Mutsjes voor Sint-Paulus

 

Mutsjes voor Sint-Paulus

 

Wonend aan de rand van de stad heb ik de luxe van het kiezen tussen drie nabije warme bakkers. Wat ons (dagelijks) brood betreft, is onze keuze lang gemaakt. Verandering van smaak doet eten? Niet in dit specifieke geval. Spelt! Het zijn alleen de zondagvroegte en de traditie om dan pistolets en/of koffiekoeken te eten die enige twijfel in mijn nog onfrisse hoofd zaaien.

De dichtste (de meest traditionele ook), waar ik met mijn kraakbeenarme enkels zelfs te voet behoorlijk probleemloos geraak, laat ik de laatste tijd bij manier van spreken en tegelijk letterlijk links liggen. De wat norse man van de oven heef ervaring zat en is volgens het jargon een “broodbakker”. Patisserie en vergaande verfijning hoef je bij dit soort bakkers niet te zoeken. Ik ben wel hevig fan van zijn wat ouderwetse koffiekoeken. Ze refereren aan mijn jeugd als bakkerszoon. Thuis en toen was ik dit soort klassieke vast- en volheid gewoon, maar in de onlangs vernieuwde bakkerij (in zijn voormalige constellatie was de veel kleinere winkel puur erfgoed) kan ik voor mijn vrouw maar geen enkele koek met enig fruit vinden. Ze hebben nog wel een enkel exemplaar dat ze lust, maar het is een kanjer die wel eens op haar maag wil blijven liggen en om daarvoor zo vroeg gewassen en gekleed het huis te verlaten… Het plezier dat ik er haar mee doe is te gering.

Enkele staten verder, steeds op dezelfde parochie, vind ik de klassieke koffiekoeken (al dan niet met rozijnen) minder lekker, wat klein ook, maar tref er aan met appels en krieken. De jonge bakker focust er vooral op patisserie (heerlijk), zodat zelfs tegen halfacht de beperkte fruitige koekenaanvoer al aan de man of vrouw is gebracht.

Het valt me niet langer op, maar meestal sta ik er in de rij met in hoofdzaak mannelijke soortgenoten. In alle bakkerijen, trouwens. Het bijzondere aan deze bakkerij is wel dat je er verse pistolets kan kopen en je als beleg tegelijk van een bol kaas enige verse plakken kan laten snijden. Behoorlijk uniek in onze kontreien. Een traditie van de bakker die voordien jaren de zaak runde die gerespecteerd is gebleven.

Voor de lange rijen zou je ze alle twee mijden, maar warme bakkers zijn tegenwoordig dun gezaaid. Wellicht nog dunner dan politici die louter aan het welzijn van de burger denken.

Dus kruip ik de laatste tijd op zondagochtend, de klok van zeven amper voorbij, de auto in, het kanaal over, naar een grote, aantrekkelijke bakkerij met een aanbod dat je tureluurs maakt. Bestelwagens rijden er af en aan, want de moederzaak telt nogal wat filialen. Telkens er zo’n zaak bijkwam, moest ik aan mijn tante Rachel denken. Ik heb het nu over de jaren zeventig van de vorige eeuw. Twee huizen bij haar vandaan was er een slagerij. De al wat oudere man verkocht onder andere rauwe ham – droog en zout -, dat vond je nergens! Tot zowat iedereen dit in de gaten kreeg en de hespen de tijd niet meer kregen om te drogen. ’s Mans winst moet even hebben gepiekt, maar het succes was – net als de ham – geen lang leven meer beschoren.

Daar, over de brug, bij een modernistisch kerkje dat zijn toren opzij heeft en dat onlangs al in de steigers moest, zijn de rijen zowaar nog langer. Gelukkig staat een batterij jonge dames en rijpere vrouwen er voor je klaar, zodat het behoorlijk schuift. Je vindt er werkelijk àlles, niet alleen wat gebak, brood en patisserie betreft, maar de soorten pistolets (!) en koffiekoeken zijn legio. In de auto, op weg naar, smoor ik de radio om me te kunnen concentreren op mogelijke combinaties. Ik oefen dan tegelijk de soms koddige namen van het lekkers dat ik straks in de mand op de ontbijttafel ga deponeren.

Een paar zondagen geleden leek het of er wat elektriciteit in de bakkerijlucht hing. Er was ogenschijnlijk niets (ergs) gebeurd, maar toch voelde het wachten, zoeken en observeren anders aan. En toch. Het ging om iets minimaals en tegelijk indringends, zou achteraf blijken. De doorgaans uitermate vlotte en gastvrije equipe liep zowaar wat geagiteerd bij, vond ik. Ze waren met zijn allen duidelijk wat van hun melk. Na een paar minuten had ik het in de gaten: allemaal hadden ze dit keer een blauw mutsje op. Stiekem – af en toe ook ongegeneerd – werden opmerkingen gemaakt en flauwe grappen waren niet van de lucht.

Terug in de auto, dacht ik: om hygiënische redenen kan het niet zijn, want de kokette mutsjes bedekken alleen de kruin en het achterhoofd. Integendeel zelfs. Het lijken me attributen die je beter dagelijks in de wasmachine stopt. Zoals de dames zich daar de voeten van onder het lijf lopen! Voorts had ik met hen te doen. Hun kapsel moest na een urenlange shift toch redelijk naar de vaantjes zijn. Na verloop van tijd en nog wat grappen en complimenten, al dan niet gemeend deze laatste, bleek de ergernis veroorzaakt door de verplichting om zo’n ding te dragen. En als klap op de vuurpijl bleek het dan nog een man die het dragen ervan had bevolen!!! Maar wellicht nergens meer letterlijk dan in deze context: wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Ook mannen kunnen kletsen. En al zeker op zondagochtend bij de bakker…

Vorige zondag keek ik van op afstand – ik had de auto geparkeerd – en zag van in de verte de kleine blauwe dingen. Tiens, dacht ik, dan zou de luifel boven de riante zaak dezelfde kleur moeten hebben. Nu is die vaalbruin.

Ach, mij kan dat mutsje eigenlijk niet schelen als ze mij maar niet tot het dragen van iets verplichten én als de kwaliteit van de koopwaar maar behouden blijft. Over de prijs had ik het er onlangs – we hadden de zaak net verlaten – met een ouder iemand die vroeger met regelmaat bij ons in de winkel was geweest. Een verre buur. “Twintig euro,” zei hij, “voor deze zak hier,” indertijd had ik daar bij jullie wellicht een volle triporteur voor!”

We staan er niet bij stil hoe duur dit soort elementaire zaken zijn geworden. En basic kan je het nauwelijks nog noemen. Je geraakt aan het aanbod nog nauwelijks wijs uit.

En dat mutsje? Het went, zoals alles. De gezichten van de Sint-Paulushostessen hebben opnieuw hun gewone kleur, de commotie lijkt verdwenen. Nu nog die blauwe luifel, meneer.

Johan DEBRUYNE, augustus 2017

 

 

“Thelma en Louise”

 

 

 

 

 

 

“Thelma en Louise”

 

Lang geleden zat ik aan een lange tafel. Een communiefeest bij verre buren. Het was druk in het kleine huis. Omdat voor haar toen al twee mensen als een groep aanvoelden, was L. wijselijk thuis gebleven. In het overvol interieur zag ik toch meteen een kleine vogelkooi. Er was ook een cavia-biotoopje. Ik dacht meteen: zo’n gedruis is nefast voor beestjes. Ik dacht aan onze poezen. Hoe die al de vlucht nemen voor een enkele stille gast. Ik kreeg een glas aangeboden en koutte met onbekenden.

Er was een druilerige ochtend aan vooraf gegaan, maar plots klaarde de hemel op en verkaste de luidruchtige meute naar een groot terras, palend aan een verrassend diepe tuin. In het gras werd gevoetbald (een kleine houten doelmond maakte dit duidelijk en naarmate de middag vorderde zouden almaar zatter wordende grote mensen in de buurt van een houten rechthoek hun voetbal(on)kunde demonstreren). Je kon er ook basketbal spelen (een korf, bevestigd aan de achtergevel van de buren liet hier geen twijfel over). Een oude, obese buldog lag te midden gehavende tennisrackets naar adem te happen. De paaskuikens waren kippen geworden. Ze liepen vrijelijk, maar behoorlijk doelloos en onrustig rond. Her en der lagen ballen.

Omdat ik na amper twee glazen alcohol de leukste van de meute ben en heel wat rotzooi vergeet, en na een derde compleet loss, hield ik het bij “verblijd” en zat ik behoorlijk scherp te observeren. Ik keek hoe mensen met elkaar, met de dieren en met de dingen omgingen. Als dierenvriend was ik op dat soort reünies al altijd alert, al was het maar om de aanwezige dieren – die de meeste mensen nog altijd als inwisselbaar speelgoed aanzien – voor mogelijk onheil te vrijwaren.

Op zeker ogenblik is de zich stierlijk vervelende, gevierde kornuit nog in z’n eentje een balletje aan het trappen. Wat moet een kind immers met al die grote, half en geheel zatte mensen? Ik speel even met hem mee, maar gooi me na een klein kwartier uitgeput op mijn stoel. De verveling bij de jongen culmineert. Terwijl mijn tafelgenoten verder lallen, volg ik zijn doen en laten. Nog twijfelend of hij enig voetbaltalent heeft. Het dringt snel het tot me door dat hij de bal met regelmaat richting kippen trapt. Zij zijn een mikpunt. Hij wil ze raken. En dus pijn doen. Ik moet denken aan Wislawa en haar fameuze “Bijdrage tot de Statistieken”. Ikzelf, een watje, zou – op die leeftijd en onder die omstandigheden – naar de winkelhaak hebben gemikt, of naar de lat, of mijn verveling op trillende netten hebben uitgewerkt. Helaas, de kippen moesten het vergelden. Meteen na het dessert bedacht ik een uitvlucht en verliet het feest, te laf om een opmerking te maken.

Sindsdien zijn feesten minder nog dan ooit aan mij besteed. Ik moest er onlangs opnieuw aan denken. Tijdens een van de tentoonstellingen die ik dit jaar bezocht: “The Beauty of the Beast”.

Ik was er als de… kippen bij. Al op de vernissage, dus. Ik zag levende varkens (de resultaten van een kweekprogramma van kunstenaar Koen Vanmechelen), schapen-met-stamboom en de gasten werden verwelkomd door een immense wolf en een impressionante uil. De eerste maande tot voorzichtigheid aan; de tweede nodigde je uit om je een wijle in zijn schoot te nestelen. Voor deze laatste twee kunstwerken tekenden Stief Desmet en Johan Creten. Een en ander speelde en speelt zich af op en rond het Kasteel d’Ursel (Hingene). Achter het kasteel zet de ingetogen (het gebouw heeft iets huiselijks) rust zich voort in het rimpelloos oppervlak van een vierkante vijver, waarachter twee reuzenhonden van Sweetlove de wacht houden. Roze en rood. Een verrassend duet. Hoe enig mooi lelijk kan zijn.

Wat er van tientallen kunstenaars geëxposeerd wordt is van hoog niveau. De tentoonstelling loopt in samenwerking met het voor vele jaren in stellages gekooide KMSK Antwerpen, waardoor ook van oudere werken met dieren als protagonisten kan worden genoten. De vindingrijkheid, de verscheidenheid en de enscenering zijn verbluffend. Mijn liefde voor dieren wordt ruimschots gevoed. Een roedel honden vind ik te eng behuisd. Voorts niets op aan te merken.

Wanneer we aan het slot van een lange avond met ijsjes worden verwend terwijl we bij de vijver staan te praten, vraagt iemand wat me het meest heeft getroffen. Ik had ontzettend veel knap werk gezien, maar bij een enkel moest ik bijna letterlijk naar adem happen: een foto (op dibond) van Henk van Rensbergen. Een monumentaal ding. Een verlaten huis, oud behang met een diepe scheur, twee openstaande bruine deurtjes en voorts onpeilbare stilte. Twee kippen zoeken er zich een weg. Vriendinnen, zo zou later blijken, luisterend naar de namen Thelma en Louise. Een verwijzing ook naar een bekroonde misdaadfilm uit 1991, “een feministische roadmovie”, zou ik – thuisgekomen – lezen.

Ik kwam de kamer binnen waar die foto hing en meteen had ik het gevoel dat er iets ingrijpends was gebeurd. Dat de mens compleet verdwenen was (wat me, vreemd genoeg misschien, enigszins opluchtte) en dat de twee kippen er het beste probeerden van te maken. Ogenschijnlijk rustig, gedecideerd, nieuwsgierig. Op overlevingstocht. Sublieme foto. Ik bleef lang kijken. De stilte was oorverdovend.

Het toeval wil dat twee maand later van de hand van dezelfde kunstenaar, in hoofdzaak bekend als “urban photographer”, een monografie (Lannoo) verschijnt: “No Man’s land”. Het voorwoord is van de hand van de wereldvermaarde zoöloog Desmond Morris en voor de epiloog kroop auteur Peter Verhelst in de huid van de laatste nog levende homo sapiens.

Ik heb Morris’ tekst twee keer gelezen. Dat er ten tijde van Christus 255 miljoen mensen op aarde leefden, tijdens Morris’ jeugd al zo’n goeie twee miljard en vandaag, ondanks ontelbare oorlogen, epidemieën en andere wantoestanden, maar liefst 7,5 miljard. De aarde kan dit niet aan en Morris legt uit waarom. Koop het boek, geniet en huiver. Van de schoonheid van de natuur, die opnieuw ongeremd zijn plaats inneemt, en leer wat voor dieren de ramp zullen overleven. Flora en fauna zullen er wel bij varen. Ik denk aan de klimop in mijn eigen tuin: nauwelijks in te tomen.

Van Rensbergen moet hebben gedacht: als ik nu eens alleen de dieren een plaats geef in mijn compleet verloederde en verlaten locaties. Pas dan begon de tweede fase van het monnikenwerk: het inpassen van de dieren. Meesterlijk digitaal werk. Een boek vol verrassingen en vaak spectaculair, terwijl ik eigenlijk nog het meeste hou van de kleinere dieren die hij, zoals alle andere, schitterend heeft neergezet in zijn unieke biotopen. En laat “Thelma & Louise” mijn lievelingsfoto zijn. Twee vriendinnen, dat zie je zo.

Zeg, dierenvriend, zegt mijn Binnenstem (heb net Van Dis’ nieuwste gelezen): je zo dierbare honden en katten, hoe gaan die het redden? De hond wordt kattiger (wolf, dus weer) en de katten groter. En ook voor minder aaibare beesten wordt het een reuzentijd: ratten, muizen, vleermuizen…

Johan DEBRUYNE, 22 juli 2017

 

Dag op dag…

       

 

 

 

 

 

 

 

 

Dag op dag is het vandaag

veertig jaar geleden dat

je ging zonnen aan de rand

van de Lago Maggiore. Ik

zie nog je hakken, je tred,

je silhouet, je lange blonde

haar. Die zomer werd wijn

gedronken uit boccalino’s. We

rookten lange sigaretten en

grote kinderen maakten

Lugano onveilig. Sindsdien

is veel gebeurd, maar de

zekerheid van het liefhebben

bleef. Onwrikbaar. Het begrijpen.

Jij en ik. Jij mij. Ik jou.

Het houden van. Jij van mij.

Ik van jou. Onnoembaar moois

ertussen. En hoe lang al

hou jij de cijfers in het gareel

en doe ik wat met woorden?

Alleen, origineel doen wordt

wat moeilijker, als jij soms raadt

wat ik daarna zeggen zou.

J.D., 21 juli 2017

 

 

 

Wauw, een “echte nazi” in mijn hotelkamer!

    

 

 

 

 

 

 

Wauw, een “echte nazi” in mijn hotelkamer!

Een fervent liefhebber van actuele beeldende kunst heeft een rist vaste afspraken in zijn agenda. En wanneer hij het een beetje verstandig aanpakt, dan is hij meteen ook met grote regelmaat op vakantie. Zo ligt de koffer altijd tijdig klaar voor een 2-jaarlijks trip naar dé Biënnale (die van Venetië, dus), om de 5 jaar wordt de auto leeg gemaakt en dan weer volgestouwd voor een paar dagen artistieke “vakantie” in het Duitse provinciestadje Kassel (de Documenta) en om de 10 jaar wordt de sfeer opgesnoven in het mooie, al even provinciale Münster. In eigen land trekt hij net voor de zomerschoolvakantie op automatische piloot naar een plekje bij de Frans-Vlaamse grens en af en toe komt er nog een “Manifesta” bij. Ik vergeet vast een boel zaken.

Daarnaast is het ook nog wel eens zoeken naar een excuus om deze of gene tentoonstelling toch maar niet te missen. Amsterdam, Parijs, Antwerpen, Gent, Brussel, Den Haag en steden (zoals Bilbao) waar men bijzondere architecturen durft inplanten. Ik moet uiteraard de financiën in de gaten houden, maar ik ben feestneus en geef amper geld uit aan exquise schranspartijen. Irritant is dat de met regelmaat weerkerende manifestaties almaar toenemen en het dus moeilijker wordt om de dingen op de voet te blijven volgen. Er is niet alleen het lijf dat vaker protesteert; het reizen en logeren gebeurt op eigen kosten.

Ik ben het slaafje van een heerlijke, dure passie.

Omdat ik de Documenta al altijd als richtsnoer heb aanschouwd voor wat vandaag hedendaagse beeldende kunst zou horen te zijn, heb ik er al een behoorlijke serie op zitten. Dit keer opteerde ik voor de auto. Het groene Hessengebied strekt zich uit op een goeie vijfhonderd kilometer van mijn kleine heimat. Omdat ik een veel minder gedreven autobestuurder ben, nam ik in het verleden al eens de trein richting Duitsland. Je bent dan wel bijna een volle dag onderweg, maar je kan een boek meenemen. En omdat je op de voormelde manifestaties almaar meer “venues” dient af te lopen, opteer je met het vorderen van de jaren voor een hotel in de buurt van de meest belangwekkende locaties. Zo keek ik ook nu weer, des avonds en in de vroege ochtend, vanuit mijn hotelkamer met liefde naar dat fantastisch Lutherkerkje aan de overkant van de straat. Een oud en enig kunstwerk op een grillig groen heuveltje met her en der een vergeten kruis of verzonken zerk. Ook het uit de gratie geraakte Kulturbahnhof (het oude stationnetje) ligt binnen loopbereik. Op het plein ervoor stapt nog steeds een man naar de hemel. Haast lijkt hij niet te hebben en moe wordt hij evenmin: een kunstwerk van Jonathan Borofsky, kunstenaar die ooit in Brugge te gast was, meer bepaald in Galerie “De Lege Ruimte”. Maar in mijn fraai geboortestadje opteren beunhazen voor compleet andere “artistieke” creaties in de publieke ruimte…

Omdat je nooit alles kan lezen en evenmin alles kan zien, opteer ik in Venetië voor het Arsenale en de Giardini en loop ik eventjes langs bij Peggy Guggenheim. Zoals zij al haar hondjes een laatste rustplaats heeft bezorgd. Respect! De laatste jaren echter werd de Biënnale een zootje: wie zwemt in het geld, huurt een Venetiaans paleis om er zijn of haar kunsten te tonen. Ik weiger ze te bezoeken. Zo kan je er dit jaar bijvoorbeeld heel wat werk van Jan Fabre zien. In groen glas… Ik heb er geen boodschap aan.

Almaar meer locaties, dus. Alle kunstevenementen beginnen aan dit euvel te lijden. In Münster moet je dit jaar naar verluidt voor een enkel werk een uur de auto in. Te gek.

Ik heb intrigerende en onvergetelijke Documenta’s gezien. Doorgaans gestoeld op een visie. Die van 1992, in elkaar gebokst door onze Jan Hoet, ontbeerde die eigenschap. Hoet had van “zijn” Documenta een soort artistieke kermis gemaakt. “Alles kan” zal Jans devies geweest zijn. Of: dat hij het zelf allemaal niet meer wist. Toch was het een vrolijke, onvergetelijke Documenta.

Documenta XIV, deze van 2017 dus, van de jonge Poolse curator Szymczyk, confronteert je met de miserie van zowat de hele wereld, maar vergeet al te vaak dat het om beeldende kunst gaat. Puur beeldend is deze Documenta voor mij een gigantische ontgoocheling geworden. Niet omdat ze in Athene is begonnen en zo voor de eerste keer niet louter Kassel als terechte historische locatie heeft, maar het is zoeken naar beeldende kunst die je naar de keel grijpt. Net nu ik enigszins van mijn deprimerende nieuwsverslaving af aan het geraken was, kreeg ik het allemaal weer op mijn bord. Ik was wel voorbereid, maar wat ik zag was te zelden beeldend knap of verrassend vormgegeven.

Het begint wel veelbelovend en groots. Zo vergeet ik nooit meer het uit duizenden en duizenden ooit verboden boeken opgetrokken “Parthenon of Books” van de Argentijnse Marta Minujin, een “work in progress” want terwijl ik er dagelijks langs liep ging het bouwen van boekenzuilen onverminderd door. Minujins Parthenon neemt het hele grasveld voor het Fridercianum in. Opmerkelijk ook dat de naam “Fridericianum” de plaats had geruimd voor “Beingsafeisscary”. Voorts komt er voortdurend witte rook uit een van de torens van het gebouw. Een Duitse vertelde me dat dit in het prille begin tot geregelde oproepen van de brandweer had geleid… De rook symboliseert de wereld die in brand staat. En toch. Het leven ging ook die week zijn gang. Ik bezocht, las, zag en sprak. Het stadscentrum krioelde van het volk. Terrassen zaten overvol. Ik zag verrassend veel oude mensen en ook jonge. Ik raadde wie er voor de Documenta zou zijn en wie er leefde of boodschappen kwam doen. Ik zag talloze obese soortgenoten, maar ook heel wat sukkelaars, bedelaars en opvallend veel bodybuilders en allochtonen. Een amalgaam.

Op de Königsplatz sprak ik – met uitzicht op een in beton opgetrokken obelisk waarop in 4 talen een boodschap van gastvrijheid staat geschreven – met twee jonge, hardwerkende Afghanen. We hadden het onder andere over “The Kite”, het boek en de film en over hun thuisland dat ze ontvlucht waren. In het hotel vroeg ik aan de balie dan weer hoe het in Kassel met de “multiculti” was gesteld. Een grijnslach was mijn antwoord. In het centrum lijkt alles mee te vallen, maar er zijn wijken waar van integratie geen sprake is. Er zullen dus toch ooit lokale brandjes moeten geblust…

Ondertussen liep ik continu locaties af en werd me telkens door de strot geduwd hoe slecht de mens wel is. Maar ik volg wat er in de wereld gaande is en was dus vooral op zoek naar imponerende (niet in grootte) beeldende kunst, terwijl ik te vaak met goed bedoelde huisvlijt werd geconfronteerd.

Een halve zaal vol prikkeldraad en ijzer. Bijvoorbeeld. U denk er vast ook een muur bij? Een zogenaamd discussieforum was de plek waar mensen verkoeling zochten. Het was de hele week snoeiheet. Op het eind van dag 1 was ik twee keer de adem afgesneden. De ene keer ging het om een groot beeld van een vis die door een harpoen was doorboord. Het dier leefde nog: af en toe een stuiptrekking. Costas Tsoclis. In een andere ruimte keek ik lang naar een immense foto: een massa mensen op een geaccidenteerd terrein. De aarde vol kraters. Pas bij nader inzien zag ik dat alle mensen mekaar aan het fotograferen waren. Panos Kokkinias.

Een tweede vaste stek is de Documenta-halle, die Jan Hoet nog heeft laten bouwen. Hier werd ik helemaal hopeloos en speelde het woord “huisvlijt” het vaakst door mijn hoofd. Ik stond wel een wijle stil bij een blauwig bootwrak tot een muziekinstrument was omgebouwd.

Voor de “Orangerie” moet je een flink stuk naar beneden. Tot bij een uitlopertje van de Fulda, waar ik met plezier opnieuw de boom van Penone en de immense “Spitzhacke” van Klaas Oldenburg zag. In een enkele ruimte van de Orangerie was iets geprogrammeerd. Er stond een groot scherm. Er was behoorlijk wat volk aan het kijken en luisteren vooral naar een 5-tal Russisch-Orthodoxe priesters. Prachtige stemmen! Mochten onze pastoors zo zingen, dan ging ik als agnost wellicht elke zondag naar de mis.

Toen ik op dag drie mijn persaccreditatie ging vernieuwen (ze geldt voor 2 dagen), vroeg ik L. om foto’s te nemen. Mijn lichaam was aan een klaagzang begonnen en wellicht (ik ben 63) zou dit mijn laatste Kassel-accreditatie zijn. Mijn zwanenzang, dus. Geen mooi soort identiteitskaartje-met-foto dit keer, maar een ordinair document. Een Nederlands-Duitse, ongeveer mijn leeftijd, sprak me moed in toen ik haar zei waarom ik dààr per se foto’s wilde. “Oud worden,” zei ze, “is terugkeren naar de kinderjaren, in die zin dat je elke dag bijleert: dat wat je niet meer kunt!” We hebben nog lang staan praten. Ze vond mijn brilmontuur bijzonder.

Al bijna altijd vond ik een bezoek aan de Neue Galerie, een echt museum, lichtjes bergop gelegen en met uitzicht over het royale groen rondom de stad en de Orangerie, de moeite waard. Ook dit keer. Bijzondere en merkwaardige schilderijen, helaas afgewisseld met te veel dilettantisme, een gigantische muur met als titel “Real Nazi’s”, met centraal Adolf Hitler met een rood kruis over zijn gezicht. Niet, dus. Ik kan diverse redenen bedenken. Ik weet dat veel jonge Duitsers destijds onbewust bij de Hitler-Jugend werden ingelijfd. Onderaan herkende ik de jonge Joseph Beuys, toen piloot, later en tot op vandaag een der grootste conceptuele kunstenaars. De voormalige paus Ratzinger kon ik niet vinden. Een verre zaal toonde fantastische, in klei geboetseerde kopjes, en een gigantisch werk waarin je meteen het hoofd van Marine Le Pen herkende. Hier zie ik ook voor het eerst werk van Arnold Bode, kunstenaar-filosoof en stichter van de Documenta. Een groot lyrisch-abstract doek en een reeks tekeningen. Zijn portret, geschilderd door de sterkste Duitse schilder ooit, Gerhard Richter, had ik er eerder gezien. Voorts nog wel enkele bekende namen, ook op deze Documenta, maar of Jan Fabre en Hans Haacke daar nu echt nodig waren durf ik betwijfelen. Verrassend een reeks knappe tekeningen (inkt op papier) “Flood in the Netherlands”, over de watersnood bij de Noorderburen tijdens mijn geboortejaar.

Een nieuwe grote locatie is de Neue Neue Galerie, een voormalig postkantoor, waar weinig werk me in vervoering heeft kunnen brengen.

En wat men onder het oude station wilde laten zien of voelen, is me nog steeds niet duidelijk. Ik had me de vermoeiende trip kunnen besparen. Doodmoe liet ik me de laatste dag op mijn bed neerploffen, waar ik, zoals elke avond en ochtend ook Joseph Beuys in de ogen kon kijken. De Duitse goeroe haal je vandaag ook via behangpapier in huis…

 

JOHAN DEBRUYNE, eind juni 2017

 

 

Wolken

 

 

 

 

 

Wolken

 

Je haat de zon. Terwijl haar vroegste

licht langzaam mijn gemoed genoegzaam

prikkelt, word jij erdoor verlamd.

Wanneer ze opkomt lig je nog in bed,

je keert het vensterraam de rug toe.

In jou voeden klaarte en lichtheid

droefenis. Ze gaan op de loop met je

kracht. Je krimpt in elkaar bij het beeld

van zuipende, vretende en lallende

lui in tuinen en op terrassen.

Hun zorgeloosheid deprimeert je.

Het is negen nu, en al behoorlijk

warm. In kamerjas schuifel je de

woonkamer binnen.

De tafel is al lang gedekt en

luifels en gordijnen dicht.

Maar ik kan niet alle kieren

dichten. Dit lukt me niet.

Kon ik maar wolken voor je kopen.

 

Johan Debruyne, eind juni 2017

 

 

Hommage aan de schoonheid van het Nederlands

      

 

 

 

 

 

 

 

 

Hommage aan de schoonheid van het Nederlands

 

Mag ik eens opscheppen? Komaan, Johan, doe het, er zijn immers tal van getuigen. Wel, het komt met regelmaat voor dat wanneer ik een tentoonstelling heb toegelicht, mensen die me niet of alleen maar bij naam kennen me vragen vanwaar ik afkomstig ben. Als ik dan “Brugge” antwoord, geloven ze me amper.

Het ligt er aan dat ik bijna mijn leven lang aan mijn spreektaal heb geschaafd. Ik verwaarloos heus mijn Brugse dialect niet en kijk er ook niet op neer, maar hou zielsveel van het Algemeen Nederlands. In een vorig leven heb ik de taal ook onderwezen. Ik heb er boeiende, prettige en creatieve dingen mee gedaan en laten doen. Wat ik in en met de klas van plan was met taal uit te richten: ik oefende en las het altijd hardop. Bewust.

Of ik me dan erger telkens mijn burgemeester ergens het woord voert. Ik weet dat het bepaalde mensen nog steeds de gordijnen in jaagt. Ik lig er niet meer wakker van. Wellicht – en dat weet hij vermoedelijk – scoort hij met zijn verkrachting van het Algemeen Nederlands zelfs bij een bepaalde groep mensen. Het zou ”volks” overkomen, terwijl ik het gewoon een gebrek aan respect vind. En al zeker voor een burgemeester die tegelijk schepen van cultuur is.

Maar goed. Ik zou het over “mijn” gebruik van onze officiële omgangstaal hebben. Het begon al toen ik nog een puber was. Op zolder (tussen de kamer van mijn oudste broer en die van de bakkersknechten) speelde ik met een behoorlijk indrukwekkend peloton plastieken coureurtjes de “Tour de France” na, terwijl ik het verloop van de ritten van verbale commentaar voorzag. Ik was jong en argeloos en had het lef om niemand minder dan Jan Wauters te imiteren! Ooit een beetje idool van mij. Niet lang voor zijn dood stonden we samen te plassen in de toiletten van een bekend restaurant op de markt van Watou. We waren op hetzelfde moment op de Poëziezomer aanwezig. Ik had al lang een vermoeden dat de man ook van (actuele) beeldende kunst hield. Trouwens, zoals hij wielrenners, voetballers en atleten kon beschrijven. Ook al kende je ze niet, je zag ze voor je, terwijl je naar de… radio luisterde. Meesterlijk. Een fenomeen naar wie terecht een prijs is genoemd. Ik meen me ook te herinneren dat hij betrokken was bij de inhuldiging van een monumentaal werk van Bruggeling Benoît in het stadion van Club Brugge.

Wat later werden de mini-coureurs van Peugeot, Faema, Molteni en andere teams decorstukjes en nog wat later schonk ik ze aan een neefje.

Ik was toen ongeveer rijp voor het Franse chanson, terwijl ook de Nederlandstalige zogenaamde kleinkunst en het cabaret mij intrigeerden. Nederland was toen nog gidsland. Robert Long, Boudewijn de Groot en vele anderen, dus. Toon Hermans, die alleen al met zijn mimiek volle huiskamers liet huilen van het lachen. Met “niemendalletjes”, dus. Wim Sonneveld (“Zij kon het lonken niet laten”…) aapte ik dan weer gewoon na. Wat spelen met taal betreft ging deze er net over en dit vond ik plezant. Ook nogal wat van mijn leerlingen later. Maar deze oefenstof droeg wel een zeker gevaar in zich: ze nestelde zich kousvoetelings heel diep. Ooit was dus ik aan afkicken toe.

Ondertussen speelde ik jeugdtoneel (ooit nog met Marc Van Eeghem) en werd wat later de rechterhand van mevrouw Carmen Schepens-Maerten (waar zouden haar tientallen gele briefkaarten nu zitten?), ooit lerares aan het Brugse lyceum. Deze uitzonderlijk energieke dame had, toen ze net op pensioen was, “Jeugd en Toneel” opgericht. Ook zij hanteerde een aanstekelijk soort Nederlands. En nog later, op wat vroeger de “Normaalschool” heette, werd ik tot een elegant en correct Algemeen Nederlands geïnspireerd door licentiaat, professor, romancier en dichter Paul de Wispelaere (1928 – 2016).

Enkele maanden geleden was het. Ik had net een tentoonstelling in het Nederlandse Den Bosch toegelicht (meer bepaald in tot de verbeelding sprekende architectuur van de Mark Peet Visser Art Gallery) toen ik met een wat oudere Nederlandse man in gesprek kwam. En meteen weer: waar ik vandaan was? Tijdens ons gesprek (de galerie geeft je enerzijds een uniek uitzicht op de stad en anderzijds op een grote lap ongerepte natuur) vroeg ik hem of hij ooit Paul de Wispelaere gelezen had. We waren namelijk op literatuur uitgekomen. Helaas. Nog nooit van gehoord zelfs! Ik was even van mijn melk.

Daarom deed het me een dezer dagen goed te lezen dat De Arbeiderspers binnenkort de Wispelaeres “Het verkoolde alfabet” opnieuw uitgeeft en dat in Brugge “De Reyghere Boekhandel” straks een hommage aan Paul de Wispelaeres oeuvre wijdt.

In 1999 mocht ik hem twee keer interviewen. Eerst voor een vol auditorium (de Blauwe Zaal?) in het gebouw in de Sint-Jorisstraat waar ik ooit ademloos naar hem luisterde (het initiatief ging uit van Collega Dannie Welvaert); vervolgens in de bieb van de stad Blankenberge. 1999. Al bijna 20 jaar geleden. Of ik ook van hem de liefde voor katten heb geërfd, dat weet ik niet.

 

Johan DEBRUYNE, juni 2017

 

 

 

De Prijs “Ignace Bernolet”: die van het stil protest en de pijn?

       

 

 

 

 

 

 

 

 

De prijs “Ignace Bernolet”: die van het stil protest en de pijn?

 

Ik zou het afleren, het snel, enthousiast en haast zonder nadenken op een vraag ingaan. Maar het lijkt zo ontzettend moeilijk als die op een vriendelijke of gemoedelijke manier wordt gesteld of wanneer het over beeldende kunst gaat. Bovendien zit het positief antwoorden op een vraag er bij mij diep in gebakken. De schuld van mijn moeder. Zo ging het bijvoorbeeld toen Koen Scherpereel-zaliger (ik keer nu dertig jaar in de tijd terug) over de middag met zijn gekende nonchalance en schwung bij mijn ma thuis (ik ging er ’s middags eten) kwam vragen of ik morgen (!) in de Gentse Decascoop zijn tentoonstelling wilde toelichten. Zijn vraag was van het zuiverste retorische ras. Ik aarzelde, panikeerde net niet en vond dat zijn vraag op zijn minst heel erg laat kwam, maar mijn moeder zei: “Allez, jongen, doe dit voor Koen!” Dat ik meteen les moest gaan geven en ’s avonds toch nog voor de school te werken had, daar werd geen rekening mee gehouden. Zo was mijn moeder. Zoals ik zei: het zit er in gebakken. De oven was niet ver. Ik ben een bakkerszoon.

Onlangs had ik het weer, toen iemand me zei dat er een prijs in de maak was voor een (de meest beloftevolle?) laatstejaarsstudent van de Brugse Stedelijke Academie. Of ik dit evenement wilde toelichten, want ik had mijn veel te vroeg gestorven leeftijdsgenoot Ignace Bernolet toch goed gekend? Naar hem zou/zal die prijs genoemd worden.

De laatste dertig jaar hebben “Ibern”, zo tekende hij zijn schaarse werken, en ik vaak in de clinch gelegen met de Brugse overheid (waaronder de stedelijke academie ressorteert). Beiden vonden we dat de lokale overheid actuele beeldende kunst al decennia lang stiefmoederlijk behandelde. Brugge was voor ons een mooi dorp met een overdaad aan middelmaat geworden. Een toeristenfuik, alom geliefd om zijn fraaie uitzichten, zijn frieten, roomijs, chocolade en bier. Ben ik iets vergeten? Samen met gelijkgestemden werden we maar liefst 16 (!) jaar aan het lijntje gehouden (van 1995 tot 2011) in verband met het nissenproject dat we “Buitenissig Brugge” hadden genoemd. Je weet wel: nissen, die kleine uitsparingen in gevels waar doorgaans een heiligenbeeld in staat. Omdat men in de stede als de dood was en nog is voor permanente actuele beeldende kunst in de openbare ruimte, zou het in die kleine dingen misschien wél worden toegelaten. Hoopten we. Ignace en ik. Tevergeefs. Uiteindelijk hebben we er van de 100, ook de internationaal bekende kunstenares Berlinde De Bruyckere zou meewerken en de voormalige hoofdconservator, Manfred Sellink, was uitermate enthousiast en kondigde het evenement ooit met onverholen trots “en public” aan,… 2 verwezenlijkt. En dit na een hoop intriges, gemene tackles en een resem vergaderingen met BruggePlus, Musea Brugge en de Brugse Erfgoedcel! Eentje boven de deur van mijn voormalige huurwoning in de Carmersstraat en dan, de meest besproken nis van de stad, die in de Vazquez-gevel (Zilverstraat), waar de “Cafedraal” gevestigd is, op een boogscheut van de Sint-Salvatorkathedraal. Daar werd een oubollig en verloederd Sint-Jozefsbeeld zinvol vervangen door een hedendaagse Bernolet-creatie. De uitbater was in de wolken met het resultaat, maar tegenstanders van actuele beeldende kunst spanden uiteindelijk de eigenaar van het pand voor de kar en er werd zelfs met een proces gedreigd.

De stad Brugge heeft ons helaas niet geholpen en we hebben ondervonden dat paapse verenigingen (er bestaat in deze stad zowaar zoiets als “Het Mariacomité!) met de meest oubollige ideeën omtrent beeldende kunst en waarvan we het bestaan niet eens afwisten in de aloude stede nog veel invloed hebben. Nochtans werd Bernolet (1953-2016) door de stedelijke overheid met regelmaat gevraagd om restauraties uit te voeren. Hij was veelzijdig, beheerst en kritisch. Kunsthistoricus, kunstenaar, restaurateur en lesgever, was hij. De leeuwen van het gelijknamig Brugse brugje heeft hij nog feilloos hun oude glorie teruggegeven en op de Brugse centrale begraafplaats nam hij diverse verpauperde praalgraven met succes onder handen. Ook in de stadsschouwburg heeft hij een ruimte eigenzinnig-sober naar zijn hand gezet en zijn allerknapste ingreep was zijn in situ-installatie in het verloederde stadspaleis “d’Hanins de Moerkerke”. Ik herinner me nog levendig zijn “Zetel voor Mobutu”. Altijd sober, puur, minimaal. Grote fan ook van Yves Klein. Blauw en bladgoud waren zelden ver.

Ik herinner me zijn protest bij een grote solotentoonstelling met zijn werk in het belfort op de Grote Markt. Over al zijn werken had hij zwarte doeken gelegd. Uit protest tegen het Brugs cultureel beleid. En toen we in 2002 in Venetïë (op de biënnale) de kamer deelden, vernam ik meer over zijn frustraties. Ik herinner me ook zijn inbreng in “Brugge 2002”, in het zgn. “off”-programma, door “De Slang” georganiseerd: een gouden zebrapad. Voor de toeristen? Goud, dat met de tijd en onder duizenden voetstappen langzaam zou verdwijnen.

Maar goed, er zijn de twee nissen en ik heb ooit een tweeluik van hem gekocht.

Misschien is die prijs naar hem noemen nog niet zo’n slecht idee. Althans wanneer de studenten aan de academie de waarheid wordt verteld. Dan weten ze hoe moeilijk het alhier gaat om als hedendaags beeldend kunstenaar in je opzet te slagen.

Ik heb dus uiteindelijk “nee” gezegd. En ik dacht daarbij aan mijn vorig jaar overleden zus. Duizend keer assertiever dan ik. Flamboyanter ook. Het doet pijn wanneer ik foto’s zie van familiereünies waar ze bij had moeten zijn. Een zogenaamd moeilijke tante, van wie je altijd vuurwerk kon verwachten.

 

Johan DEBRUYNE, begin juni 2017

Loslaten, een beetje…

 

 

 

 

 

 

 

Loslaten, een beetje…

Ons nieuwe dak was geen luxe en een kelder, waar nu en dan ambtenaren van de gemeenschap je energieverbruik komen notuleren, heb je liever droog dan dat er dan met laarzen moet gesukkeld. Dus… Een dikke maand (het regende vaak en toen lagen de werken aan het dak uiteraard stil) hebben we dus mannen in, op en rond het huis gehad. Onvervaarde, sterke en (v)aardige gasten. Terwijl ze bezig waren, probeerde ik in de woonkamer – op alle andere plekken in het huis voelde ik me volslagen waardeloos – al eens de krant of een boek te lezen. Maar na luttele minuten legde ik het leesvoer steevast aan de kant. Het ging niet. Niet zozeer vanwege het lawaai dat vooral het afbreken genereerde (het storende en lang aanhoudende geluid van de files bij de voordeur was al die tijd zowaar tot achtergrondgeluid gedegradeerd), maar mijn gedwongen fysieke apathie zadelde me op met iets wat naar schuldgevoel rook.

Ik heb niet echt een zittend gat, dus verliet ik wel af en toe mijn cocon en sloeg een praatje. Ik zette ook al eens koffie (vers is toch beter dan wat in die thermos warm wordt gehouden?) en zorgde voor wat zoets, en vooral: ik stak bijwijlen zowaar de handen uit de mouwen! Maar wàt ik deed kun je bij nader inzien catalogeren bij “onnodig/overbodig gepruts”. Het waren “handelingen” waarvan ik dacht: dit kan mijn rug nog net aan. Of: dit houden mijn enkels wel. Of nog: zo erg zal dit nu ook wel niet zijn voor mijn almaar strammer wordende linkerknie. Ik raapte dus wat steengruis op of veegde het bijeen, rommelde wat in de tuin en ’s avonds hielp ik het huis fatsoeneren: stofzuigen en oppervlakkig dweilen van voor- tot achterdeur, de strakke strook die overdag het terrein was van de mannen met enkellaarzen.

Vanochtend vertelde me de dierenarts dat ze vaak met ditzelfde soort schuldgevoel kampt. Ze komt de laatste tijd aan huis voor onze voorlopige enige kater. Wieb eet goed en slaapt ontieglijk veel. Vandaar zijn aanzienlijk kattenlijf. Ik krijg het niet langer ongehavend tot in haar wachtkamer, al zeker niet met dat nieuwe parkeergedoe in onze stede.

Een bekend fenomeen blijkbaar, dat wringende gevoel van nietsdoen, terwijl een ander zich in je buurt te pletter werkt. Onze dierenarts heeft het wanneer haar huishoudster bij haar thuis in de weer is. Meer bepaald over de middag. Want dan wil zij wel eens naar het Journaal kijken, terwijl die mevrouw haar werk verder zet. Het knagende schuldgevoel duurt slechts een paar minuten, vertrouwde ze me onlangs toe. “Van zodra ik er aan denk dat voor die mevrouw om 4 uur de klus is geklaard en ik dan nog tot diep in de avond door moet, geniet ik wél van dit TV-intermezzo!”

Ik doe al dagen bijna niets dan slapen. Als ik dan toch eens een boek ter hand neem, overstemt na een paar minuten mijn gesnurk elk ander omgevingsgeluid. Zelfs dat van de flink uit de kuiten gewassen grasmaaiers van de achterburen met gigantische tuinen. Het is mijn eega die het zegt. Maar het wordt zoetjesaan beter.

Ik had een creatieve periode, kort na de winter, waarin ik heel wat teksten voor monografieën schreef, maar het praten in ateliers, het lang staan kijken naar werken, het door de knieën gaan om een detail beter te observeren, het bezoeken van nogal wat tentoonstellingen, het lange zitten achter de PC én mijn perfectionisme hebben me uitgeput. Ik moet staan, stappen, zitten en liggen, adviseren mijn therapeuten, maar… gedoseerd. Gemakkelijker gezegd dan gedaan. Je schrijft wanneer je enigszins geïnspireerd bent en de pijn te harden is en je vergeet de tijd wanneer je creëert. En wanneer ze vlak in je buurt – de bouwwerken slepen al jaren aan – van ’s ochtends vroeg (zes uur! Mag dat wel?) lawaai aan het maken zijn, kom je ook amper aan schrijven toe.

Vanwege mijn langzame fysieke aftakeling heb ik de laatste jaren nogal wat tentoonstellingen niét gezien, waar ik graag naartoe zou zijn gegaan. L. verwittigde wel al tijden dat dit tempo niet vol te houden is en dat ik ook almaar vaker zeurde over tentoonstellingen die de verplaatsing absoluut niet waard waren.

Alsnog wil ik straks echter de Documenta (Kassel/D) voor geen geld missen. Een centraal gelegen hotelletje is maanden geleden al geboekt. Ik herinner me nog levendig (het ontmoedigde me zelfs) dat J., een onlangs op respectabele leeftijd overleden gerespecteerd criticus, me op zeker ogenblik zei dat de 5-jaarlijkse hoogmis van de beeldende kunst voor hem niet meer hoefde. Het greep me aan dit te vernemen van iemand die zijn hele leven met actuele beeldende kunst was begaan en die – small talk was niet bepaald J’s ding – er voor zijn leeftijd meer dan monter uitzag. Ik dacht: Kassel, daar ga je desnoods toch op krukken heen? Zoveel jaren later weet ik beter…

Ik probeer alvast nog een Documenta aan mijn lijstje toe te voegen. Over vijf jaar, bij de volgende editie, zou ik 68 zijn. Dit wordt de veertiende. En altijd in dat bizarre, behoorlijk banale Duitse, door een soort snelweg doormidden gereten stadje, waar kunstenaar-filosoof Arnold Bode vanaf 1955 liet zien wat door het naziregime als “Entartete Kunst” werd verketterd en verboden.

Als klap op de vuurpijl vangt, voor het eerst, de Documenta in een andere stad aan. In Athene met name. Maar wat de curator daar laat zien hoeft voor mij niet. De Documenta hoort in Kassel thuis! Ik heb de centen niet voor het rapen en voorts niet de minste zin om de Atheners in het gezicht te spuwen. Wat heeft de doorsnee-Griek aan een evenement waar wereldwijd dan wel zo’n 700.000 mensen verzot op zijn en een bom duiten kost?

De kunstwereld lijkt serieus op drift. Ook het me zo vertrouwde 2-jaarlijkse bezoek aan Venetië begint te vervelen. Ik ben al altijd dol geweest op Venetië – mooier en vooral authentieker dan Brugge, de stad waar ik geboren en getogen ben -, maar ik heb me altijd tot de Giardini en het Arsenale beperkt. Ik zou liegen, ik liep ook altijd eens langs bij Peggy Guggenheim (zoals zij haar honden een laatste rustplaats heeft gegeven, dit had ik met mijn katten moeten doen) en ook Museo Correr op de Plaza San Marco kon ik doorgaans moeilijk voorbij lopen.

De laatste edities van de biënnale voor actuele beeldende kunst in de Dogenstad zijn echter tot een circus verworden, met nevenactiviteiten die het kerngebeuren verdringen. Collectioneurs en mensen met poen huren nu tot de verbeelding sprekende huizen af en tonen daar kunst. En zeg daar als kunstenaar maar eens “nee” tegen… Macht, geld, invloed. Commercie en/of sensatie. Ik heb nu eens echt geen zin om het werk van Fabre in groen glas te zien. Ik denk trouwens dat de wereld vandaag andere kunst van doen heeft. Dat je in de winkels van Venetië nog amper door Venetianen wordt bediend of dat het glas dat er te koop wordt aangeboden niet eens meer in Murano wordt geblazen zal hun een zorg wezen. Nee, voor mij volstond het met de Giardini (de tuin waar de landen in hun eigen “paviljoen” hun ding doen) en vooral het Arsenale. Ik wil graag zien wat een door deskundigen aangesteld curator wil dat ik zie. Een thema vind ik ook belangrijk. Al zeker in deze tijden. Daarom vond ik de vorige Documenta zo onvergetelijk.

Mijn frustratie heeft deels met mijn verminderde actieradius te maken. Ik kan – zoals heel onlangs – op tentoonstellingen in Brugge en Poperinge nog alle registers opentrekken, maar vooral het blijven nakaarten kruipt danig in mijn botten. Kassel wordt straks dus ook fysiek een zware klus. Het wordt nu eens een week met schrikkeldagen. Een terugkeer via het idyllische Münster zit er ook niet in. Daar loopt de 10-jaarlijkse editie van “Sculptur Projecte” en na wat surfen op het net lijkt deze uitgave toch wel iets voor afgetrainde duatleten, zeker! Maar goed, in eigen land zijn er eerst nog o.m. “Het Afwezige Museum” in Wiels (Brussel), het vernieuwde M HKA (Antwerpen) en “The Beauty of the Beast” in het Kasteel van Hingene (Bornem).

Of ik straks toch nog naar Venetië ga? Ik twijfel. Wat ik nooit had durven dromen is dat Venetië mij aan mijn geboortestad, Brugge, waar ik een haatliefde-verhouding mee heb, zou doen herinneren. Het Italiaanse Venetië is veel mooier, maar ze zijn het wel om zeep aan het helpen. Dan heb ik het nog niet over de cruiseschepen die de lagune kapot varen. Het is vooral de veelte. Twee jaar geleden hadden we dagen aan een stuk regen en stond de stad onder water. Verkleumd stap je dan met een niet te overschouwen kudde over houten paletten, terwijl ook de kunst niet om over naar huis te schrijven was. De duiven hebben ze er dan wel weggejaagd, maar de winkels staan vandaag vol rotzooi, op die ene straat met peperdure merkkledij na.

Het troostte me in de meest recente editie van (H)ART dat mijn hoofdredacteur schrijft dat hij naar de Venetiaanse perspreview voor het eerst een jonge collega had afgevaardigd. Zie je wel, je zal ooit eens moeten stoppen, zei L. met een cynisch klinkende opgewektheid in haar stem. Je hebt al genoeg gedaan. We zien wel. (H)ART-kunstmagazine ligt me na aan het hart en er valt vast nog veel goeds te beleven. En wie weet geeft “De tolk van Java” (Alfred Birney) me nieuwe moed. De kanjer ligt te wachten.

Johan DEBRUYNE, eind mei 2017

 

De veranda van de kanunnik

 

 

 

 

 

 

 

De veranda van de kanunnik

Ik denk hier en vooral in deze omstandigheden aan Luk Berghe, kunstenaar met wie ik vorig jaar een allereerste contact had. In “Watou”. We keken samen naar een monumentaal doek van hem. Achter ons stond de jonge Hitler (sculptuur), toen nog op de dool en haveloos, afgewezen aan de academie van Wenen, dacht ik, en lang nog niet de volksmenner en massamoordenaar die hij zou worden. Het was een lang, zinvol, diepgaand gesprek met een gedreven man. Amper 62 en net uit het leven weggerukt. Het was schrikken.

Wordt het niet cynisch wanneer beelden van bombardementen en van honger stervende en gedode kinderen je minder vaak uit je slaap houden dan de niet te stuiten aanwas van een rist dictators, populisten en extremisten? Het piekeren en de onmacht om deze realiteit een halt toe te roepen hebben op mij in elk geval een deprimerende invloed. Enig soelaas mag ik gelukkig onder meer in kunst vinden. Maar hoe horen kunst en kunstenaars (in deze, beeldende kunstenaars) zich tot deze toch beangstigende evolutie te verhouden? Deze vraag komt met regelmaat terug. Ik weet het niet. Ik ben blij dat ik hier ben. Te midden van mensen die van kunst houden. Minder blij ben ik dan weer wanneer ik lees en hoor hoe moeilijk de meeste kunstenaars het vandaag hebben.

De aanleiding tot het feit dat ik hier vandaag een en ander vertel is mijn nog net beheersbare Facebookverslaving. Maanden geleden ben ik aan het scrollen – u ziet: ik beheers al enige PC-terminologie – en stuit op iets markants: een bericht van Frank Demarest, de man die enkele jaren geleden in aanstekelijk Gistels groen het PAK inplantte. Platform voor Actuele Kunst. Een fraaie locatie waar je van kunst kan genieten. Vaak jonge kunst. Maar wat hij post (kijk, weer zo’n PC-term die ik onder knie heb) is niet echt een kunstwerk. En evenmin is het een afbeelding van mogelijks aanstootgevend vrouwelijk naakt, waar hij – volgens kwatongen? – een zwak voor zou hebben. Ik maakte mij meteen de bedenking: misschien heeft hij eindelijk genoeg van al die FB-schorsingen die hem voor dit soort “heiligschennissen” al te beurt zijn gevallen.

Wat hij wel laat zien is een licht verpauperd, tot de verbeelding sprekend groot pand. Maar ik ken het gebouw. Ik heb het altijd gekend, het zogenaamd stadspaleis, een woning met een geschiedenis bijna even lang als die van de stad Brugge zelf. Een journalist is het speuren naar bronnen gewend. Dus bel ik een hartsvriendin op. Haar biotoop is immers “erfgoed”, terwijl ik me doorgaans met nieuwe fenomenen onledig houd. Maar we vullen mekaar wonderwel aan. We zitten meteen in de dertiende eeuw en meer bepaald op de aloude baan tussen Oudenburg en Aardenburg. De “baan” is tot “straat” gemuteerd, tot “Langestraat” meer bepaald, wellicht omdat onze taal “banen” onder meer naar velodrooms en zwembaden heeft verbannen.

Voor de sloophamer er eventueel onheil gaat aanrichten – er zal verbouwd worden – heeft Demarest er een aantal foto’s van laten nemen. Later lees ik op datzelfde digitale gezichtenboek dat hij betrokken partij is en van de bouwheer de toelating heeft gekregen om er voor dat de werken aanvangen een impressionante tentoonstelling te houden.

Het beeld van “De Lombard” op Facebook gooide mij persoonlijk decennia in de tijd terug, naar de Langestraat zoals ik die door en door kende, de straat waar ik geboren en getogen ben. Een inderdaad lange straat met enkele grote en opvallende panden en tijdens mijn puberjaren ook 54 cafés. Ik wist dus zelden met zekerheid waar mijn vader en oudere broers (de zussen deden niet onder), soms in de vroege ochtend, nog wat pittigs stonden te hijsen of hun ondeugendheid botvierden.

Naar de mis ging ik toen al niet meer. Mijn vrome moeder interpelleerde bij de jongste telg alleen nog naar de kleur van de kazuifel van de pastoor. Ik kon kiezen tussen twee kerken en twee missen: ’t Bilkske en Sint-Anna. De zondag en de kerk hebben me dus mede leren liegen. Mijn naïveteit hield behoorlijk stand, maar mijn onschuld vloeide kabbelend weg in “Ter Halle”, waar ik het Franse chanson adoreerde. Ik was adolescent en deed mijn uiterste best om Reggiani te begrijpen. Die man klonk zo intrigerend. Naïveteit en fantasie zouden van pas komen wanneer ik wat later mijn pen mocht laten vloeien over wat kunstenaars deden.

“Ter Halle” was trouwens niet ver van de Langestraat en ik weet nu nog waar tal van generaties hun kostuums lieten maken, waar je je hemd voor je communie ging kopen, waar ze de beste frieten hadden en ik herinner me de braderieën die samenvielen (en dat vandaag nog doen) met Sint-Kruis Kermis.

Zoals “De Lombard” al dat ordinaire rumoer met stille trots heeft doorstaan, zo stoïcijns bleef Demarest dit keer. Hij liet dan wel de foto zien, maar zei niet waar het pand gevestigd was. Ik herkende echter meteen het immense, sobere huis (classicistische stijl, zei mijn hartsvriendin) waar ik als jongeling dag na dag vier keer voorbij passeerde op weg van en naar de school. Vooral de glazen veranda op de verdieping viel me telkens op. De school was uit rond vieren, maar ik bleef “plakken”. Er waren op de weg naar huis nog de Hof van Arents, de Dijver, de Vismarkt en de Botanieken Hof, vier plaatsen waar we eerst wat voetbalden of andere dingen deden eer we huiswaarts tjokten. De boekentas was een zorg voor de volgende ochtend.

Ik kwam bezweet van achter de hoek waar Roger Danneels accordeons aan de man bracht en keek meteen de hoogte in. Die veranda! Ik stak de straat over, vaak net toen kannunik Janssens de Bisthoven het pand binnenstapte. Via een onopvallend deurtje. Wijze man, dacht ik. Maar… grijze muis. Grijze regenjas. Grijs haar. Alles grijs, sober en voornaam. En nooit zwaaide de poort gracieus open. Geen vertoon. Op weg naar huis stapte ik met blijvende verwondering voorbij de andere mastodonten: Meubelen Cools, Elektronica Huyghe (die winkel had Guillaume Bijl ooit moeten zien!), de Vauxhall-garage en recht tegenover ons huis bevond zich de kazerne, vandaag het gerechtsgebouw.

Ik ben blij dat ik nu, een halve eeuw later, “De Lombard” van binnen heb leren kennen. Nooit gedacht dat de illustere bewoners in hun ongetwijfeld schoonste kamer omringd waren door zo veel monumentale schilderijen van Bruggeling Jan Garemijn, de eerste directeur van de Brugse Academie ooit, man naar wie trouwens een van de vier zalen in het Belfort is genoemd. Op die ooit eerbiedwaardige locatie wordt vandaag gekaart, bier en kaas geproefd, heel af en toe tentoon gesteld en gevogelpikt. De 18de-eeuwse schilderijen zouden afkomstig zijn van het huis “Dijver 7”, zei mijn hartsvriendin. In de buurt dus van het Groeninge Museum, dat nogal wat tekeningen van Garemijn bezit.

Pas vanaf 1643 werd het pand door Brugse notabelen bewoond en “De Lombard” werd als huisnaam gebruikt tot in 1561. Het werd omschreven als “Den Lombaert” met een plaetse van een lande, een tuin, dus. De naam “lombard” verwijst naar “woekeraars”, vandaag gewoon” bankiers”. In dit verband verwees mijn erfgoedvriendin ook nog naar iets dat “De Woeker” heette en zich langs de Langerei bevond. In de ME werden Italianen wel vaker Lombarden genoemd, omdat velen betrokken waren bij de internationale geldhandel. En “woekeren”, zoals u ongetwijfeld weet, betekent oncontroleerbaar groeien… Dat het gebouw er uitziet zoals vandaag zou te danken zijn aan een meester-metselaar en bouwpromotor, Eugenius Goddyn, die het in 1767 had gekocht.

En vandaag zijn we hier samen voor een tentoonstelling met werken van 40 kunstenaars. Aangezien het om een hommage aan Willy Van den Bussche gaat terecht veel kunst dus, want onze helaas te vroeg ontvallen conservator was genereus en pakte altijd uit met een overvol museum. Het was een van zijn handelsmerken.

Het belang van de man, door intimi wel eens “Black Willy” genoemd, naar zijn compleet zwarte outfits waarin hij zich steevast hulde, was dat hij in een periode waarin concept en minimalisme aan zet waren, het opnam voor de schilderkunst en zodoende, vooral in België, een soort revival ervan inluidde. In 1992 maakte zijn statement “Mondernism in Painting” school. Hij zou bewijzen dat schilderkunst altijd belangrijk en vernieuwend zou zijn. Zijn verdiensten zijn heel aanzienlijk. Denken we maar aan zijn spraakmakende tentoonstellingen zoals “Van Ensor tot Delvaux”, “Beaufort”, met beelden in de publieke ruimte van de Belgische badsteden, zijn inbreng in de Brugse Triënnales, waar toen nog onbekende kunstenaars als Raveel, Panamarenko, De Keyser, Lohaus, Van Severen, Verstockt en Roobjee aan bod kwamen.

Daar is helaas te vroeg een eind aan gekomen. Botsende karakters. Zei “Black Willy” niet dat hij met kunst bezig was en Jan Hoet vooral met zichzelf? Het waren pittige tijden. De conservatoren, een beetje keizer of paus op hun domein, hadden dan ook lang en stevig moeten knokken eer ze nog maar een museum voor hun verzameling (actuele) kunst ter beschikking kregen. Voor Willy werd dat dan nog een, zij het heel bijzonder, voormalig… warenhuis. Naïef als ik ben gebleven, heb ik lange tijd gehoopt dat Koningin Paola de twee kunsttenoren wel door één (brede) paleisdeur zou krijgen. Helaas. Van beiden heeft ze ongetwijfeld heel wat opgestoken. Meer alvast dan van haar leerkracht Nederlands.

Nu we toch over fenomenen uit de kunstwereld praten, wil ik nog wel eens de verdiensten van ene Roland Patteeuw onder de aandacht brengen, de van actuele kunst bezeten heremiet die zich in Loppem-bij-Brugge vestigde en daar jaren lang een spraakmakende Kunsthalle runde, want ik moet toegeven dat ik vandaag werken als die van Netzhammer, Hybert, Geys en Airo wel mis. Zijn incubatieproject… En wat gezegd van Frank Demarest? Voormelde heren hadden personeel en werden – zei het ondermaats – gesubsidieerd, maar al zeker iemand als Frank Demarest moet het in zijn eentje rooien. Dit keer gelukkig gesteund door Sofie Van den Bussche, dochter van Willy.

De verwijzingen naar de kunstgeschiedenis zijn legio, er wordt volop “geparafraseerd” en eigenlijk is het best heerlijk om zien wat Willy Van den Bussche had voorspeld: het zich laven aan de geschiedenis van de beeldende kunst, het oeverloos putten uit de rijkdom van vroeger.

Musea, weet u. Meer dan twintig jaar geleden heb ik Willy meegetroond naar de “Weylerkazerne” in de Hugo Losschaertstraat. Ook hij vond het niet kunnen dat Brugge tot op die dag (en tot op vandaag) niet eens een museum voor hedendaagse kunst had. De stad leek niet geïnteresseerd in een immens gebouw – een juweel – dat voor amper € 50.000 van de hand werd gedaan. Een antiquair ging ermee lopen en het gebouw werd meteen doorverkocht.

“Between Earth & Heaven I”. Waarom niet tussen “Aarde en Hemel I” vroeg in die tijd een collega zich af. Wat later liep in de aloude stede een tentoonstelling die “Tussen Huid & Orgasme” heette. De titel werd op een immens spandoek geprint en aan het Belfort bevestigd. Helaas moest daar toen nog de Heilig Bloedprocessie passeren. U kent wellicht het vervolg. Ook in deze is amper iets veranderd.

Om geen enkele participerende kunstenaar voor het hoofd te stoten ga ik geen namen noemen. Ik heb stille werken gezien die veel zeggen, wezens die van je wegkijken en toch om aandacht vragen, er zijn monumentale, enigszins pompeuze werken waar je de essentie in een detail moet zoeken. Een van de kunstenaars geeft aanwijzingen voor hoe je je op het strand hoort te gedragen. Op een erg klassieke manier steekt hij de draak met het actuele thema van de regelneverij. Een ander laat dan weer met guitige beelden zien hoe erg het met de wereld is gesteld. Er zijn ingetogen werken en er zijn exuberante. De enen verkiezen licht; anderen een enigszins decadent donker. Hoe ga je met deze wereld om? Hoe overleef je ze? Er is werk dat oud en nieuw versmelt. Er zijn verstilling, er is leven en dood, er zijn ambacht en droom. Er is een lange tafel waar je niet aan mag zitten. Ga niet argeloos aan het kleinere werk voorbij. De meeste werken roepen vragen op. Zo hoort het. En kunstenaar schrijft: “Eyes open and dream on”. Deze zin heeft mij het diepst geraakt.

Al wat me rest is de beide curatoren en de kunstenaars feliciteren en veel succes toe wensen, de bezoekers een intrigerende beleving. Voor een betere wereld lijkt de kunst niet te kunnen zorgen. Laat ons bescheiden blijven. Of raakt u – zoals Lawrence Weiner vindt dat het hoort – toch “fucked up” van wat hier allemaal te zien is?

 

Johan DEBRUYNE, 23 april 2017

(toespraak n.a.v. de tentoonstelling “Between Earth and Heaven II” (hommage aan conservator Willy Van den Bussche) in “De Lombard” (Langestraat, Brugge)

 

Twee keer louter essentie en toch volkomen anders

  

 

 

 

 

 

 

 

 

Twee keer louter essentie en toch volkomen anders

Zondag werd voor de middag langs de dijk van Knokke-Zoute een monografie van Willy De Sauter voorgesteld. Meer bepaald in Galerie Ronny Van de Velde, hoek Golvenstraat. Voor de genodigden was er heel wat lekkers voorzien: er stond een brunch geprogrammeerd. Het evenement ving aan om 11u. en omdat je rond die tijd – bij mooi weer – in de buurt wellicht nauwelijks nog een parkeerplaats vindt, ben ik vroeg vertrokken. Zijn wij vroeg vertrokken. L. bracht me. Als een verwend kind word ik in de buurt van de kleine, fijne galerie afgezet. Ondanks de vroegte, laveer ik er doorheen schoon volk. Ik herken zowaar een baron, praat met wat mensen die ik lang niet heb gezien, krijg als criticus spontaan een monografie aangeboden, praat met een adjunct-conservator van de Brugse Musea (want daar loopt nu eigenlijk de echte tentoonstelling met werk van Willy De Sauter) en ik schud kunstschilder Marcase de hand. Een paar dagen tevoren hadden we mekaar ontmoet bij het afscheid van criticus Jaak Fontier.

Thuis had ik – ondanks het uur dat ons die nacht werd ontnomen – voor een royaal ontbijt gezorgd, dus laat ik de exquise broodjes en lepeltjes, de champagne, het fruitsap en de koffie aan me voorbijgaan. Het is nog net niet te druk om te genieten van het eigengereid minimalisme van De Sauter. Merkwaardig hoe ze er bij Van de Velde altijd in slagen op zo’n kleine locatie toch behoorlijk wat werk te laten zien, zonder dat het overladen wordt. Ook dit is kunst. Ik had lang naar de twee etalages in de naar de dijk klimmende Golvenstraat staan kijken, omdat daar twee gekleurde werken hingen. Ik herinnerde me vooral niets dan De Sauter-wit. Ik hou van het met dierlijke lijm gemengde krijt van De Sauter, de lichte nuances in de oppervlakte van zijn werk, maar vandaag heb ik wat kleur van doen. Met de kunstenaar spreek ik af dat we mekaar binnenkort in de Brugse Musea ontmoeten. Willy De Sauter. De absolute essentie, het minimale. Twee en drie dimensies. Hangend, staand en liggend monnikenwerk. Ik zal lezen over “het ontbreken van spektakel en het spel met grenzen van de visuele leegte”. Tanguy Eeckhout. Mooi.

De dag ervoor zat ik alleen in de auto. Op weg naar Gent. Een vrouwenstem brengt me moeiteloos tot bij de Begijnhofkerk, waar ik nog een enkel parkeerplekje vind. Terwijl ik mijn ondertussen in het hoofd geprente nummerplaat heb ingetikt en geld in de gloednieuwe parkeerautomaat glijd, vraag ik de weg naar de Provenierstersstraat. Ik loop de kerk voorbij en zoek kasseien op. Aan het eind, in het huis met nummer 51, bevindt zich een galerie. Je belt aan en je stapt doorheen – dit veronderstel ik toch – een begijnentuin. Op de deur, in witgeschilderde letters: “St. Bonaventura”. Een mevrouw, Christine Adam leer ik later, komt me tegemoet en binnen de kortste keren zit ik in de woonkamer met een kop koffie en chocoladen paaseitjes voor mijn neus. Die dag ben ik de allereerste gast. Het is drieën en pas dan gaat de tentoonstelling open. Ik geniet van het zicht op de tuin en van de gastvrijheid. Ik kan het niet laten, verlaat de zetel en ga staren en speuren naar en op twee muren. Daar hangen talloze kleine kunstwerken. Er zitten pareltjes tussen. Ik herken meteen een sublieme, “zwarte” De Sauter. Heerlijk. Morgen meer, weet ik. Een kleine omwikkelde “Beddeleem” en aan de overkant een wonderlijke “Gees”. Een magnifieke collectie! Van elke tentoonstelling een enkel souvenir, vertrouwt de gastvrouw me toe.

Op een tafel boeken over Marnix Hoys. Hij is de man die er tentoon stelt. Ik ken zijn werk. Ik leef thuis met drie van zijn (oer)wezens. Wat staan ze hier prachtig op een rij, op een lange blankhouten piëdestal. Twee kleven er tegen de muur. Soorten foetussen die lijken te luisteren naar wat er zich achter de muur afspeelt. (Ik moet even aan Munoz’ “Listening Figures” denken). En allemaal zijn ze gitzwart. Her en der wat Japans rode stof. Hoys heeft iets met Japan. Zijn wezens hebben doorgaans maar een arm, hun lijven zijn gehavend en toch hebben ze alles wat ze horen te hebben. De essentie houdt me gezelschap. Het is ook de allereerste keer dat deze bijzondere galerie figuratief werk toont! In deze bevreemdt het me niet dat de keuze op Hoys is gevallen. Hoys, net zoals De Sauter, “herhaalt” zichzelf al een halve eeuw. Maar toch telkens weer anders. Of ook dit monnikenwerk is, weet ik niet. Hoys lijkt me eerder een wat zorgeloze schepper. De Sauter meer een monnik. Zoals voor De Sauter de materie wellicht nog nauwelijks geheimen kent, lijkt Hoys me in België de absolute kenner van aarde en klei. Op de vernissage, ik stel het vast in het openliggende fotoboek, was Borremans aanwezig. Uit een soort dankbaarheid. Door Hoys was die ooit plastische kunsten gaan volgen.

De dag nadien vraag ik me af waarom ik in Knokke een baron ontmoet en nogal wat lieden die ik eerder al in exquise en/of gerenommeerde galerieën tegen het lijf ben gelopen, maar niet in dit brokje Gentse Begijnhof. Het gaat nochtans twee keer om absoluut vakmanschap en pure eenvoud. Ik herken hun beider werken uit de duizend. Het oeuvre van De Sauter zal meer sérieux incarneren. Leunt wellicht nog dichter tegen het niets aan. En wie met het zogenaamde niets kan pronken, kan laten zien dat hij het allemaal begrepen heeft. Denk ik. Dat de prijzen van de oeuvres wellicht ook drastisch verschillen is een gevolg. Ik weet dat Hoys nog altijd wil dat iedereen zijn werk kan kopen. Het heeft met zijn filosofie te maken. Voor mij zijn ze evenwaardig. Niet echter voor het gros van het kunstenvolk.

Voorts zijn Marnix en Willy twee bijzonder aimabele mensen. West-Vlamingen. Groot-Bruggelingen zowaar. Maar goed, ik geniet en laat de twee grote Gentse Musea links liggen. Voorlopig. Alleen Kader Attilia, in het Gents Designmuseum, jent me een klein beetje. Het werk van deze kunstenaar heeft op de vorige Documenta (Kassel) een onuitwisbare indruk op me gemaakt.

Voor ik naar huis terugkeer, zal ik op de hoek bij de kapel nog een koffie drinken. De dochter des huizes woont in Charleroi en pleit voor een bezoek aan de tentoonstelling met werk van Marthe Wéry. Ik doe nog eens de ellenlange Brugstraat en belandt in het Gentse stadscentrum. Massa! En ik moet nog naar… Brugge. Het lijkt alsof Gent op dat vlak Brugge naar de kroon steekt. Ik doe een beroep op mijn resterende souplesse en wring me langsheen lieden die selfies nemen. Niet zelden is het apparaat op een lange stick vastgepind.

Mensen… Hoys toont de mens zoals hij is. Met al zijn kwetsuren. Terwijl de kunstenaar aan een bezoeker uitleg verschafte over de technieken die hij toepast, luisterde ik even mee. Wonderbaarlijk wat ijzer, hout en andere materialen ressorteren in het eindproces. Maar mij gaat kunst altijd om emotie. Kunst moet me raken. Hoys laat zien hoe mooi lelijk kan zijn. De Sauter zal laten zien hoe mooi het bijna niets is. Bij beiden zie je nog sporen van het ontstaansproces. Nog een parallel.

Johan DEBRUYNE, eind maart 2017