde fotootje – jaren’60 -

staat het straatje bij de kerk.

Daar waar toen nog alles wat

om uiterlijk vertoon vroeg zijn beloop

kreeg. Twee lange rijen wachtende

communicanten. Kleine argeloze marionetten

van het systeem. Te midden opwaaiende

flarden tule lacht hij heimelijk

naar een lotgenoot. Alle rakkers

voor even versteend in een pak.

Aan de overkant: ZIJ. In “paterskleed”.

Een bruin sober crucifix

aan een koordje om haar nek.

Een vinnige meid als engel vermomd.

J. D.

 

 

Een maand later al

Een maand later al

Naar waar moet ik kijken wanneer ik tegen je praat? Je bent er immers niet. Niet meer. En toch ben je er. Overal zo’n beetje. Heel dichtbij wanneer ik met de auto in de buurt van het Astridpark een parkeerplaats zoek. Je huis is daar in de buurt.

Een maand geleden leefde je nog even. Met buizen en draden aan machines. Maar je was mooi en je straalde warmte uit. Dat deed je doorgaans. Even later zou het kil worden. Jij al helemaal. Je dierbaren in het hart. Onder deze kleine tegel ligt je as. Ik zie wat mannen van de groendienst in de weer. Ze verzamelen verlepte bloemen bij nieuwe doden. Ontmantelen verlopen graven. Tegen een huisje zie ik roestige kruisbeelden. Maar ook jonge graven. Gave vierkante tegels. Pril en toch al zo vergeten, denk ik.

Het was vandaag hetzelfde weer als gisteren. Koud, droog en er was zon. Daar waar jij nu een beetje bent zag ik gisteren de jonge bomen niet. Een maand geleden stonden we rond die urne en zorgden zij voor enige afleiding. Net zoals de motregen. En al die handen rond de urne. Nu schijnt de zon. Laag. Ik zie wat gras voor anderen die ons nog zullen ontvallen. Een heel klein voetbalveldje. Veel plaats lijkt er niet meer over. We moeten stoppen met doodgaan. Neem jij daarom hier zo weinig plaats in? Op de tegel aan mijn voeten kleeft een blaadje met je naam: Marie Debruyne. Getypt kladwerk. Het is nog een wijle wachten eer het Marie-Ghislaine wordt. Tiens, op jouw tegel liggen alleen nog maar witte tulpen. Met nog wat ander wits ertussen. Ik ben niet zo’n bloemenkenner. Vrieskou, regen, wind, vier weken lang. En toch hielden net jouw lievelingsbloemen hun vorm. Zich sterk. Of wierp onlangs iemand je nog bloemen toe? Geen stilleven is mooier en pijnlijker tegelijk.

Je broer Johan, 17 februari 2016